Home Dossiers Tweede Wereldoorlog Nazi’s bouwden bunkers tegen geallieerde bommen

Nazi’s bouwden bunkers tegen geallieerde bommen

  • Gepubliceerd op: 25 april 2023
  • Laatste update 25 apr 2023
  • Auteur:
    Paul van der Steen
  • 11 minuten leestijd
Gat in een Duitse bunker.
Hitler in de Tweede Wereldoorlog
Dossier Tweede Wereldoorlog Bekijk dossier

Genadeloos bombardeerden de geallieerden de Duitse steden. Om hun ingezetenen te beschermen bouwden de nazi’s daarom vele bunkers. Maar die waren alleen bestemd voor de Duitsers zelf. Geknechte en gevangen mensen hadden geen plek om te schuilen.

Zo’n vijftig Britse bommenwerpers wisten in de nacht van 25 op 26 augustus 1940 het hart van het Derde Rijk te bereiken en te treffen. Een luchtaanval van die omvang op die plaats was nieuw. Mist nam veel van het zicht weg, waardoor veel van hun beoogde doelen niet werden geraakt. Er vielen wel wat explosieven op landbouwbedrijven aan de rand van de hoofdstad. De Berlijners dreven daar vooral de spot mee. Dit was een poging hen uit te hongeren, grinnikten ze.  

Meer lezen over de Tweede Wereldoorlog? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Ook Hermann Göring, minister van Luchtvaart, moest het ontgelden in grappen. Als zich ooit Britse toestellen boven Berlijn zouden vertonen, had hij eens gezegd, dan heette hij niet Hermann Göring, maar Hermann Meier. In Berlijn had hij vanaf die augustusnacht de bijnaam ‘Herr Meier’, al was het in een niets en niemand ontziende dictatuur natuurlijk uitkijken of en waar je zoiets zei.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De ietwat lollige sfeer paste in de roes van 1940. Nazi-Duitsland leek onoverwinnelijk. De Britten sputterden nog wat tegen, maar de Luftwaffe zou het koppige en ‘perfide Albion’ wel op de knieën krijgen. Maar langzaam maar zeker verging de Duitsers het lachen. Op 29 augustus 1940 viel de eerste burgerdode bij een nieuwe luchtaanval op de rijkshoofdstad. Eén man was toen al een paar dagen buiten zichzelf van woede: Adolf Hitler. Hij vond het Britse bombardement op Berlijn een schande en dreigde met nietsontziende vergelding. ‘Ik veeg hun steden van de kaart. We zullen een eind maken aan het werk van deze nachtpiraten,’ beloofde de Führer op 4 september aan een uitzinnige massa in het Sportpalast in de hoofdstad.

Berlijnse kinderen gaan de bunkers in, 1940.
Berlijnse kinderen gaan een bunker in, 1940.

Het bleef niet bij krijgshaftige taal. Niemand kon nog voorzien dat Berlijn en andere Duitse steden talloze luchtaanvallen te verduren zouden krijgen en op sommige momenten dag en nacht gebombardeerd zouden worden, maar de kwetsbaarheid van de burgerbevolking was nu duidelijk. De regering van het Derde Rijk dacht na over wat haar nu te doen stond.

Ze nam geen halve maatregelen. In oktober 1940 werd het Führer-Sofortprogramm aangekondigd, het grootste civiele bouwproject uit de geschiedenis van de mensheid. Dat moest Duitse steden voorzien van goede schuilplekken. Uiteindelijk zouden die een kleine 10 procent van de burgerbevolking daar moeten kunnen beschermen.

Middelen vrijmaken was in dit stadium van de oorlog nog niet zo’n groot probleem als later. Er was 200 miljoen kubieke meter beton voor nodig. Op de begroting werd het duizelingwekkende bedrag van 120 miljard rijksmark gereserveerd. In eerste instantie werden zestig plaatsen met meer dan 100.000 inwoners aangewezen. Bij de prioritering van de projecten keek de regering naar het belang van deze steden in de Duitse oorlogsmachinerie. Lagen ze bij cruciale verkeersknooppunten? Herbergden ze sleutelbedrijven in de wapenindustrie?

