• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 4/2003

    Nederland doet proefwerk geschiedenis. Cijfer: een 4

    ‘Bonifatius was een homo!’

    Door: Frans Smits

    Het Historisch Nieuwsblad en de Stichting Actueel Verleden legden 683 Nederlanders een proefwerk geschiedenis voor. Resultaat: een paar duizend misverstanden over de Nederlandse geschiedenis. ‘Willem van Oranje kwam in opstand tegen de Romeinen’, ‘De Eerste Wereldoorlog begon in 1550’, en: ‘De ouders van Juliana waren Claus en Diana.’


    Met vijftien heel simpele vragen over de Nederlandse geschiedenis liepen we de afgelopen weken de Nederlandse markten af. We waren in Amsterdam, Bergen op Zoom, Den Bosch, Den Haag, Deventer, Groningen, Heerhugowaard, Leiden, Middelburg, Nijmegen en Utrecht. Op de markt in Deventer ontmoetten we warempel de burgemeester, J. van Lidth de Jeude. Graag deed hij mee aan ons proefwerk. De burgemeester – ooit aan de universiteit afgestudeerd in natuurkunde – haalde een mooi cijfer: een 8,6. Slechts twee vragen beantwoordde hij fout. Zijn inwoners bakten er heel wat minder van. Gemiddeld scoorden de Deventernaren een 4,5 – net iets beter dan het gemiddelde van de gehele Nederlandse bevolking. Dat was een 4,2.
            Historisch Nieuwsblad en de Stichting Actueel Verleden wilden weten hoe het gesteld is met de historische kennis van de Nederlandse bevolking. We maakten vijftien makkelijke en relevante vragen die de tijd vanaf de Middeleeuwen tot nu toe bestreken (zie ‘Vragen en antwoorden’). De vijftien vragen behoren tot de categorie ‘wat elke Nederlander moet weten over zijn geschiedenis’. In totaal deden 683 Nederlanders aan ons proefwerk mee. Duizenden mensen spraken we aan, maar velen wilden niet meedoen: ‘Ik heb nooit opgelet tijdens de geschiedenislessen,’ zeiden ze. Of: ‘Ik weet helemaal niks van geschiedenis.’
            Mannen (cijfer 4,9) weten meer van de Nederlandse geschiedenis dan vrouwen (3,9). Hoe jonger, hoe slechter Nederlanders op de hoogte zijn van hun geschiedenis. Lager opgeleiden scoren beduidend slechter dan hoger opgeleiden. Maar zelfs de Nederlanders die hoger beroepsonderwijs of de universiteit hebben afgelegd, halen niet meer dan gemiddeld een 5,1. Allochtonen scoren heel bedroevend: een gemiddeld cijfer van 1,7 (zie ‘Resultaten’).
            Vergelijken we de deelnemers aan ons proefwerk met de totale Nederlandse bevolking, dan blijkt dat de jongeren, de lager opgeleiden en de allochtonen sterk ondervertegenwoordigd zijn – precies die groepen die een laag cijfer halen. Waren deze groepen goed vertegenwoordigd geweest onder de deelnemers van het proefwerk, dan was het gemiddelde cijfer nog heel wat lager geweest dan 4,2.

