• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 5/2003

    Reisbijlage: Industrialisering

    Groningen, Hengelo, Delfshaven

    Door: Maurice Blessing

    Veel Nederlanders en buitenlanders menen dat ons land in de negentiende eeuw een achterlijke en agrarische natie was. Nederland was een land van aardappeleters, zo leren we in het Van Gogh Museum. Van knoestige boeren die 's avonds aan de dis, lamgeslagen door hun archaïsche handenarbeid op het land, wezenloos in een glazige aardappel prikten.

    Dit karikaturale beeld moet nodig eens worden bijgesteld, vinden moderne historici. Natuurlijk, in Nederland zette de industrialisering zich later in dan in de ons omringende landen. Maar dat maakte ons land niet achterlijk of  statisch, Nederland had gewoon zijn eigen industrialiseringspatroon. Zo is het niet waar dat de industrialisering zich hier pas voltrok na 1895, al ver vóór die tijd bestond in Nederland veel kleinschalige industriële bedrijvigheid. Bovendien was Nederland door zijn geografische positie bij uitstek geschikt als handelsland, het was voor zijn economische ontwikkeling simpelweg niet afhankelijk van zware basisindustrieën.

     

    Dag 1: Groningen
    De Groninger graanboer was niet achterlijk

    Het Oost-Groningse Oldambt is een stijlvol wandelgebied, maar minder geschikt voor mensen met pleinvrees of een bezwaard gemoed. Het platte kleilandschap wordt er doorsneden door kaarsrechte wegen, die verdwijnen in een einder die onveranderlijk in stemmige wolken is gehuld. Waarom juist in deze regio, bij uitstek een achtergebleven plattelandsgebied, een verhaal over de negentiende-eeuwse industrialisering begonnen? Het antwoord is eenvoudig. De industrialisering in Nederland is vanaf het begin nauw verbonden geweest met de ontwikkelingen op het platteland. Veel typisch Nederlandse industrietakken zijn voortgekomen uit agrarische activiteiten: denk aan de zuivel-, meel- en textielindustrie. Overblijfselen van dit soort fabrieken zijn nog overal in deze streek te vinden.

    Zo staat in Sappemeer, aan een gedempt gedeelte van het Winschoterdiep, nog een moutwijnfabriek uit 1839. Men stookte er een heerlijke aardappeljenever, die menig plattelander in de negentiende eeuw verstrooiing en troost schonk. In de fabriek zijn nu woningen gevestigd, maar het originele langgerekte, witgeverfde fabrieksgebouw is nog intact.

    Bij oude vaarten in dit gebied liggen nog veel restanten van baksteenfabrieken. De kleigrond diende als grondstof en het kanaal voor het vervoer naar de steden, waar vanwege de bevolkingsuitbreiding - een gevolg van de industrialisatie - een constante vraag was naar bouwmaterialen. In Muntendam is een van de oudste steenfabrieken in Groningen te vinden. Het spookachtige complex van rode baksteen aan het Muntendammerdiep staat sinds de jaren zestig leeg.

    En wat was een nieuwe stadswijk zonder kerk of een arbeider zonder klok? In Heiligerlee is in een gerestaureerde klokkengieterij uit 1862 een klokkenmuseum gevestigd. Er is tevens een restaurant, dus het is handig hier rond het middaguur te stoppen voor de lunch, en dan de smederij, de ovens en de grondkelders te bezichtigen. De echte fanatiekeling kan daarna in dezelfde dorpsstraat speuren naar de overblijfselen van een oude steenfabriek. Zoek eerst de oude loop van het Winschoterdiep, achter het rijtje woningen tegenover het museum; loop dan richting het dorp. In tegenstelling tot de klokkengieterij heeft men dit gebouw helemaal laten vervallen. Alleen de droogschuur staat nog overeind.

    Strokarton
    Door al die fabriekjes op het platteland waren de boer en de industrieel vanaf het begin van de industrialisatie in hoge mate op elkaar aangewezen. Dat wil echter niet zeggen dat de samenwerking altijd even soepel verliep. Conflicten over de prijs die de fabrikanten rekenden voor de grondstoffen die de boeren aanleverden, leidden er eind negentiende eeuw zelfs toe dat een groep boeren de industriële productie zelf ter hand nam.

