Home Dossiers Fout in de oorlog Mussert wilde een raciale schoonmaak

Mussert wilde een raciale schoonmaak

NSB-leider Anton Mussert komt er in de geschiedschrijving vanaf als een naïeve, zwakke leider. Zijn antisemitisme zou niet veel hebben voorgesteld. In werkelijkheid bepleitte hij al voor de oorlog een raciale zuivering van ons land. ‘Wat niet in ons Volk behoort, moet eruit: van de Pinda-Chineezen tot en met de Joden.’

Anton Mussert met NSB'ers

Edwin Klijn en Robin te Slaa

Gepubliceerd op: 22 april 2015

Update 2 juni 2026

Kampen voor foute Nederlanders
Dossier Fout in de oorlog Bekijk dossier

De verwachtingen waren hooggespannen. Op zaterdag 22 juni 1940 hadden zich naar verluidt zo’n 30.000 aanhangers van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) verzameld op de Goudsberg nabij Lunteren om de vijfde hagenspraak uit de geschiedenis van de beweging bij te wonen. De term ‘hagenspraak’ verwees naar de oude gewoonte van de vrije Saksische boeren in Drenthe om op eigen initiatief openluchtvergaderingen uit te roepen. De hagenspraken van de NSB waren geritualiseerde massabijeenkomsten waar de bezoekers zich konden verheugen op een kameraadschappelijk samenzijn en stichtelijke vorming middels de zorgvuldig door het NSB-hoofdkwartier geselecteerde sprekers.

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je ook toegang tot HN Actueel? Hiermee lees je dagelijks geschiedenisverhalen met een actuele aanleiding op onze website en ontvang je exclusieve nieuwsbrieven. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

Het beloofde ditmaal een bijzondere bijeenkomst te worden. Amper zes weken eerder was Nederland overrompeld door de Duitse inval. De tot ‘Hagenspraak der Bevrijding’ omgedoopte bijeenkomst was de eerste grote politieke manifestatie van de NSB onder Duitse bezetting. Het was ook de eerste publieke gelegenheid waarbij leider Anton Mussert zich zou uitspreken over de nieuwe politieke omstandigheden.

Aan het einde van de middag betrad hij het monumentale sprekersbalkon van het muurwerk dat speciaal voor de hagenspraken was gebouwd. De NSB-leider kon deze keer vrijer spreken dan hij gewend was. Toch had hij veel te verliezen. De Duitse bezetter had nauwelijks aandacht voor zijn NSB getoond. Het was dus zaak zich krachtig te presenteren tegenover Berlijn. Mussert nam in zijn redevoering nadrukkelijk stelling tegen de ‘Britsch-Joodsche macht’. Aansluiting zoeken bij Hitler was voor een stamverwant Germaans volk als het Nederlandse de beste keuze. Om ons volk te revitaliseren moest het volgens de NSB-leider ‘vrij [zijn] van Joodschen invloed, vrij van Walen en vrij van kerkelijke heerschzucht op staatkundig terrein’.

Tijdens de toespraak van Mussert vloog bij toeval een Duitse bommenwerper over het terrein. Het publiek stond massaal op en juichte het vliegtuig toe. Toen de stemming erin zat, richtte de NSB-leider zich tot zijn gehoor: ‘Achten wij ons nog in oorlog met Duitschland? Ja of neen?’ Er klonk een volmondig ‘neen’. ‘Mooi!’ sprak Mussert krachtig.

Een bronzen ‘stormklok’ van 3300 kilo, bekostigd met giften van de leden, werd geschonken aan de opperbevelhebber van de Luftwaffe Hermann Goering ‘als een offer, dat wij met liefde brengen voor hen, die nu metterdaad ons Volk en ons Vaderland beschermen’.

Deze openlijke adhesiebetuiging aan de vijand, die kortgeleden nog het centrum van Rotterdam in puin had gelegd, veroorzaakte veel opzien. Zelfs de Duitse autoriteiten toonden zich weinig ingenomen met de NSB-bijeenkomst. Het beleid van de bezetter was er aanvankelijk vooral op gericht het Nederlandse volk niet onnodig te provoceren. Uit angst voor imagoschade verboden de Duitsers tot eind 1941 de openbare vertoning van de propagandafilm die van de hagenspraak was gemaakt. Mussert verruilde de publieke arena voor het diplomatieke circuit. In een vertrouwelijke nota voor Hitler van 27 augustus 1940 weidde de NSB-leider opnieuw uit over de rol van Nederland in de Nieuwe Tijd. Hij pleitte voor een Europese orde gegrondvest op ‘het volksche beginsel en het rasbeginsel’.