    De eerste vraag – ‘Wie waren de ouders van prinses Juliana?’ – leek ons een weggevertje. Toch beantwoordde maar 53 procent van de deelnemers deze vraag goed. 29 Procent wist één ouder te noemen en 18 procent wist noch Wilhelmina, noch Hendrik te noemen. ‘Ik weet geeneens wie Juliana is,’ zei een 15-jarige scholier in Bergen op Zoom. Geheel foute antwoorden: Emma en Willem II, Emma en Willem III, Willem III en Anna van Saxen, Emma en Frederik Hendrik, Emma en Willem van Oranje, Emma en Claus, en… Claus en Diana. Vaak noemde men Wilhelmina wel, maar werd zij gekoppeld aan een verkeerde echtgenoot: Wilhelmina en Willem van Oranje, Wilhelmina en Floris, Wilhelmina en Hans, Wilhelmina en Willem III, Wilhelmina en keizer Wilhelm, Wilhelmina en prins Albert, Wilhelmina en prins Philip, en – heel vaak – Wilhelmina en prins Bernhard.
            Vraag twee – ‘In 1891 begon Gerard Philips een fabriekje. Waar deed hij dat en wat maakte hij er?’ – vonden de deelnemers de makkelijkste. Goed – Eindhoven, gloeilampen – had deze vraag 77 procent, voor de helft goed 11 procent en fout 12 procent. Genoemd werden: Leiden, Tiel, Maastricht, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Deurne. Als producten: radio, televisie, telefoon, strijkijzer, glas, papier, tabak en… sigaretten van Philip Morris.
            De derde vraag voerde de deelnemers naar de Middeleeuwen: ‘In 754 werd Bonifatius bij Dokkum vermoord. Wat deed hij in ons land?’ ‘Bonifatius? Klinkt rooms,’ merkte een 20-jarige student in Middelburg verstandig op. Het antwoord moest hij schuldig blijven. ‘Had hij iets te maken met de VOC?’ vroeg iemand anders. ‘Een ridder?’, ‘Een stadhouder?’, ‘Was hij stamhoofd van Friesland?’, ‘Een politiek iemand?’, ‘Zat hij bij de geuzen?’ Enkele wanhopige vragen. Stellige antwoorden: ‘Bonifatius was een homo!’, ‘Hij kwam land veroveren’, ‘Hij was een afgevaardigde van de Romeinen die ruzie kwam zoeken’, ‘Hij kwam vechten tegen de Batavieren’, ‘Hij was een predikant van Calvijn’, en… ‘Hij vierde hier vakantie.’ Het goede antwoord – kerstenen of het christendom verbreiden – gaf 49 procent van de deelnemers.