    Wie komende uit de richting van Heiligerlee het Winschoterdiep oversteekt, ziet plotseling midden in de weilanden de kazerneachtige contouren van de voormalige strokartonfabriek De Toekomst. Dit is het restant van de eerste coöperatieve strokartonfabriek in Nederland. Het is een surrealistisch gezicht: koeien die grazen in de schaduw van een vervallen industrieel complex, dat met een miniscuul plattelandsweggetje verbonden is met het Winschoterdiep.

    Maar de locatie is minder vreemd dan het lijkt. Ten noorden van het kanaal liggen de kleivelden van het Oldambt, dat het stro leverde. En ten zuiden van het Winschoterdiep liggen de voormalige veenkoloniën: één grote voorraadschuur van goedkope brandstof - turf - en bovendien een reservoir van zoet water, onontbeerlijk voor een industrieel productieproces. In dit laatste gebied vestigden zich rond 1870 dan ook de eerste strokartonfabrikanten. Zij verwerkten het stro dat overbleef van de graanproductie in de kleigebieden in moderne fabrieken tot het verpakkingsmateriaal strokarton.

    De strokartonfabricage was een winstgevende bezigheid. Het restproduct stro was goedkoop en volop voorhanden. Bovendien wachtten de inkopers net zo lang tot de erven van de boeren vol lagen met balen stro. De boer was dan, gedwongen door ruimtegebrek en hevig verontrust door de naderende herfst, maar al te bereid de lage inkoopsprijs - door de fabrikanten van tevoren onderling overeengekomen - te accepteren.

    Zuivelfabriek
    Maar de Groninger graanboeren waren geen kleine keuterboertjes, en ze waren ook niet achterlijk. Ze zagen met lede ogen aan hoe het aantal strokartonfabrieken zich uitbreidde en de fabrieken steeds meer arbeiders aannamen - duidelijke aanwijzingen dat er over hun rug flink wat geld werd verdiend. In 1886 hadden Friese boeren uit onvrede over de prijzen die ze voor hun melk kregen een eigen coöperatieve zuivelfabriek opgericht. Was het niet mogelijk iets soortgelijks op te zetten? Op 25 februari 1899 richtte een groep Oldambtster landbouwers een vereniging op >ten doel hebbende het stichten van een stroocartonfabriek=, om daarin het stro van de aandeelhouders coöperatief te verwerken.

    De eerste fabriek, die De Toekomst werd gedoopt, verrees in 1900. In 1908 moest er al een tweede fabriek worden gebouwd. De baten waren niet mis: een gegarandeerde afname van hun stroproductie tegen redelijke prijzen en aandelen die elk jaar meer waard leken te worden. In het grensgebied tussen het Oldambt en de veenkoloniën schoten de coöperatieve strokartonfabrieken als paddestoelen uit de grond.

    Aan die lucratieve agrarisch-industriële synthese kwam in de jaren zestig echter een einde. De vraag naar strokarton nam snel af vanwege de concurrentie van plastic en grijskarton als verpakkingsmaterialen. De coöperatieve fabrieken konden de omschakeling naar een nieuw productieproces niet aan. De Toekomst moest in 1968 haar poorten sluiten; de allerlaatste coöperatieve strokartonfabriek, in Oude Pekela, werd in 1979 geliquideerd. 

    [kader Oost-Groningen]
    Lelijke stinkfabriek
    Wat maakt een historisch gebouw tot nationaal monument? Die vraag dringt zich op in de doorgangsstraat van Heiligerlee, waar zich de restanten bevinden van twee fabriekspanden uit de negentiende eeuw. Het ene is voor veel geld gerestaureerd en doet nu dienst als museum. Het andere is half afgebroken, en het restant zal binnenkort uiteenvallen. Niet toevallig is het laatste gebouw een steenfabriek en het eerste een klokkengieterij.
    Het verschil in publieke waardering heeft mogelijk te maken met het grote aantal toerbussen dat Heiligerlee aandoet. De dagjesmensen die erin worden aangevoerd, zijn van een generatie die fabrieken nog altijd beschouwt als lelijk . Klokken zijn mooi, en dus belangrijk; bakstenen niet, zo is de mening van de meeste bezoekers waarschijnlijk samen te vatten. Illustratief is dat het museum klokkengieterij heet, een veel romantischer benaming dan  klokkenfabriek, wat het natuurlijk eigenlijk was.