Anton Mussert is de leider van de NSB.
Anton Mussert groet leden van de NSB.

Staatsgrenzen en volken moesten voortaan samenvallen. Dit betekende ‘volksverhuizingen op een schaal als in geen eeuwen is voorgekomen’ – een eufemistische omschrijving voor planmatige deportaties vanuit racistische en geopolitieke motieven. Mussert benadrukte opnieuw dat de Nederlandse ‘levensruimte’, bestaande uit Nederland, België en de koloniën, zo veel mogelijk moest worden vrijgemaakt van Joden en Walen. Ter vergelijking: op dat moment had het Reichskommissariat in Nederland zich nog beperkt tot enkele administratieve verordeningen tegen Joden. Met zijn voorstel liep de NSB-leider ver vooruit op de antisemitische maatregelen van de bezetter.Nieuw waren zijn denkbeelden allerminst.

Gedwongen emigratie

De door Mussert verkondigde ideeën in de eerste maanden van de bezetting passen in een ontwikkeling die al jaren eerder was ingezet. Hoewel de NSB vanaf de oprichting eind 1931 in veel opzichten radicaal was, verwierp ze aanvankelijk het antisemitisme. Deze afwijzing was eerder pragmatisch dan principieel. De toestand in ons land verschilde nu eenmaal van die in Duitsland, zo redeneerde Mussert in 1933. Vanaf december 1934 golden binnen de NSB geheime directieven van het hoofdkwartier die het verboden om Joden op leidinggevende posities te benoemen. In de periode daarna werd de beweging openlijker antisemitisch, waarbij ze zichzelf nadrukkelijk als slachtoffer van Joodse tegenwerking presenteerde. De NSB leunde in de tweede helft van de jaren dertig steeds dichter tegen Duitsland aan.

De verkiezingsnederlaag van de NSB bij de Tweede Kamerverkiezingen in mei 1937 viel de partijtop rauw op het dak. Het rommelde in de beweging. De populaire vormingsleider Gerrit van Duyl moest met zijn vertrouwelingen het veld ruimen vanwege een vermeende samenzwering om Mussert af te zetten. Op een geïmproviseerde bijeenkomst op de Goudsberg in het najaar van 1937 kondigde een strijdbare Mussert een ‘versterking van het geestelijk fundament’ aan.

Het eerste teken hiervan vormde zijn brochure De Bronnen van het Nederlandsche Nationaal-Socialisme, waarin hij het rassenbeginsel als de grondslag van het nationaal bewustzijn erkende en het ‘Jodenvraagstuk’ uitvoerig behandelde. Op scherpe toon hekelde Mussert de verderfelijke invloed van de Joden.De ‘Nederlandsche sectie van het internationale Jodendom’ was volgens hem vergevorderd met het in ‘slavernij brengen van het Nederlandsche volk door de machtige wapens, genaamd kapitalisme, marxisme en democratie’.

In een omstreden interview dat de NSB-leider op 6 oktober 1937 gaf aan de Amerikaanse journalist Barrie Stavis beweerde hij nooit over Joden te hebben nagedacht, totdat zij hem als vijand aanwezen. Uit nader onderzoek concludeerde Mussert vervolgens dat de Joden een bedreiging vormden voor de beschaving. ‘Ik ben hun vijand en zal dat altijd zijn!,’ zo dacht hij er nu over. Op de vraag wat er met de Joden zou gebeuren als hij aan de macht was, antwoordde Mussert unverfroren: ‘Dat is geen vraagstuk, zij zullen eenvoudig verdwijnen.’ In Het Nationale Dagblad nam Mussert later afstand van het ‘sensatie-verhaal’ van Stavis. Hij was niet vooraf gekend in het artikel en voelde zich niet geroepen zich te verdedigen.

