Home Mijn verhaal

Mijn verhaal

  • Gepubliceerd op: 16 maart 2004
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Martine Postma

In ‘Mijn verhaal’ vertellen lezers over een historische gebeurtenis waarbij zij betrokken waren. Annie Grevelt (89) maakte in juli 1934 het Jordaanoproer mee. Met die opstand, waarbij zes doden en tientallen gewonden vielen, protesteerden de bewoners van de Amsterdamse Jordaan tegen een drastische verlaging van de uitkeringen door de regering-Colijn.



‘In de Jordaan hadden we het niet zo op de politie. Want die rukte bij elk vechtpartijtje met tien, vijftien man uit. Op zich was dat niet zo vreemd; het was in de buurt al vaker uit de hand gelopen – denk maar aan het Palingoproer en het Aardappeloproer. Maar zo’n politiemacht wekte alleen maar meer agressie. 
In de zomer van 1934 liep de spanning ook weer op. De Jordaan, moet je bedenken, was een dichtbevolkte buurt, waar grote, vaak arme gezinnen in kleine huizen woonden. Het was crisistijd en veel mannen waren werkloos. Ook mijn vader, die in de Tuinstraat antiekbewerker was, kon geen werk meer vinden, hoewel hij nooit zijn hand heeft opgehouden voor de steun, want zo waren we niet. Wij sprokkelden gewoon met z’n allen – we waren thuis met z’n tienen – ons kostje bij elkaar. Mijn moeder maakte schoon bij een aantal gezinnen, mijn zuster Leen werkte bij de sigarettenfabriek, mijn broer Bart was lasser en ikzelf werkte vanaf mijn veertiende in een fabriek die sponzen en kerstartikelen maakte.
Maar veel mensen bij ons in de buurt leefden wel van de steun. Dus toen de regering-Colijn de toch al lage uitkeringen met 10 procent verlaagde, kwam dat in de Jordaan hard aan. En zeker toen het in de zomer warm werd, liepen de irritaties hoog op.
Begin juli sloeg de vlam in de pan. Op de dag dat het oproer begon, liep ik ’s ochtends vroeg met een aantal vriendinnen naar de fabriek. Om zes uur ’s avonds waren we klaar en liepen we met een groep naar buiten. Dat was blijkbaar verdacht, want opeens stormde de politie op ons af, te paard en zwaaiend met knuppels. We moesten rennen voor ons leven! We zijn in de richting van de Westerstraat gerend en hebben ons daar in een portiek verscholen.
Of ik bang was? Ach, we waren in de Jordaan niet zo bang aangelegd. In de fabriek moest je met allerlei volk samenwerken; als je zwak was, werd je weggepest. Dus je keek niet zo gauw ergens van op.
Na een paar uur ben ik naar huis gegaan. De politie had inmiddels de hulp van het leger ingeroepen. Door het open raam hoorde ik op straat een soldaat roepen: “Heuvel, ga naar binnen of we schieten!” De familie Heuvel, dat waren vechtersbazen; als je daar ruzie mee kreeg, dan had je meteen de hele familie achter je aan.
Die avond kwam mijn oudste broer Jan, die operateur was bij bioscoop Rialto, pas heel laat thuis. Doordat de buurtbewoners de straatlantaarns met stenen en stoeptegels hadden stukgeslagen, was het extra donker op straat, en hij had niet gezien dat alle bruggen waren opgetrokken – dat had het leger gedaan om te voorkomen dat het oproer zich over de rest van de stad zou verspreiden. Jan maakte een flinke val en moest daarna met gekneusde ribben nog helemaal omlopen om via de Rozengracht, die al gedempt was, thuis te komen. Hij heeft nog een hele tijd bij een dokter gelopen.
Na een paar dagen werd het weer rustig in de buurt. Het leger kwam nog regelmatig even kijken, maar het liep niet meer zo uit de hand. Na het oproer hebben ze de straten in de Jordaan uit voorzorg met asfalt bekleed. Dan kon er in elk geval niet meer met straatstenen worden gegooid.’

 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.