    Of een historisch gebouw tot monument wordt verklaard, en voor het nageslacht behouden wordt, hangt dus in grote mate af van de waan van de dag. Sinds de jaren zeventig heeft zich daarin een ommekeer voorgedaan. Industrieel erfgoed, ook  lelijke stinkfabrieken , worden niet meer rücksichtslos met de grond gelijkgemaakt. Moderne stedenplanners zoeken naar manieren om historische fabrieken te hergebruiken en zo te behouden als onderdeel van het stadsbeeld.

    Maar dit is een commerciële aanpak: renovatie moet wel rendabel zijn. Daarom worden historische fabrieken op het platteland meestal aan hun lot overgelaten. Want hoe moet je een fabriek daar hergebruiken? Een disco, warenhuis of filmhuis in een boerendorp of midden in de weilanden is commercieel nauwelijks levensvatbaar. Toeristen blijven over als enige redders van het industriële erfgoed op het platteland. Maar voordat de generatie van na 75 in toerbussen door Groningen trekt, zal er van het Groningse industriële erfgoed weinig over zijn.

    Reis:
    Om alle hierboven beschreven industriële monumenten op één dag te kunnen zien, is een auto of fiets noodzakelijk. Op het treinstation van Winschoten zijn fietsen te huur. Tegenover het station is een VVV-kantoor, waar kaarten van de omgeving te koop zijn. Vanaf Winschoten is gemakkelijk in één dag de route Heiligerlee, Scheemda, Muntendam, Sappemeer af te leggen. In Sappemeer is het een klein ritje met de trein terug naar Winschoten. 

    Ter plekke:
    VVV Winschoten: tel. 0597-41 22 55
    Museum Klokkengieterij Heiligerlee: Provincialeweg 55, Heiligerlee, tel. 0597-41 81 99. 

    Leestip:
    Frank Westerman, De Graanrepubliek (Atlas 1999). Monografie over de neergang van de Groninger graanbaronnen in de twintigste eeuw.

    Internetsites:
    http://home.planet.nl/~berbron/midwolda.htm?vvv 

    Strokartonfabriek de Toekomst : www.veenkoloniaalmuseum.nl/industrie.htm

    Of http://home.planet.nl/~berbron/midwolda.htm?museum 

    Zie voor een lijst met industriële monumenten in Groningen de site van de Stichting Industrieel Erfgoed Noord-Nederland: www.sien-n.nl
    [EINDE KADER] 

    Dag 2: Hengelo
    Stoommachines en sociale woningbouw 

    Wie zich een idee wil vormen van een Nederlandse industriewijk in de negentiende eeuw, moet zo snel mogelijk de trein richting Hengelo nemen voordat hier, in het kader van de geplande stadsvernieuwing, een van de laatste vroeg-industriële stadsgebieden wordt heringericht. De trein is overigens een essentieel element in deze industriële sentimental journey, want zonder spoorlijn had het Hengelose industriegebied nooit bestaan.

    Het station van Hengelo, met een stalen overkapping uit 1900, bevindt zich op de scheidslijn tussen twee werelden. Ten zuiden van het spoor zien we een vijftig hectare groot industrieterrein dat zich hier sinds de jaren zestig van de negentiende eeuw heeft gevormd. Het loont echter de moeite om eerst wat rond te lopen door het oude dorp ten noorden van het station. Aan de Bornsestraat is hier Hengelo=s Educatief Industriemuseum gevestigd. En in dit gedeelte van de stad is de enorme verandering die Hengelo na de komst van de spoorlijn heeft doorgemaakt nog voor te stellen.