Een jaar later volgde een plan dat de ‘verdwijning’ van de Joden moest bespoedigen. Als onderdeel van een strak geregisseerde antisemitische publiciteitscampagne (intern aangeduid als ‘Jodencyclus’) lanceerde Mussert in november 1938 met veel aplomb zijn Guyana-plan. De NSB-leider stelde voor om in Brits-, Frans- en Nederlands-Guyana (Suriname) een Joods reservaat op te zetten (‘Joodsch Nationaal Tehuis’). Alle Joden die de Europese landen niet meer wensten te herbergen, moesten gedwongen hiernaartoe emigreren. De kosten van de inrichting kwamen voor rekening van de kapitaalkrachtige en zo aan de Joden verknochte Verenigde Staten. Als territoriale compensatie kreeg Nederland het zuidelijke deel van Mozambique, waar de witte inwoners van Suriname moesten worden ondergebracht. Een deel van de gekleurde bevolking wachtte deportatie naar Nederlands-Indië.

Het gangbare historische beeld is dat niet zozeer Mussert, maar anderen binnen de NSB het radicaliseringsproces voortstuwden. Hijzelf wordt neergezet als een zwakke leider, die tegen wil en dank het antisemitisme omarmde. Uit correspondentie met partijgenoot Meinoud Rost van Tonningen blijkt dat het Guyana-plan door Mussert zelf is geïnitieerd tegen het advies van zijn Politieke Raad in.

In de negentiende eeuw had de Duitse cultuurfilosoof Paul de Lagarde voorgesteld Joden af te voeren naar Madagaskar. In de jaren dertig werd het door de nazi’s nieuw leven ingeblazen. Het nazibeleid richtte zich in de jaren 1938 en 1939 vooral op gedwongen emigratie van Joden. Historici zoals Christopher Browning en Raul Hilberg hebben erop gewezen dat de nazivariant van het Madagaskar-plan niet slechts bedoeld was als een rookgordijn om uitroeiingsplannen te verbergen, maar tot de herfst van 1940 gold als reële optie. Mussert liep met zijn Guyana-plan in de pas met ideeën die destijds ook door Hitler en andere nazileiders, zoals Reinhard Heydrich en Alfred Rosenberg, werden verkondigd.

‘Oorlog onvermijdelijk’

Het Guyana-plan vond nauwelijks weerklank. In de Tweede Kamer sprak SDAP-leider Willem Albarda smalend van het ‘Huis der verschrikkingen voor de Joden’. De Duitsers prefereerden hun eigen Madagaskar-plan. De Engelsen en Italianen hielden de boot af. Binnen de NSB bleef het plan tot in de oorlog opduiken. In een nota aan Generalkommisar Fritz Schmidt van december 1940 erkende Mussert dat zijn plan feitelijk ‘deportatie naar Cayenne’ behelsde, de beruchte Franse strafkolonie. Na de oorlog zou Mussert zijn Guyana-plan sans gêne presenteren als een barmhartige reddingsactie bedoeld om erger te voorkomen.

In de laatste anderhalf jaar voor de bezetting heeft de NSB-leiding in belangrijke mate bijgedragen aan een geestelijk klimaat waarin collaboratie voor de meeste partijgenoten aanvaardbaar werd. In het artikel ‘Twee werelden botsen’ – op 16 december 1938 gepubliceerd in het partijblad Volk en Vaderland  – schreef Mussert dat een nieuwe wereldoorlog onvermijdelijk was. Het Joodse volk was ‘in vollen oorlog met Duitschland en Italië’. De andere Europese volkeren konden zich hieraan niet meer onttrekken. De NSB-leider beschouwde de komende oorlog als een manicheïstische strijd tussen ‘de wereld van het liberalisme-kapitalisme-marxisme […] of meer op den man af gezegd de JOODSCHE’ en ‘de wereld van fascisme en nationaal-socialisme’. In Musserts antisemitische wereldbeeld beheersten de Joden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Engeland was voor de Joden ‘een fort’ en ons land hun ‘meest vooruitgeschoven bastion’, waar de eerste oorlogshandelingen zouden plaatsvinden.

Nazileider Heinrich Himmler (tweede van rechts) geeft Mussert een rondleiding door concentratiekamp Dachau, januari 1941.
Nazileider Heinrich Himmler (tweede van rechts) geeft Mussert een rondleiding door concentratiekamp Dachau, januari 1941.