Dwangarbeiders bouwen bunkers

De schuilplekken werden zowel ondergronds als bovengronds gebouwd. Op veel plaatsen was ondergronds bouwen complex en duur vanwege de grondwaterstanden. Bovengronds had het voordeel dat de wanden en daken dunner konden en er dus minder materiaal nodig was. Dit type bunker – de Hochbunker – was voor bommenwerpers vaak lastig te herkennen, omdat er als camouflage bijvoorbeeld een pannendak op was gelegd.

Door toenemende bomschade kwamen automatisch ook de benodigde percelen voor deze Hochbunker vrij. Die konden bovendien tegelijkertijd dienstdoen als Flakturm, een toren met luchtafweergeschut. Aan het einde van de oorlog werden ze voornamelijk bemand door jonge jongens.

De BB van het Derde Rijk

Herman Göring, minister van Luchtvaart, richtte nog geen drie maanden na de machtsovername van de nazi’s in 1933 de Reichsluftschutzbund op. Die moest borg staan voor civiele bescherming. De organisatie dreef op een harde kern van zo’n 800.000 vrijwilligers, die voor een kwart uit vrouwen bestond. De leden zagen toe op voorzorgsmaatregelen in huizen en woonblokken, en hielpen de mensenmassa’s als het luchtalarm afging. De Reichsluftschutzbund had – los van de nazi-elementen – wel iets weg van de Bescherming Burgerbevolking (BB), een organisatie die in 1952 in Nederland werd opgericht vanwege de toegenomen dreiging als gevolg van de Koude Oorlog.

Omdat veel Duitse mannen aan het front vochten, werd voor de bouw van de bunkers vanaf het begin van het Sofort-programma gebruikgemaakt van buitenlandse (dwang)arbeiders, krijgsgevangenen en concentratiekampgevangenen. Ze waren ondergebracht in hallen of kampen in en nabij de steden. Deze werkkrachten maakten op een ‘dieet’ van gebrekkige voeding lange uren onder beroerde omstandigheden. Wie bezweek werd soms ter plekke in het beton verwerkt.

De verantwoordelijkheid voor het megaproject kwam te liggen bij Fritz Todt, als minister toch al dé man binnen de nazitop als het ging om bouwen en bewapening. Hij was bijvoorbeeld ook al betrokken bij de Westwall, de verdedigingslinie aan Duitslands westgrens.

Wie bezweek werd ter plekke in het beton verwerkt

Toen Todt op 8 februari 1942 omkwam bij een vliegtuigongeluk, werd Hitlers lievelingsarchitect Albert Speer diens vervanger. Die had toen al enige ervaring met het Sofort-programma, omdat hij mede de leiding had bij de bouw van bunkers in Berlijn.

Onomstreden was de gigantische inspanning nooit. Maar naarmate de oorlog vorderde nam het gebrek aan grondstoffen, geld, transportmiddelen en menskracht alleen maar toe. Bovendien raakte steeds meer infrastructuur beschadigd. Moest je onder zulke omstandigheden, en ook nog eens verwikkeld in een totale oorlog, wel miljarden steken in bunkers? Sommige topnazi’s waren resoluut tegen. Met beton won je niet van geallieerde bommen, vond bijvoorbeeld generaal-veldmaarschalk Erhard Milch. Zo veel mogelijk mensen en middelen inzetten in een genadeloze strijd, daar draaide het volgens hem om.

Bang voor eigen hachje

Soms sloeg de stemming weer om ten gunste van de bouw van bunkers. Eind juli 1943 wierpen formaties van de Royal Air Force ongekende hoeveelheden explosieven af boven Hamburg. De bommentapijten veroorzaakten verzengende vuurstormen op de grond. Naar schatting 42.000 mensen verloren hun leven. Honderdduizenden verloren huis en haard. De geallieerden wilden op deze manier het moreel van de Duitse bevolking breken. De Britten kondigden aan nog meer steden te gaan ‘hamburgiseren’.

De naziregering vreesde dat burgers inderdaad zouden gaan pleiten voor een einde aan de oorlog. De Sicherheitsdienst bespeurde een ‘novemberstemming’, waarmee ze refereerde aan de revolutionaire maand in 1918 aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Dat het Sofort-programma weer aandacht kreeg, had daarom meer te maken met de angst van autoriteiten voor hun eigen hachje dan met medeleven met het lot van de burgers in Duitse steden.