    Van het oude dorp is niet veel meer over. De geallieerden lieten er in de Tweede Wereldoorlog een vernietigend bommentapijt op vallen - en misten daarmee het eigenlijke doelwit: het industrieterrein waar de Duitse bezetter wapens liet produceren. Toch kun je hier nog enkele typisch Twentse hoeven vinden en eeuwenoude beekjes langs moderne rijtjeswoningen zien kabbelen. Met een beetje fantasie is nog voor te stellen hoe de boeren hier hun karige inkomsten aanvulden door thuis textiel te weven. In de beekjes werd de wol geverfd: het begin van een lokale industrie. 

    Ongenood volk
    Het contrast met de zuidzijde van de spoorlijn is groot. Hier overheerst het industriële landschap: bakstenen fabrieksmuren, een ranke fabriekspijp en vervallen loodsen domineren er de smalle Industriestraat. De kern van dit industriegebied wordt gevormd door het complex van Stork en Dikkers, dat ontstond rond de Machinefabriek Stork & Co uit 1868.

    In 1859 had de Oldenzaalse notabelenzoon Coenraad Craan Stork, die in Delft techniek had gestudeerd, in Borne een reparatiewerkplaats voor textielmachines opgezet. Na de introductie van geavanceerde Engelse en Belgische stoommachines was in het wat geïsoleerde Twente een grote vraag ontstaan naar gekwalificeerd personeel dat die nieuwerwetse machines kon onderhouden. Toen Coenraad Craan in 1863 stierf, nam zijn broer Charles Theodoor de leiding over de werkplaats over.

    Inmiddels was de Nederlandse regering begonnen met de aanleg van een spoorlijn naar Duitsland, met een halteplaats bij het afgelegen Hengelo. De Twentse boeren waren er niet onverdeeld blij mee. Boeven en ander ongenood volk, dat was wat een eerlijk, hardwerkend mens van zo=n snelle doorgangsweg kon verwachten. C.T. Stork realiseerde zich echter de enorme mogelijkheden van een snelle verbinding met zowel Holland als het Duitse Ruhr-gebied.
    Hij verplaatste de werkplaats naar een locatie achter het station in aanbouw. Het leek Stork bovendien een goed idee om zelf stoomketels te gaan bouwen. Vijf jaar na de oprichting van Stork & Co kon de honderdste stoommachine worden afgeleverd. Het succes trok andere ondernemers aan. Zo stichtte C.T.=s schoonzoon Dikkers in 1879 een fabriek die zich toelegde op onderdelen voor Storks ketelbouw.

    De fabriek van Dikkers, die in 1981 failliet ging, grenst nog altijd aan de Stork-fabrieken. Zijn historische ijzergieterij bevindt zich halverwege de Industriestraat. Een manshoog muurtje en een nauw zijstraatje scheiden de Dikkers-gebouwen van het Stork-complex, met zijn massieve, klokvormige koeltorens en monumentaal ketelhuis, waarvan de schoorsteen nog steeds werkt. Vanaf deze plek is het nog geen vijfhonderd meter naar de oude watertoren, die nu wordt gebruikt door de plaatselijke brandweer. 

    Tuindorp
    De ontwikkelingen brachten voor Hengelo ingrijpende veranderingen met zich mee; de bevolking vervijfvoudigde in enkele decennia. Veel woonruimte was er niet. C.T. Stork had echter, geïnspireerd het verlichte Engelse idee dat een tevreden werknemer meer produceert en minder ontvankelijk is voor revolutionaire ideologieën, een naamloze vennootschap opgericht, met als doel het gebrek aan goede burgerwoningen te lenigen. C.T.s zoon C.F. Stork bouwde naast de fabriek een tuindorp, dat zowel arbeiders, beambten als directeuren moest gaan huisvesten; zelf zou hij er ook gaan wonen. De eerste steen werd gelegd in 1911.