    De bolsjewieken
    Vraag vier had zelfs de burgemeester van Deventer fout. ’40 Procent,’ antwoordde hij. De vraag luidde: ‘Wat was het aandeel (in procenten) van de Nederlanders in de zeventiende en de achttiende eeuw in de internationale slavenhandel?’ Het bleek de moeilijkste vraag en hij werd maar door 7 procent van de deelnemers goed beantwoord. Het juiste antwoord is 6,7 procent, maar we hebben alle percentages beneden de 10 procent goed gerekend. Vrijwel alle deelnemers dachten dat het percentage veel en veel hoger was. ‘Zeker 70 procent,’ zei een 50-jarige docent economie in Utrecht. ‘Daar hebben we alle ellende met die Surinamers aan te danken.’ Een gepensioneerd ambtenaar van Surinaamse komaf antwoordde: ’80 Procent. Nederland was de onbetwiste marktleider. 6,7 Procent? Jullie zijn niet goed wijs!’
            Vraag vijf was: ‘In 1971 wilde minister Van Agt de Bloemenhove-kliniek in Haarlem sluiten. Wat gebeurde daar dat kennelijk niet mocht?’ ‘Dat heb ik nog meegemaakt. Dat is geen geschiedenis,’ zei een 76-jarige huisvrouw in Utrecht verontwaardigd. Ze gaf het goede antwoord: abortus – net als 58 procent van de deelnemers. Velen antwoordden: ‘Euthanasie.’ Andere misverstanden: drugs gebruiken, belastingfraude, seksuele omgang met patiënten, elektroshocks toedienen, kunstmatige bevruchting, kinderarbeid, en… ‘De kliniek was gekraakt.’
            De zesde vraag had ook een kleine meerderheid goed. 60 Procent antwoordde: ‘Spanje’, ‘de Spanjaarden’ of ‘Filips II’. ‘Tegen wie kwam Willem van Oranje in opstand?’ vroegen we. ‘Geen flauw idee! Was hij ergens tegen dan?’ zei een 50-jarige docent Nederlands in Nijmegen. ‘Alexander de Grote!’ meende een 31-jarige bloemist in Utrecht stellig. Anderen zochten het in de familie van de Vader des Vaderlands, wellicht met de recente Oranje-affaire in hun achterhoofd: ‘Tegen zijn schoonmoeder’, ‘Tegen zijn vader. Hij wilde trouwen met een zelfgekozen vrouw’, en: ‘Tegen zijn broer.’ Niet minder opmerkelijk waren de volgende antwoorden: de Romeinen, de Franken, Karel de Grote, de geuzen, de stadhouders, de keizer van Frankrijk, Napoleon, Johan van Oldenbarnevelt, Engeland, Italië, de republikeinen, de bolsjewieken, de boeren, en… Soeharto. Sommige deelnemers verwisselden Willem van Oranje kennelijk met de Soldaat van Oranje. Zij antwoordden: ‘De Duitsers’, of: ‘Hitler’.
            Nog één keer moesten de deelnemers een percentage noemen, want vraag zeven luidde: ‘In 1942 begonnen de Duitsers met de deportatie van joden. Hoeveel procent van de Nederlandse joden overleefde de Tweede Wereldoorlog niet?’ Ondanks tientallen jaren permanente oorlogseducatie had toch maar 30 procent van de deelnemers deze vraag goed. Het juiste antwoord is: 80 procent. Men noemde of een veel te hoog percentage (99 procent) of een veel te laag percentage (3 procent).
            Bij vraag acht moesten de deelnemers vier beroemde Nederlandse schilders in de juiste historische volgorde zetten: Vincent van Gogh, Piet Mondriaan, Rembrandt van Rijn en Jeroen Bosch. Veel deelnemers hadden nog nooit gehoord van Mondriaan of van Bosch. ‘Is dat soms familie van Wouter?’ vroeg men af en toe. De vraag werd goed beantwoord door 32 procent van de deelnemers.
            Vraag negen – ‘Uit welk land kwamen in de negentiende eeuw de meeste migranten naar Nederland?’ – had slechts 12 procent van de deelnemers goed. Het was Duitsland. Vaak werden Indonesië en België genoemd. Andere onjuiste antwoorden: Suriname, China, Portugal, Frankrijk, Turkije, de Verenigde Staten, de Antillen, en Irak.
            Vraag tien, het in de juiste volgorde zetten van vier minister-presidenten (Abraham Kuyper, Joop den Uyl, Hendrik Colijn en Ruud Lubbers) ging de deelnemers heel wat beter af. 67 Procent gaf het goede antwoord. Onbekend waren velen met Kuyper en Colijn. ‘Wie is dat in godsnaam?’
            Vraag elf luidde: ‘In de winter van 1596 verbleef Willem Barentz in het Behouden Huys op Nova Zembla. Wat wilde hij eigenlijk doen?’ Het goede antwoord – om de Noord Indië bereiken – wist 33 procent van de deelnemers. De burgemeester van Deventer dacht net als veel andere deelnemers aan jagen op walvissen. Andere foute antwoorden: mensen bekeren, goud zoeken, de natuur behouden, en… bewijzen dat hij kon overleven.