De ravage in Hamburg is groot na een Brits bombardement, september 1943.
De ravage in Hamburg is groot na een Brits bombardement, september 1943.

Later verslapte de aandacht voor de bouw van civiele bunkers opnieuw. In de ogen van velen in de Duitse leiding was de inzet van de schaarse mensen en materialen bij de Atlatantikwall crucialer. Die moest een geallieerde invasie voorkomen. In Dresden vond de plaatselijke nazileider investeringen in bunkers zondegeld. De marken konden beter aan de oorlog worden besteed. Hij liet wel een goede schuilkelder onder zijn villa bouwen. Vanaf de herfst van 1944 werd Dresden doelwit van geallieerde bommenwerpers. Midden februari 1945 volgden grootschalige luchtaanvallen die tienduizenden inwoners het leven kostten en grote delen van de stad in de as legden.

In de opgeleverde schuilplekken was het ondertussen vaak behelpen. Ze waren gebouwd en ingericht voor korte verblijfmomenten en niet de veel langere periodes die na verloop van tijd gewoner werden. Ze huisvestten dan bovendien veel meer mensen dan voorzien. Dat veroorzaakte onderlinge spanningen, maar gaf ook besmettelijke ziektes een kans. Het was er koud. Water- en voedselvoorzienig werden soms een probleem en bij aanvallen konden de stroomvoorziening en luchtverversingsinstallaties uitvallen, al waren er meestal wel mogelijkheden ingebouwd om die met menskracht weer tot leven te wekken.

Vertrapt in het gedrang voor de bunkers

De geallieerde invasie in juni 1944 in Normandië kon uiteindelijk niet worden voorkomen. Tegen het einde van de oorlog werd de tijd tussen het luchtalarm en het vallen van de explosieven korter. Omdat het front was verschoven, konden de geallieerde bommenwerpers dichter bij hun doelen opstijgen. Het leidde tot paniek – burgers die niet meer op tijd konden schuilen en mensen die in het gedrang voor de bunkers letterlijk werden vertrapt.

Angstige Berlijnse burgers schuilen in bunkers, november 194
Angstige Berlijnse burgers in een schuilkelder, november 1943.

De steeds zwaardere bommen die door de geallieerden werden afgeworpen boven Duitse steden, wisten in deze fase van de strijd steeds vaker ook het beton van de bunkers te doorboren. Met veel mensen dicht op elkaar was het leed dan niet te overzien. In Hagen, een stad aan de oostkant van het Ruhrgebied, kwamen in maart 1945 naar schatting 400 burgers om toen een bom dwars door de zijwand van een Hochbunker ging.

Ook voor de deur vielen dodelijke slachtoffers. Bij het puinruimen in Hagen een halfjaar later kwam onder andere het stoffelijk overschot van een soldaat tevoorschijn en met hem een paar van zijn persoonlijke bezittingen. Een daarvan was een zakuurwerk. De hitte had het roestvrij staal vervormd. De corrosie zorgde voor een groene kleur. Dekglas en secondewijzer waren verdwenen. De uren- en minutenwijzer liepen niet meer. Ze waren stil blijven staan op 20.32 uur, het moment dat op een maartavond eerder dat jaar de bommen insloegen.

Zonder schuilplekken waren er meer slachtoffers gevallen

Als steden vele weken lang huis voor huis moesten worden veroverd, vluchtte een deel van de inwoners in de bunkers. Geallieerde soldaten die als eersten naar binnen gingen beschreven mensonterende toestanden. Mensen leefden tussen hun eigen ontlasting en urine. Sommigen waren gek geworden van de angst en de dreunen van de voortdurende ontploffingen buiten. In Aken bijvoorbeeld, de eerste van nazi’s gezuiverde stad, moesten de bunkerbewoners het in hun laatste week zonder stroom, licht en water doen.

Toch redden de bunkers het leven van velen. Zonder zouden er wellicht 2 tot 3 miljoen slachtoffers meer zijn gevallen bij bombardementen op Duitsland, beweren sommige deskundigen. Maar het is een ‘wat als’-scenario, dus geen schatting valt echt goed te onderbouwen.