    Wie bij de ijzergieterij van Stork, tegenover de watertoren, het industriecomplex in zuidelijke richting verlaat, stuit al snel op een met klimop begroeide gebogen muur met gedenkplaat. Hierachter ligt tuindorp >t Lansink. Het muurtje moest de rustieke stadswijk vrijwaren van industriële luchtjes. Dat de industrialisering van Nederland tegelijkertijd een romantische hang naar het dorpsverleden opriep, is hier goed te zien. Het centraal gelegen C.T. Storkplein roept de sfeer op van een Oudhollands dorp. De popperige huisjes met quasi-zeventiende-eeuwse geveltjes neigen naar Anton Pieck-sentimentaliteit. De opmerkelijke torenklok van het bedrijfskoffiehuis, nu hotel-restaurant >t Lansink, moest het gemis van een kerktoren compenseren.

    [kader Hengelo]
    In steen gestolde revolutie-angst
    De familie Stork maakte deel uit van een groep industriële ondernemers die zich aan het eind van de negentiende eeuw intensief bezighield met de sociale kwestie. Deze ondernemers waren voorstanders van sociale wetgeving, bedrijfsreglementen, erkenning van de vakbonden en collectieve arbeidsovereenkomsten. Binnen het eigen bedrijf voerden ze een actief sociaal beleid op het gebied van woningbouw, fondsvorming en scholing. Met dergelijke vooruitstrevende arbeidsvoorwaarden trachtten de ondernemers gespecialiseerde werknemers te werven en te behouden.

    Maar het verkrijgen van goede arbeiders was niet de enige reden voor het sociale gezicht van deze ondernemers. In West-Europa heerste eind negentiende eeuw grote angst voor sociale polarisatie. Revolutionaire bewegingen groeiden, de arbeider werd zelfbewuster en mondiger. De elite voelde zich bedreigd en ging, uit puur eigenbelang, op zoek naar een derde weg tussen ongebreideld kapitalisme en de arbeidersrevolutie in. De historici Erik Nijhof en Peter Scholiers noemen de oudste tuinsteden, zoals >t Lansink, in hun studie Het tijdperk van de machine (1996) dan ook in steen gestolde revolutie-angst.
    Maar wat haar beweegredenen ook geweest mogen zijn, de Stork-familie vervulde een voortrekkersrol op het gebied van de sociale zekerheid in Nederland. Wij menen niet met elkander te hebben afgedaan, wanneer door u het werk geleverd en door ons het loon betaald is, schreef de directie in 1892 in het eerste nummer van bedrijfskrant De Hengelosche Fabrieksbode. Zo hadden werknemers van Stork onder meer de beschikking over een ziekenfonds (1868), ouderdomsvoorziening (1881), een weduwe- en wezenfonds (1884) en invaliditeitsfonds (1891).

    Jongens werden onder werktijd onderwezen in de bedrijfsschool, later de Wilhelminaschool, waar ze naast vak- ook basisonderwijs ontvingen. Voor meisjes kwam er een speciale huishoudschool, de C.T. Storkschool, op de plek waar zich vroeger boerderij >t Lansink bevond. Er is nu een school voor toerisme gevestigd. In de vestibule is nog steeds een glas-in-loodraam te vinden met afbeeldingen van illustere Stork-telgen.
    [EINDE KADER] 

    Reis:
    Het station ligt centraal, en alle in het stuk beschreven monumenten liggen op minder dan twintig minuten loopstand van het stationsplein. 

    Ter plekke:
    VVV Hengelo: tel. 074-242 11 20.  Bij de VVV is voor  euro 4,50 een kunstroute langs de industriële monumenten te verkrijgen en een kaart van de stad.

    Hengelos Educatief Industriemuseum (HEIM): vooralsnog op de Bornestraat 7, binnenkort gehuisvest in de voormalige Wilhelminaschool. tel. 074 - 243 00 54  

    Leestip:
    Jaap Scholten, Morgenster (Contact 2000). De auteur, die familie is van C.T. Stork, schetst het milieu van de Twentse textielfabrikanten. 