Met de Duitse inval in Polen op 1 september 1939 was de Tweede Wereldoorlog een feit. Op het NSB-hoofdkwartier overheerste vooral optimisme: de oorlog bood nieuwe kansen voor het Nederlandse nationaal-socialisme. Onder de achterban heerste ook een zekere nervositeit. Kringleiders waarschuwden voor afluisterpraktijken. Leidinggevenden werd aangeraden te allen tijde plaatsvervangers paraat te hebben. Een Rotterdamse kringleider concludeerde dat ‘vele leden het tempo van de gebeurtenissen niet kunnen volgen’.

De nieuwe omstandigheden verleidden Mussert tot krachtdadige uitspraken over de toekomstige nationaal-socialistische volksgemeenschap. Tijdens een bijeenkomst op 10 november 1939 bepleitte hij allereerst een raciale schoonmaak: ‘Wat niet in ons Volk behoort, zal er uit moeten. Van de Pinda-Chineezen af tot en met de tienduizenden Joden die Colijn, Goseling, Albarda hier binnen hebben gehaald en ons Volk vergiftigen.’ Daarna was het de beurt aan ‘de misdadigers en parasieten van eigen Volk’, die moesten werken ‘tot hun botten kraken’.

Begin 1940 speculeerde de NSB-leider in Volk en Vaderland over gebiedsuitbreiding van de Nederlandse volksgemeenschap. Mussert had ‘de onwankelbare overtuiging’ dat de naziregering in Berlijn ‘onder alle omstandigheden meer begrip zal tonen voor de Europeesche noodzakelijkheid van een onafhankelijken Groot-Nederlandschen Staat dan de democratische heeren in Londen en Parijs, die diep moeten bukken voor het internationale Jodendom’.

Heimelijke ontmoeting

De meest heikele kwestie voor veel tijdgenoten was de houding van de NSB bij een Duitse inval. De NSB-pers verkondigde dat de leden hun plicht tegenover het vaderland niet zouden verzaken. Tegelijkertijd stond zowel Mussert als Rost van Tonningen achter de schermen in nauw contact met de Duitse autoriteiten. Mussert had zich al ruim een jaar vóór de Duitse inval bij de nazi’s aangeboden als bondgenoot.

Op 20 april 1939 bezocht hij in Berlijn een militaire parade ter gelegenheid van Hitlers vijftigste verjaardag. De NSB-leider verklaarde tegenover een vertrouweling van de minister van Buitenlandse Zaken, Joachim von Ribbentrop, dat zodra hij aan de macht was de anti-Duitse stemming in ons land, veroorzaakt door de Joden en vrijmetselaars, zou omslaan. Een nationaal-socialistisch Nederland schaarde zich in de toekomstige wereldoorlog graag aan Duitse zijde tegen Engeland, mits ons land niet werd gedegradeerd tot vazalstaat. In dat geval staakte Mussert onmiddellijk het werk van zijn beweging. Opnieuw benadrukte de NSB-leider dat het Nederlandse rijk in zijn ogen bestond uit Nederland, Vlaanderen en de koloniën, inclusief Belgisch-Congo.

Begin 1940 rapporteerde de Gestapo dat Mussert ondersteuning vanuit het buitenland afwees. De doorgaans uitstekend geïnformeerde dienst was dit keer minder goed op de hoogte. Rondom de jaarwisseling had de NSB-leider namelijk tot tweemaal toe in het diepste geheim gesproken met de Abwehr-agenten Werner Neumeister en Wilhelm Bodens. De NSB-leider presenteerde zich als uiterst deutschfreundlich. Mocht Duitsland de oorlog verliezen, zo verklaarde hij, dan was het ook met hem gedaan. Tegelijk gaf Mussert aan dat de NSB’ers bij een Duitse inval nooit de wapens zouden opnemen tegen hun eigen volksgenoten. Propagandaminister Joseph Goebbels, die notulen ontving van de gesprekken met Mussert, had geen goed woord over voor de NSB-leider. Hij noteerde in zijn dagboek: ‘Een Hollandse nazi. Laf en aanmatigend. Wij moeten voor hem de kastanjes uit het vuur halen en dan weer opdonderen. Hij wil geen koloniën afstaan, maar er zelfs nog wat bij krijgen. Daar komt helemaal niets van in. Een wel heel naïeve opvatting.’

