De Nederlandse mannen en vrouwen die in de concentratiekampen werkten hadden dikwijls een problematische achtergrond. Toch waren de meesten geen gestoorde monsters, toont Hans de Vries.
In Amor fati (1946) schrijft Abel Herzberg over wat hij heeft gezien in Bergen-Belsen, het concentratiekamp waar hij met zijn vrouw gevangenzat. Een van de essays gaat over ‘blonde Irmy’, een SS-Aufseherin die door de gevangenen ‘de griet’ wordt genoemd. Een niet al te slimme, niet erg knappe jonge vrouw die in het burgerleven weinig kansen en nog minder geluk heeft gehad, maar die in het kamp dankzij uniform en knuppel vrees inboezemt en gehoorzaamd wordt. Herzberg schildert haar niet af als monster, maar als iemand die om allerlei redenen in dit perverse systeem is beland en hierin is afgestompt. Iemand die op het ene moment in grote woede een 15-jarige jongen halfdood slaat, om even later te spelen met de kinderen in het weeshuis van het kamp en hun chocola toe te stoppen.
Blonde Irmy was Duitse en komt dus niet voor in het boek dat oud-NIOD-medewerker Hans de Vries schreef over Nederlanders die in de Duitse concentratiekampen hebben gewerkt. Niettemin komt het portret dat Herzberg van haar schetste vrij sterk overeen met het beeld dat oprijst uit het onderzoek van De Vries. Uit dit boek blijkt trouwens dat tal van ex-gevangenen al kort na de oorlog een realistischer beeld van de mannelijke en vrouwelijke SS-bewakers schetsten dan het beeld dat later overheerste in de publieke opinie en de populaire cultuur. Daarin werden die bewakers vaak neergezet als psychisch gestoorden die hun sadistische aandriften uitleefden.
Het heeft heel lang geduurd voordat er serieus onderzoek naar dit kamppersoneel werd gedaan, terwijl de betrokkenen er na de oorlog ook weinig voor voelden om hierover te spreken. Maar op basis van archiefonderzoek en literatuurstudie heeft De Vries heel wat informatie boven water gekregen over de tientallen Nederlandse vrouwen en aanzienlijk meer mannen die in eigen land of in Duitsland in concentratiekampen hebben gewerkt.
Het boek is systematisch opgezet en helaas enigszins schools geschreven, niettemin krijgt de volhardende lezer een goed beeld van deze collaborateurs. Wat opvalt is dat de meesten geen fijne jeugd hadden gehad, niet zelden met gescheiden ouders, kindermishandeling, alcohol- en seksueel misbruik. Veel moreel besef hadden de meesten niet meegekregen, en over het algemeen hadden ze weinig opleiding genoten. Soms belandden ze tegen hun zin in een kamp, maar vaak zagen ze het werk daar als een mogelijkheid om een stapje op te klauteren op de maatschappelijke ladder. In het sadistisch universum van de kampen werd vooral een appel op hun slechtste eigenschappen gedaan en nadat het Derde Rijk ineen was gestort waren ze sterk geneigd zichzelf als slachtoffer te zien. Over het algemeen was hun moreel besef er dus niet op vooruitgegaan.
‘Helaas heb ik in Auschwitz pech.’ Nederlands personeel in de nazikampen
Hans de Vries
372 p. Boom, € 29,90