    Racisten zoeken
    Vraag twaalf was: ‘Over welke kwestie voerden de Belgen en de Nederlanders in 1831 oorlog?’ ‘België en Nederland in oorlog? Zo hee!’ riep een 27-jarige technicus bij de luchtmacht in Bergen op Zoom. ‘Dat waren nou de Hoekse en Kabeljauwse twisten,’ wist een 62-jarige huisvrouw in Den Bosch heel zeker. Het juiste antwoord – om de afscheiding van België – gaf 28 procent van de deelnemers. Andere merkwaardige antwoorden: belastingen (‘echt waar’), om Waterloo, over de Franstaligen, over nikkel en staal, om bier, over de afsluiting van de Schelde, en… over normen en waarden.
            Vraag dertien ging over de Nederlandse koloniale geschiedenis: ‘In 1947 begon Nederland met de eerste van de zogenoemde politionele acties. Wat waren dat?’ ‘De joden moesten allemaal een sterretje hebben, ze mochten niet overal meer in,’ meende een 71-jarige gepensioneerde secretaresse in Utrecht. ‘Dat waren acties van Drees, die ervoor wilde zorgen dat mensen sociaal verzekerd waren,’ dacht een 52-jarige peuterleidster in Heerhugowaard. Ook genoemd: Marshall-hulp, acties voor het vrouwenkiesrecht, optreden tegen terroristen, het neerslaan van opstanden in Amsterdam, de oorlog met Duitsland, het droogleggen van de Zuiderzee, NSB’ers oppakken, NSB’ers verbranden, de wederopbouw van Nederland, harde economische maatregelen, de oprichting van een politieke partij, monumenten slopen, verkeerde mensen opsporen, meer blauw op straat, en… racisten zoeken. Het goede antwoord – het bedwingen van de opstandelingen in Nederlands-Indië – wist 38 procent van de deelnemers.
            Vraag veertien luidde: ‘Sinds welke eeuw is Nederland een koninkrijk?’ ‘Welke eeuwen bestaan er eigenlijk?’ wilde een 17-jarige stratenmaker in Utrecht weten. ‘Dit is een heel makkelijke vraag,’ zei een 62-jarige gepensioneerde man in Middelburg. ‘We hebben altijd een koninkrijk gehad.’ ‘Wanneer leefde Willem van Oranje nu toch? Sinds die tijd is het,’ dacht een 71-jarige huisvrouw in Utrecht. Het goede antwoord – de negentiende eeuw – gaf 30 procent van de deelnemers.
            Net als de eerste vraag leek ons de laatste, vraag vijftien, een weggevertje: ‘In welk jaar begon de Eerste Wereldoorlog en aan welke kant stond Nederland?’ Het goede antwoord – 1914, neutraal – wist 52 procent van de deelnemers. Voor de helft goed had 25 procent van de deelnemers deze vraag. ‘Dat is de Tachtigjarige Oorlog,’ meende een 26-jarige barkeeper in Heerhugowaard. ‘Kijk, de Tweede Wereldoorlog begon in 1914, dan is de eerste in 1903 – simpel,’ zei een 30-jarige chauffeur in Utrecht. ‘Het was in 1550,’ meende een 57-jarige verpleegster van Surinaamse komaf in Den Haag. ‘Aan de kant van de geallieerden tegen de slechten’, of ‘aan de goede kant’, zo omschreven vele deelnemers de positie van Nederland.

    Eind 1996 legde het Historisch Nieuwsblad de leden van de Tweede Kamer een proefwerk geschiedenis voor: vijftien vragen over het vaderlandse verleden met bijzondere aandacht voor de parlementaire geschiedenis. Het gemiddelde cijfer: 4+. Het proefwerk, dat heel wat moeilijker was dan dat wat we nu aan de Nederlandse bevolking hebben voorgelegd, leidde tot veel commotie in kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s. Het gebrek aan historische kennis werd alom betreurd. Er werd gewezen op het gebrekkige Nederlandse geschiedenisonderwijs. Er kwam een commissie-De Wit, die voorstelde in het geschiedenisonderwijs een minimumpakket van historische overzichtskennis aan te bieden. Dit voorstel werd uitgewerkt door de commissie-De Rooy, wier plannen nu al twee jaar wachten op behandeling door de Tweede Kamer.
            Inmiddels stelde begin dit jaar het ministerie van Onderwijs voor om geschiedenis te schrappen als verplicht vak in de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Wie de resultaten van ons proefwerk tot zich laat doordringen, kan alleen maar beamen dat het Nederlandse geschiedenisonderwijs kwalitatief en kwantitatief moet verbeteren. Publicist Paul Scheffer schreef: ‘Wie zijn voorgeslacht niet erkent, heeft ook geen nakomelingen. Straks staat de deur voor eenieder open, maar biedt hij louter toegang tot lege ruimte, omdat niemand het meer de moeite waard vond om terug te kijken.’ En hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy: ‘Gebeurtenissen uit het verleden zijn van fundamenteel belang voor het begrip van de huidige samenleving. Geschiedenis is niet alleen nuttig, maar ook onmisbaar – zeker nu, in een verenigd Europa met zoveel verscheidenheid.’