De Nederlandse Centrale Inlichtingendienst (CID) was niet op de hoogte van deze gesprekken. De geheime dienst hield vooral Rost nauwlettend inde gaten. De dienst beschikte in januari 1940 zelfs over een informant in zijn naaste omgeving. Een verbitterde Rost had deze CID-spion toevertrouwd dat hij en anderen al sinds maanden Mussert probeerden over te halen een staatsgreep te plegen, ‘doch alles stuitte af op zijn lafheid’. Op de vraag of Rost dan zelf niet ‘de putsch-plannen’ kon doorvoeren, luidde het antwoord ontwijkend.

In maart 1940 bracht Rost in gezelschap van zijn vertrouwelinge jonkvrouw Julia (‘Juul’) op ten Noort een geheim bezoek aan Heinrich Himmler. Hij wilde de Reichsführer-SSverzoeken ons land níét binnen te vallen. In Het Nationale Dagblad had Rost al eerder uiteengezet dat een Duitse inval in Nederland ‘een vernietigende slag [zou] zijn tegen de Nationaal-Socialistische gedachte’. Engeland en Duitsland waren tegen elkaar opgehitst door ‘een volksvreemde internationale’ (lees: de Joden). Het Nederlandse volk en de stamverwante Vlamingen hadden als taak vrede tussen beide landen te bevorderen.

De opvallende missie van Rost had niet het beoogde resultaat en leidde tot ergernis bij Himmler. ‘Um Gotteswillen, wie kommt ihr hierher! Man darf euch nicht so schwer belasten!,’ riep de Reichsführer-SS vertwijfeld uit, en hij maakte zich uit de voeten. Himmlers rechterhand SS-Gruppenführer Karl Wolff stond vervolgens het duo te woord. Nadien ontving Op ten Noort een gecodeerd bericht dat geen direct gevaar dreigde. Niettemin had de freule sterk de indruk ‘dat de SS erge zin had om in Nederland binnen te vallen’.

De dikwijls eigenmachtig opererende Rost beschikte over een uitvoerig netwerk in nazi-Duitsland. Ook Mussert legde hier contacten, al verschilden zijn motieven van die van Rost. Tijdens een heimelijke ontmoeting met de Abwehr-functionaris Scheuermann in april 1940 verklaarde de NSB-leider het liefst aan Hitlers zijde in de oorlog mee te strijden. Hij vroeg de nazi’s bij een inval in Nederland een regering onder zijn leiding te installeren die voor het volk ‘als redster uit nood’ zou verschijnen. Na de Duitse overwinning wachtte de Walen verbanning naar Frankrijk.

Rost werd op 3 mei 1940, samen met twintig anderen, preventief geïnterneerd door het Militair Gezag. Musserts landsverraderlijke contacten waren regering en inlichtingendiensten kennelijk volkomen ontgaan. Toen nazi-Duitsland op 10 mei 1940 ons land binnenviel, werden ongeveer 5000 van de in totaal 27.000 NSB-leden opgesloten. Mussert was tijdig ondergedoken. Anderhalve maand voor de omstreden ‘Hagenspraak der Bevrijding’ beschouwden de meeste Nederlanders NSB’ers als landverraders.

De NSB houdt de ‘Hagespraak der Bevrijding’. Lunteren, 22 juni 1940.
De NSB houdt de ‘Hagespraak der Bevrijding’. Lunteren, 22 juni 1940.

In de geschiedschrijving wordt Mussert dikwijls als een tegenstribbelende gelegenheidscollaborateur voorgesteld, die vooral uit – enigszins naïeve – vaderlandslievende motieven handelde. Het antisemitisme van de NSB en haar leider wordt door verschillende historici als halfslachtig afgedaan. Dit gecanoniseerde beeld is dringend aan herziening toe.

Mussert streefde naar een ‘Groot-Nederland’, gezuiverd van Joden, Walen en andere ongewenste elementen. Zijn landverraad begon al vóór de bezetting. Dat de NSB-leider dit niet heeft opgezocht, zoals verschillende historici menen, is onjuist. Voor verreweg de meeste leden en functionarissen van de NSB vormde de loyale samenwerking met de nazi’s geen reden hun lidmaatschap op te zeggen. De geestelijke grondslagen hiervoor waren in de jaren dertig gelegd.