Sloop van de bunkers was lastig

Veel grote Duitse plaatsen lagen na de oorlog goeddeels in puin. Miljoenen mensen waren op drift en zochten een plek om te leven. De woningnood was groot. Veel alleenstaanden en gezinnen kregen onderdak in de betonnen schuilplekken uit de nazitijd. Van privacy was nauwelijks sprake. Wie over vier bij vier meter voor de eigen familie kon beschikken, had al geluk. Wat lappen of provisorische schotten vormden de ‘erfafscheiding’ met de buren. Huishoudens deelden één kookruimte. Eén keuken per vijftig huishoudens vormde geen afzondering. Wassen gebeurde eveneens in gezamenlijke ruimtes. Pas in de tweede helft van de jaren vijftig konden de laatste bewoners verhuizen naar echte huizen.

Britse schuilplekken

De Britten kozen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog niet voor grootschalige bouw van bunkers. In de grotere steden konden burgers terecht in de metro. De regering stimuleerde vanaf maart 1940 ook de bouw van schuilplekken per straat. Materiaalgebrek maakte het voorgenomen tempo van oplevering onhaalbaar. Ondertussen bleek bij bombardementen dat ze niet allemaal even veilig waren.

Ook veel kleinere schuilplekken begonnen aan een opmars. Het ging om ‘Anderson Shelters’: kleine, met stalen platen makkelijk in elkaar te zetten ruimtes voor zes mensen. En ‘Morisson Shelters’: beschermende kooien, waar burgers bij bombardementen in konden gaan liggen. Ze waren genoemd naar twee bestuurders die verantwoordelijk waren voor de bescherming van de bevolking. In Groot-Brittannië zijn nog volop Anderson Shelters te vinden. Ze kregen een tweede leven, onder meer als tuinschuurtje.

De bouwwerken kregen in de meeste gevallen hun oorspronkelijke functie terug. NAVO-landen stonden inmiddels tegenover de landen van het Warschaupact. Bij escalatie kon vanwege de steeds grotere aantallen atoomwapens een conflict volgen dat wat betreft gruwelijkheid zijn gelijke niet kende. De Korea-oorlog en de latere Cubacrisis verhoogden het gevoel van urgentie.  

De bunkers zijn nu oefenruimtes voor bandjes

Na het einde van de Koude Oorlog verdween die dreiging grotendeels. Meer en meer drong de vraag zich op wat er met de bunkers moest gebeuren. Ze laten opblazen was geen optie. Dat vergde ladingen explosieven die ook omliggende bebouwing zouden ontzetten. Sloop was daardoor lastig en heel kostbaar. Gek genoeg hechtten buurtbewoners ook aan de bunkers. Door hun plekken midden in wijken hadden ze iets vertrouwds. Ouderen en hun nazaten voerden ook sentimentele redenen voor behoud aan: deze bouwwerken hadden volop mensenlevens gered.

Ombouw tot woningen of kantoren had een optie kunnen zijn, maar lag door de dikke muren en de weinige ramen ook niet voor de hand. Met ingenieuze architectonische ingrepen lukte het in sommige gevallen. Veel vaker is het hergebruik van de ruimtes aangepast aan het bijzondere karakter van de bunkers. Ze dienen nu als plek voor stadslandbouw, als oefenruimte voor bandjes, als ateliers voor kunstenaars of als opslagruimte voor bedrijven en instellingen. In diverse steden wordt daarnaast de herinnering aan de oorlogsjaren levend gehouden met rondleidingen door de ondergrondse en bovengrondse schuilplekken.

Meer weten

  • Bunkerwelten. Luftschutzanlagen in Norddeutschland (1998) door Michael Foedrowitz beschrijft het bunkerbouwprogramma van de nazi’s.
  • Faszination Bunker (2014) door Martin Kaule geeft een overzicht van bunkers in Duitsland en Europa.
  • Hitler’s Engineers. Fritz Todt and Albert Speer (2010) door Taylor Blaine portretteert de twee bouwheren van nazi-Duitsland en hun projecten.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 5 - 2023