    Dag 3: Delfshaven
    Gecamoufleerde fabrieken in een pittoresk plaatsje 

    Restanten van de industrialisering duiken in Nederland op de meest onverwachte plaatsen op. Zo kun je midden op het platteland bij een rivier of kanaaltje plotseling op een negentiende-eeuwse kalk- of steenoven stuiten. Deze overblijfselen zijn in het oog springende aanwijzingen dat er op die bewuste plek ooit een industrialiseringsproces heeft plaatsgevonden. Andere restanten van de industrialisering vallen minder op, omdat ze in de omgeving zijn geïntegreerd. Dit camoufleren van industriële overblijfselen zien we vooral in steden. Soms is dit het werk van moderne stadsplanners, maar even zo vaak is het de oorspronkelijke opzet van de bouwers geweest. Een goed voorbeeld is de Rotterdamse wijk Delfshaven. 

    Maniërisme Delfshaven wordt internationaal aangeprezen als een van de parels van Nederlands Gouden Eeuw. Het feit dat Piet Heyn er geboren is en de Pilgrim Fathers - grondleggers van het moderne Amerika  er hun laatste nacht op het Europese vasteland doorbrachten alvorens naar Plymouth te zeilen om daar op de Mayflower over te stappen, zijn belangrijke troefkaarten van de plaatselijke VVV. Het aangezicht van Delfshaven doet ook inderdaad aan de Gouden Eeuw denken: renaissanceherenhuizen en stoere pakhuizen op de kades, een traag wiekende eenzame molen aan de einder.

    Maar de schijn bedriegt hier. Een nadere beschouwing leert dat de historische panden van Delfshaven - afgezien van een paar gebouwen, zoals de kerk en het zakkendragershuisje  producten zijn van de geïndustrialiseerde negentiende eeuw. Neem de woonhuizen aan de westzijde van de Aelbrechtskolk, waar de meeste bezoekers Delfshaven betreden. Ze doen Gouden- Eeuws aan, maar dateren van het einde van de negentiende eeuw. Ze zijn opgetrokken in een bouwstijl die teruggreep op Oudhollandse renaissancebouwvormen, ook wel het  Hollands maniërisme genoemd. De industriële materialen verraden echter een latere bouwdatum: kunststeen, gietijzer en zink werden in die tijd vervaardigd in kleine fabrieken.

    Een van die fabriekjes is verderop aan de Kolk te vinden: de machinefabriek Cupedo, met fraai vormgegeven gevel uit 1919. Het is een van de weinige panden in Delfshaven waar men van de neoklassieke bouwvormen afweek en met modernere stijlen experimenteerde. Het pand is daarom ook gemakkelijker als fabriek te herkennen, ondanks de romantische glas-in-loodramen met Oudhollandse motieven als zeilscheepjes en vissersvrouwen. 

    Afbijtmiddel
    De voornaamste negentiende-eeuwse industrie in Delfshaven was de jeneverstokerij. Veel stokerijen zijn er echter niet bewaard gebleven. De voormalige distilleerderij De Ooievaar van de firma Henkes aan de Voorhaven is een van de uitzonderingen. De distilleerderij is gebouwd in 1867. Het is een goed voorbeeld van de manier waarop dit soort industrieën aan de omgeving werd aangepast, en dus in feite werd gecamoufleerd.

    Omdat distilleerderijen en brouwerijen vóór die tijd in pakhuizen werden ondergebracht, heeft de architect het ontwerp gebaseerd op dat van een ouderwets pakhuis. Het is een indrukwekkend monument van rode baksteen met hardstenen pilasters en sierlijke romaanse bogen van gele baksteen die de vensters en poorten bekronen. Dat dit ooit een stinkende, roet uitbrakende fabriek is geweest is enkel te herleiden uit het opschrift op de gevel en de bakstenen fabriekspijp op de binnenplaats van wat nu een moderne kunstgalerie is. Ook de schijnbaar Oudhollandse ophaalbrug die de Aelbrechtskolk van de Voorhaven scheidt is, in weerwil van de naam Piet Heyn-brug geen product van de Gouden Eeuw. De ijzeren constructie werd in 1873 vervaardigd door metaalwarenfabriek L.I. Enthoven & Co uit Den Haag.