Hetzelfde gold voor de grootschalige betrokkenheid van NSB’ers bij antisemitische acties en de Jodenvervolging tijdens de bezetting. De vooroorlogse haatpropaganda werd nu naar de praktijk vertaald. In het antisemitische wereldbeeld van de NSB golden Joden als parasieten die zich ten koste van hun gastvolkeren verrijkten en deze onder hun ‘volksvreemde’ heerschappij probeerden te brengen. Collectieve onteigening en deportatie leken daarvoor gerechtvaardigde tegenmaatregelen. In de geschiedenis van de NSB vormen de Duitse inval en bezetting niet slechts een breuk met de jaren daarvoor. Een bepaalde ideologische continuïteit is onmiskenbaar.

Meer weten:

  • De NSB, deel 1 (2009) door Edwin Klijn en Robin te Slaa beschrijft de opkomst van deze partij.
  • De NSB, deel 2 (2021) door Edwin Klijn en Robin te Slaa behandelt de radicalisering.
  • De Muur van Mussert (2015) door René van Heijningen, over de hagespraken van de NSB in Lunteren.

Dossier Tweede Wereldoorlog

Anti-oorlogsactivisten probeerden  de Dodenherdenking ook in 1969 te ontregelen
Anti-oorlogsactivisten probeerden  de Dodenherdenking ook in 1969 te ontregelen
Artikel

Anti-oorlogsactivisten probeerden de Dodenherdenking ook in 1969 te ontregelen

De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam door vermoedelijk pro-Palestijnse activisten in de vroege ochtend van 4 mei is geen primeur. In 1969 besmeurden activisten niet alleen het Verzetsmonument in Utrecht met rode verf, maar lieten zij ook twee rookbommen afgaan tijdens de Dodenherdenking. Destijds was het Amerikaanse oorlogsgeweld in Vietnam de aanleiding...

Lees meer
Adolf Hitler (links) met Jozef Tiso op het treinstation van de Wolfsschanze, zijn hoofdkwartier in Oost-Pruisen, oktober 1941.
Adolf Hitler (links) met Jozef Tiso op het treinstation van de Wolfsschanze, zijn hoofdkwartier in Oost-Pruisen, oktober 1941.
Artikel

Slowakije was voor Hitler en zijn trawanten een ‘modelstaat’

De Slowaakse Republiek gedroeg zich onder leiding van de geestelijke Jozef Tiso als trouwe vazal van de nazi’s. Tot tevredenheid van Adolf Hitler: ‘Interessant om te zien hoe dat katholieke priestertje ons de Joden aanlevert.’ De Conferentie van München in 1938 is een berucht staaltje internationale diplomatie. Tsjechoslowakije werd op de snijtafel gelegd: nazi-Duitsland mocht...

Lees meer
Engelsen geven zich over aan de Japanners. Singapore, 15 februari 1942.
Engelsen geven zich over aan de Japanners. Singapore, 15 februari 1942.
Artikel

De Britten bleken geen partij voor de Japanners

In februari 1942 veroverden de Japanners de stad Singapore, tot dan toe een Britse kolonie. Volgens premier Winston Churchill was deze nederlaag ‘de grootste ramp in de Britse militaire geschiedenis’. Het zou het einde betekenen van een wereldrijk. Ze staan er nog: de grote naar zee gerichte kanonnen van Fort Siloso op Sentosa, een eilandje...

Lees meer
De Duitse raketgeleerden Wernher von Braun (links) en Kurt Debus voor de Saturn 500F-raket, 26 mei 1966.
De Duitse raketgeleerden Wernher von Braun (links) en Kurt Debus voor de Saturn 500F-raket, 26 mei 1966.
Artikel

Operatie Paperclip: Hitlers geschenk aan de geallieerden

Duizenden wetenschappers uit nazi-Duitsland gingen in de jaren dertig en veertig aan de slag voor de geallieerden. De VS, Canada en het VK profiteerden van deze braindrain, die onder meer leidde tot de ontwikkeling van de atoombom. Op 17 oktober 1933 arriveerde Albert Einstein samen met zijn vrouw en enkele naaste medewerkers met een passagiersschip...

Lees meer
Loginmenu afsluiten