    Leiding en verwerking proefwerk: Sanne Fase. Met dank aan: Bas Blokker, Hans Maarten van den Brink, Willem Melching en Jan Dirk Snel.

    Vragen en antwoorden

    1: Wie waren de ouders van prinses Juliana?
    2: In 1891 begon Gerard Philips een fabriekje. Waar deed hij dat en wat maakte hij er?
    3: In 754 werd Bonifatius bij Dokkum vermoord. Wat deed hij in ons land?
    4: Wat was het aandeel in procenten van de Nederlanders in de zeventiende en achttiende eeuw in de internationale slavenhandel op Afrika?
    5: In 1971 wilde minister Van Agt de Bloemenhove-kliniek in Haarlem sluiten. Wat gebeurde daar dat kennelijk niet mocht?
    6: Tegen wie kwam Willem van Oranje in opstand?
    7: In 1942 begonnen de Duitsers met de deportatie van joden. Hoeveel procent van de Nederlandse joden overleefde de Tweede Wereldoorlog niet?
    8: Zet de volgende schilders in de juiste historische volgorde: Vincent van Gogh, Piet Mondriaan, Rembrandt van Rijn, Jeroen Bosch.
    9: Uit welk land kwamen in de negentiende eeuw de meeste migranten naar Nederland?
    10: Zet de volgende ministers-presidenten in de juiste volgorde: Abraham Kuyper, Joop Den Uyl, Hendrik Colijn, Ruud Lubbers.
    11: In de winter van 1596 verbleef Willem Barentz in het Behouden Huys op Nova Zembla. Wat wilde hij eigenlijk doen?
    12: Over welke kwestie voerden de Belgen en de Nederlanders in 1831 oorlog?
    13: In 1947 begon Nederland met de eerste van de zogenoemde politionele acties. Wat waren dat?
    14: Sinds welke eeuw is Nederland een koninkrijk?
    15: In welk jaar begon de Eerste Wereldoorlog en aan welke kant stond Nederland?

    1: Hendrik, Wilhelmina
    2: Eindhoven, gloeilampen
    3: Kerstenen, het christendom verbreiden
    4: 6,7 procent (minder dan 10 procent)
    5: abortus
    6: Spanje, de koning van Spanje, Philips II
    7: 80 procent
    8: B, R, G, M
    9: Duitsland
    10: K, C, U, L
    11: De noordelijke doortocht naar Indië ontdekken
    12: Onafhankelijkheid van België
    13: Het optreden van het Nederlandse leger tegen de opstandelingen in Nederlands-Indië
    14: Negentiende eeuw
    15: 1914, neutraal

    Resultaten
    % deelnemers % Nederlandse bevolking Gemiddeld cijfer
    geslacht
    man   51         49         4,9
    vrouw   49         51         3,9

    leeftijd
    0-19     6         24         2,4
    20-39   44         29         4,0
    40-64   40         33         5,1
    65-hoger10         14         5,0

    opleiding
    lager/lbo     10   29         3,1
    middelbaar/mbo44   49         4,2
    univ./hbo     46   22         5,1

    allochtonen   4    18         1,7
    autochtonen  96    82         4,3
    Nederland   100   100         4,2