    Voor de jenever in de distilleerderijen was graan nodig, dat werd gemalen in moutmolens. In de omgeving van de haven zijn nog twee monumentale rompen van dergelijke molens te vinden, waarvan er één onheilspellend uittorent boven een blok sociale-woningbouwwoningen. Op de kop van de Voorhaven staat, vlak bij de plek waar zich ooit een originele moutmolen bevond, een gerestaureerde molen, met vrolijke Hollandse vlaggetjes aan de wieken. Er wordt ambachtelijk meel gemalen, dat op zaterdag wordt verkocht.

    Jenever drinken kan natuurlijk nog steeds in Delfshaven. In het pand van een stoomdistilleerderij en likeurstokerij uit 1897 is sinds acht jaar erkend jenevercafé en proeverij De Ooievaar gevestigd. Een vaste klant demonstreert het kenmerk van een traditioneel gebrouwen jenever: geen fles smaakt hetzelfde. Dat klopt: één glas ruikt naar gekruide alcohol en het andere naar - eh... afbijtmiddel? Laat ze er maar zuinig op zijn. Het zijn de enige negentiende-eeuwse geuren die het pittoreske Delfshaven, product van de industrialisering, nog resten.

    Met dank aan Erik Nijhof, historicus aan de Universiteit Utrecht, Jan Pieter Koers van de  Historische Vereniging Gemeente Scheemda en Harry Westerink, huismeester Koninklijke Machinefabriek Stork B.V.

    [Kader Delfshaven]

    Het Delftse juk
    Delfshaven was ooit de haven van Delft. Maar de bestuurders van Delft, die de haven en het kanaal ernaartoe in de veertiende eeuw hadden laten aanleggen, hinkten op twee gedachten: het was prettig om via een eigen verbinding met de Maas de Rotterdamse tolheffing te omzeilen, maar het was geenszins de bedoeling dat de haven de stad Delft zou gaan overvleugelen. De uitbreiding van Delfshaven werd daarom met allerlei bepalingen aan banden gelegd.

    De Delfshavenaren moesten zich tevredenstellen met beperkte haringvangst en het overladen en opslaan van goederen voor de Delftse vestiging van de VOC. Niettemin veranderde het karakter van de haven in de achttiende eeuw aanzienlijk: Delfshaven en het nabijgelegen Schiedam gingen zich toeleggen op de alcoholindustrie. Overschotten van wijn en graan in de pakhuizen werden er verwerkt tot brandewijn (van oude wijn) en moutwijn (van ontkiemd graan). De moutwijn werd gedistilleerd tot jenever.

    Deze industrieën waren zwaar vervuilend, en zorgden voor voortdurend brandgevaar. Delft en Rotterdam wilden ze daarom niet binnen hun muren hebben. De enkele branderijen die in Rotterdam gevestigd waren, werden verplaatst naar Delfshaven en Schiedam. In 1795 telde Delfshaven maar liefst 32 branderijen. Aan de randen van de haven verrezen enorme windmolens voor het malen van de ontkiemde graankorrels, oftewel mout.

    De Franse overheersing aan het begin van de negentiende eeuw werd door Delfshaven aangegrepen om eindelijk het Delftse juk af te gooien: Delfshaven werd een zelfstandige stad. Maar de timing was hoogst ongelukkig: er zette zich juist een periode van economische neergang in. De VOC was opgeheven en de brandewijnindustrie was op zijn retour. De haven verzandde. Een vriendelijk verzoek aan Rotterdam, in 1841, om het verarmde stadje te annexeren, werd beleefd maar beslist afgeslagen.Een kleine halve eeuw later bedacht Rotterdam zich echter. De uitgestrekte polders die Delfshaven omringden, waren wel erg aanlokkelijk. De groei van de Rotterdamse haven was in de tweede helft van de negentiende eeuw in een stroomversnelling geraakt door de aanleg van de Nieuwe Waterweg en de ontwikkeling van het Ruhr-gebied in Duitsland. Met de groei van de haven was de bevolking spectaculair toegenomen. In de polders van Delfshaven kon Rotterdam nu mooi zijn arbeiderswijken bouwen. Het betekende het begin van een tweede industriële bloeiperiode voor Delfshaven als deelgemeente van grote broer Rotterdam. Uit deze laatste tijd dateren de meeste Delfshavense monumenten.

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen