• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 11/2021

    Hoe de Duitsers veranderden in democraten

    Interview met Harald Jähner

    Door: Bas Kromhout

    De meeste Duitsers denken met afgrijzen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen hun land in puin lag. Maar ze hebben ook veel opwindends beleefd in de eerste naoorlogse jaren. Dat zegt Harald Jähner, schrijver van Wolfstijd. Duitsland en de Duitsers 1945-1955. ‘Duitsers hebben de periode later steeds donkerder geschilderd, omdat ze zichzelf als slachtoffers wilden zien.’

    Wat motiveerde u om een nieuw boek te schrijven over Duitsland direct na de oorlog? ‘Nieuwsgierigheid. Ik wilde weten hoe de Duitsers zich destijds wisten te redden. Hoe ze omgingen met honger, crisis, chaos en anarchie – dat ligt hun immers helemaal niet. En hoe ze omgingen met de schuld. Ik had het gevoel dat er iets ontbrak in de literatuur. Er is heel veel geschreven over de politiek, over de oprichting van nieuwe partijen, over de stichting van de Bondsrepubliek en de DDR. Maar over de gevoelens van de mensen, over de stemming was weinig te vinden. En daar wilde ik iets aan doen. Ik heb een heleboel kranten uit die tijd doorgenomen, literatuur gelezen en films bekeken. Zo werd de puzzel stukje voor stukje completer.’ En welk beeld zag u toen? ‘We stellen ons de jaren na 1945 in Duitsland gewoonlijk voor als een zeer donkere tijd. Dat was het ook. Maar ik heb ontdekt dat het voor veel mensen ook een nieuw begin was. Er is in die jaren ongelooflijk veel gedanst en gelachen, ook simpelweg omdat men aan de oorlog was ontkomen. Veel mensen zeiden dat ze nog nooit zo gelukkig waren geweest als tijdens de eerste maanden na de oorlog. Maar dat wilden de Duitsers een paar jaar later al niet meer erkennen. Ze hebben de naoorlogse tijd in steeds donkerder kleuren geschilderd, omdat ze zichzelf als slachtoffers wilden zien. Om niet aan de echte slachtoffers te denken hebben ze medelijden met zichzelf gehad. De Duitsers hebben hun eigen vreselijke misdaden destijds verdrongen. Desondanks is het hun gelukt een vreedzame democratische samenleving te worden waarop men kan vertrouwen. Hoe kan dat? Dat was mijn wezenlijke vraag.’ Welk antwoord hebt u daarop gevonden? ‘Eerst heb ik mezelf de vraag gesteld langs welke wegen mensen politiek bewustzijn ontwikkelden. Ik geloof niet dat ze dat deden door de grondwet te lezen of naar het debat tussen de politieke partijen te luisteren. Ik heb het gevoel dat het de nieuwe ervaringen die mensen met elkaar hadden en de volledig veranderde dagelijkse werkelijkheid waren die tot die bewustzijnsverandering hebben geleid. Zoals de kille ontvangst van miljoenen Duitsers die uit Polen en Tsjecho-Slowakije waren verdreven, die duidelijk hebben gemaakt dat het naziconcept van de “volksgemeenschap” een hersenschim was. De Duitsers hadden te weinig te eten, hun huizen waren grotendeels platgebombardeerd, en toen klopten de voormalige “volksgenoten” uit het oosten aan. Degenen die in hun dorpen en kleine steden waren gebleven, hadden geen zin hen op te nemen. Ze stigmatiseerden de verdrevenen als vreemden. Opeens was de eigen regio belangrijk. In de natie geloofden de meeste mensen niet meer; ze geloofden in Beieren, Mecklenburg-Voor-Pommeren of Noordrijn-Westfalen. Bovenal geloofden ze in hun eigen familie. De maatschappij was praktisch verwoest en ieder trok zich terug binnen de eigen roedel. Vandaar de titel Wolfstijd. Het is een reden waarom nationalisme na 1945 amper een kans had. Alleen de verdrevenen dachten grotendeels nog nationalistisch, juist omdat zij buitengesloten werden en appelleerden aan het gemeenschappelijke Duits-zijn.’ Vertelden de overwinnaars direct aan de Duitse bevolking dat die haar politieke vrijheid zou terugkrijgen? ‘Nee, dat bleef lang onduidelijk. Ik geloof dat tijdens de eerste paar jaren niemand zich kon voorstellen dat Duitsland, of zelfs maar de westelijke helft ervan, een soeverein land zou worden. Dat veranderde pas vanaf 1947 met de oprichting van de partijen en daarna met de stichting van de beide Duitse staten en de snelle opname in de Europese instellingen. Dat het allemaal zo snel ging, daar had vrijwel niemand rekening mee gehouden. Er waren politiek actieve mensen die vonden dat het nog te langzaam ging, en er waren een paar oude nazigeneraals die geloofden dat ze meteen met de Amerikanen tegen de Russen zouden kunnen optrekken. Maar dat waren minderheden.’ Ontwikkelden de West-Duitsers een nieuw gemeenschapsgevoel als burgers van hetzelfde land? ‘Ja, maar dat was een behoorlijk lang proces. Een van de centrale kenmerken van de mentaliteit in de Bondsrepubliek was scepsis. Burgers wantrouwden grote woorden en ideologieën. Ze dachten sterk vanuit de belangen van zichzelf en de eigen familie. Mensen waren een beetje bang voor elkaar en de maatschappij was nogal koud. Het vertrouwen in een stabiele samenleving heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld, stap voor stap. Dat was er in het begin nog helemaal niet.’ 'Veel mensen waren nooit zo gelukkig als vlak na de oorlog' Hoe heeft zwarte handel de nieuwe samenleving gevormd? ‘De zwarte markt was de keerzijde van de voedseldistributie die na de oorlog in Duitsland bestond. Iedereen ontving exact dezelfde hoeveelheid worst, suiker, brood enzovoort. Te weinig om van te leven, te veel om te sterven. De distributie zorgde voor een afhankelijkheid van de overheid die geen ruimte liet voor discussie. Naast dit systeem was er het ongeremde kapitalisme van de zwarte markt. Omdat men aan het voedsel dat op de bon was niet genoeg had, werd er noodgedwongen illegaal gehandeld. Alles wat men bezat ruilde men tegen levensmiddelen, benzine en allerhande dagelijkse artikelen. De zwarte markt was een leerschool voor mensenkennis, scepsis en relativering. Jongens uit de voormalige Hitlerjugend ruilden met Amerikaanse soldaten hun nazi-onderscheidingen voor sigaretten. Bijvoorbeeld een eredolk van de SS was een jaar tevoren nog een mythisch geladen bezit waar alle jongens van droomden. Nu deden ze hem grif van de hand voor twee pakjes Lucky Strike, die net zo mythisch waren. Zo leerden ze op jonge leeftijd zogenaamde eeuwige waarden te relativeren. Daar droeg ook de omgang met buitenlandse soldaten – Amerikanen, Britten en Fransen – aan bij. De jongeren leerden Engels en switchten heen en weer tussen culturen. Dat was voor deze opkomende generatie een belangrijke les.’ U trekt een lijn van deze ervaringen naar de sociale markteconomie die de Bondsregering later invoerde. ‘Ja, omdat de sociale markteconomie een compromis betekende tussen de vrijemarktkrachten en de behoefte aan sturing door de staat. Men besloot af te zien zowel van het primitieve distribueren als van het ontketende kapitalisme. Het feit dat brede lagen van de bevolking instemden met het compromis hing natuurlijk samen met enerzijds de ongemakken van de zwarte markt, waar de mensen zich voortdurend bedrogen voelden, en anderzijds de vernederende afhankelijkheid van distributie.’ Was de sociale markteconomie niet ten dele een voortzetting van de economische politiek van de nazi’s? ‘Jazeker, vooral waar het ging om het sterke staatstoezicht op de economie. De sociale wetgeving stamde in Duitsland deels nog uit de tijd van Bismarck, maar heeft onder het naziregime een sterke extra impuls gekregen en bijgedragen aan de loyaliteit van de burgers. En daar borduurde men na de oorlog op voort. De gedachte dat de staat de markt moest temmen werd door alle partijen onderschreven. Hierin kun je inderdaad een zekere continuïteit herkennen. En die leidt er tot op de dag van vandaag toe dat de Duitsers meer waarde hechten aan zekerheid dan aan vrijheid. De bereidwilligheid waarmee de Duitsers zich onderwerpen aan de anticoronamaatregelen is hiervan een voorbeeld.’ Hoe zagen de meeste Duitsers de geallieerde soldaten in hun land: als bezetters of als bevrijders? ‘Werkelijk bevrijd voelden zich maar heel weinig Duitsers. Dat gold natuurlijk wel voor de echte tegenstanders van de nazi’s en de vervolgden, maar het gros van de bevolking had allereerst angst voor de geallieerden. Enorme angst in Oost-Duitsland voor de Russen, maar ook angst in de westelijke bezettingszones. De Amerikanen traden verbaal zeer hard op en minstens een jaar lang hebben alle voormalige NSDAP-leden strenge straffen verwacht. Dat vergeet men steeds, omdat uiteindelijk veel te weinig mensen daadwerkelijk straf hebben gekregen. Maar dat betekent niet dat de mensen niet ontzettend bang waren. Na een jaar of twee is die angst gaan liggen, omdat de Amerikanen steeds vriendelijker werden voor de Duitsers als gevolg van de Koude Oorlog. Ze hadden de Duitsers nodig als loyale medewerkers en uiteindelijk als bondgenoten. Om dezelfde reden betitelden de Sovjetautoriteiten de Oost-Duitsers als broeders. Binnen twee jaar waren de Duitsers van vijanden tot vrienden van de geallieerden geworden. Dat was voor hen een onverdiende mazzel.’ Hebben Duitsers zich verzet tegen de geallieerde bezetting? ‘Nee, “verzet” is te veel gezegd. Er waren wel hongerdemonstraties. De eerste twee winters na de capitulatie waren bijzonder streng en veel Duitsers dachten dat de geallieerden hen eenvoudig lieten verhongeren. Ze stonden er niet bij stil dat de mensen in andere Europese landen het net zo zwaar of zelfs zwaarder hadden. In Nederland was de winter net zo vreselijk en in Groot-Brittannië waren ook veel artikelen nog lange tijd op de bon. Maar de Duitsers fantaseerden dat de overwinnaars als vorsten leefden, terwijl zijzelf hongerleden. Ook protesteerden arbeiders soms tegen het demonteren van fabrieksinstallaties, die daarna bij wijze van schadevergoeding naar de geallieerde landen werden versleept. Zulke protesten waren deels succesvol, omdat de geallieerden er strategisch belang bij hadden hun respectievelijke bezettingszones in leven te houden. Daardoor bouwden zij vrij snel weer een vriendschappelijke economische relatie met de Duitsers op. De Amerikanen hebben zeer veel geld uitgegeven aan de Duitse industrie. Ook deelden ze op grote schaal voedselpakketten uit, die zorgden voor een aanmerkelijke verbetering van de stemming.’ Hoe konden de Amerikanen de sympathie van de Duitsers winnen, ondanks de jarenlange nazipropaganda tegen de Amerikaanse cultuur en mentaliteit? ‘Het amerikanisme was al groot in de Weimarrepubliek: jazzmuziek en films van Charlie Chaplin waren waanzinnig populair. Zelfs de nationaal-socialisten voelden zich aangetrokken tot bepaalde aspecten van het Amerikaanse leven, zoals de grote mobiliteit. Hitler was een fan van Henry Ford, en omgekeerd. Natuurlijk hebben de nazi’s geprobeerd een eigen “echt Duitse” cultuur te bevorderen als tegenhanger van de Amerikaanse. Maar vooral de naoorlogse jeugd bewonderde de Amerikanen vanwege hun nonchalance. Dat waren geen soldaten die met hun hakken klakten en in het rond schreeuwden. Zij waren cool. De Amerikanen hebben ook de salontafel geïntroduceerd: als ze ergens waren ingekwartierd zaagden ze de poten van de eettafel af om er hun benen op te leggen. Dat vonden de Duitsers weliswaar barbaars, maar ook schitterend. De vrijere Amerikaanse omgangsvormen waren iets sensationeels, een grote belofte. Vrouwenbladen besteedden positieve aandacht aan de Amerikaanse man omdat hij zo zorgzaam was en gerust achter een kinderwagen liep. Zulke details, die getuigden van een vrijere levensstijl, hebben enorme indruk gemaakt.’ Was het bewuste politiek van de Amerikanen om een cultureel offensief te starten? ‘Nou en of. Zo heeft de CIA actief bijgedragen aan de popularisering van abstracte kunst in Duitsland, met als doel de nazimentaliteit te doen verdwijnen. Hitler en Goebbels hadden kunst immers intensief gebruikt in hun propaganda. De nazi’s lieten een tentoonstelling over “ontaarde” moderne kunst door heel Duitsland toeren en benadrukten trots dat zij de smaak van het volk als richtsnoer namen. Een groot deel van de loyaliteit van onderop voor het naziregime had met deze esthetiek te maken. Daarom was na het de oorlog een soort lakmoesproef voor de Duitsers of zij begrip konden opbrengen voor abstracte kunst. Nu waren de voorstellingen die Amerikaanse kunstenaars zoals Jackson Pollock maakten niet choquerend, maar decoratief. Hun kunst kwam via design in de Duitse huishoudens. Vloerkleden en gordijnen werden ontworpen door abstracte kunstenaars als Willi Baumeister. Een populair meubel uit die tijd was het niervormige tafeltje. De nieuwe stijl had niets meer met de nazi-esthetiek van doen. Maar mensen konden zich er gemakkelijk mee identificeren omdat er een boodschap van vrijheid uit sprak. Mijn stelling is dat design het bewustzijn vormt. Daarom geloof ik dat de typische jarenvijftigvormgeving, die tegenwoordig zo vaak wordt bespot, een grote uitwerking op de mentaliteit heeft gehad. Deze culturele denazificatie was zelfs succesvoller dan Duitsers te verplichten om in zaaltjes naar films over de gruwelen van de concentratiekampen te kijken. Dat laatste hebben de Amerikanen ook geprobeerd, maar ze constateerden dat veel mensen zich afsloten voor de beelden of letterlijk de andere kant op keken.’ 'Het was de tijd van vrije liefde. Vrouwen gingen vrijmoedig op mannen af' Cultureel gezien was de periode na de oorlog dus een wilde tijd? ‘De eerste maanden waren een wilde tijd, omdat de mensen eindelijk verder wilden met hun leven. Natuurlijk bevonden ze zich in een verschrikkelijke toestand: ze hadden vele familieleden en vrienden verloren, waren hun huizen uit gebombardeerd, waren gevlucht voor het oorlogsgeweld of uit hun oude woongebieden verdreven. De oorlog was een centrifuge die alles en iedereen door elkaar had geschud. Mensen waren eenzaam en bang voor elkaar, want er liepen veel criminelen, getraumatiseerden en vrijgelaten dwangarbeiders met wraakgevoelens rond. Tegelijk hadden ze elkaar nodig en verlangden ze naar elkaar. Dus zochten ze elkaar ondanks alles op. Het was een tijd van vrije liefde. Vrouwen gingen vrijmoedig op mannen af. Hun zelfbewustzijn was gegroeid doordat zij de chaos alleen moesten doorstaan, terwijl hun mannen in krijgsgevangenschap waren of, wanneer ze waren teruggekeerd, nutteloos waren. De mannen waren uitgemergeld, ziek, getraumatiseerd en slechtgehumeurd. Ze voelden zich buitengesloten, terwijl de vrouwen en de kinderen nauw samenwerkten om het hoofd boven water te houden. Een deel van de vrouwen werkte in beroepen die voor de oorlog door mannen werden uitgeoefend. Jammer genoeg werden ze na verloop van tijd weer uit hun functies gewipt. Vanwege nieuwe wetgeving, veel te lage lonen en ook uitputting stelden veel vrouwen zich weer tevreden met hun oude rol in het gezin. Ze waren ondanks hun grotere zelfbewustzijn in het nadeel, omdat er door de oorlog een mannentekort was. Na die eerste periode van experimenteren kregen vrouwen angst om alleen te blijven en gingen ze naarstig op zoek naar een huwelijkspartner. De onderlinge concurrentie gaf de mannen macht.’ Had de kortstondige vrouwenemancipatie geen langer durend effect? ‘Toch wel, want vrouwen waren hoe dan ook zelfbewuster geworden. Ook als huisvrouw hadden ze ettelijke mogelijkheden om macht uit te oefenen. In Duitsland beheerden de vrouwen de gezinskas en kregen de mannen zakgeld. Dat was natuurlijk een machtspositie die niet overeenstemde met het klassieke beeld van de onderdrukte huisvrouw.’ Wat hebben mensen uit het voormalige verzet tegen de nazi’s kunnen bijdragen aan de nieuwe West-Duitse maatschappij? ‘Direct nadat ze op Duitse bodem kwamen, hebben de geallieerden zo veel mogelijk oude tegenstanders van de nazi’s opgespoord en op belangrijke posten geïnstalleerd. Vooral sociaal-democraten die ondergedoken of in “innerlijke emigratie” waren geweest, werden ingezet als burgemeesters en lekenrechters die het bestuur moesten zuiveren. Daarnaast waren er in de jaren dertig geëmigreerde anti-nazi’s die nu terugkeerden in dienst van het Amerikaanse, Britse of Franse leger. Zij hadden het relatief moeilijk, omdat veel Duitsers die gebleven waren zeiden: “Jullie hebben helemaal geen idee hoe het er in de oorlog bij ons aan toe is gegaan. Nu komen jullie terug en willen jullie ons de les lezen.” Zowel nazi’s als niet-nazi’s hebben dit gezegd. Het gaat te ver om te beweren dat de twee groepen een gezamenlijk front hebben gevormd. Maar een van de aspecten van de naoorlogse jaren die mij het meest verbazen, is hoeveel slachtoffers van de nazi’s hebben samengewerkt met voormalige nationaal-socialisten – in de ambtenarij, maar ook bijvoorbeeld op krantenredacties en in de filmindustrie.’ Waren slachtoffers en voormalige verzetsmensen niet teleurgesteld? ‘De belangenorganisaties van vervolgden richtten zich vooral op het verkrijgen van schadevergoeding. De communistische verzetsmensen hadden natuurlijk een heel eigen beeld van waar het met Duitsland naartoe moest, maar van hen zijn velen naar Oost-Duitsland gegaan. Hun probleem was dat het daar simpelweg onprettiger was dan in het westen. Niet alleen in materieel opzicht, maar ook omdat er geen vrijheid van meningsuiting was. De kaders waren in het oosten veel strakker. Daar waren ook voormalige nazi’s die plotseling als communisten optraden en even vreselijk waren als voorheen. Voor kritische mensen was de teleurstelling vaak zo groot dat ze terugkeerden naar West-Duitsland. Maar ook hier hadden ze het zwaar. De communistische partij speelde in de Bondrepubliek amper een rol van betekenis en werd beschouwd als een vijfde kolonne van de DDR. Wanneer een communist kritiek had op de West-Duitse politiek, krijg hij standaard als respons: “Dan ga je toch lekker naar de andere kant?”’ Uiteindelijk heeft maar een gering deel van alle nazi’s straf gekregen. Wat vond ‘het verzet’ daarvan? ‘Uit kringen van de KPD en de SPD klonk weleens kritiek wanneer specifieke oud-nazi’s in hoge overheidsfuncties terechtkwamen. De SPD protesteerde echter nauwelijks toen de aanvankelijke zuiveringsmaatregelen werden ingetrokken. Ook de sociaal-democraten hebben zich uiteindelijk uitgesproken vóór het weer in dienst nemen van politiek belaste ambtenaren. Persoonlijk vind ik dat verbazingwekkend. Er zat natuurlijk deels opportunisme achter: de SPD-politici wilden gekozen worden en hebben aangevoeld dat de Duitsers in meerderheid op een schrikbarende en hoogmoedige wijze hun verantwoordelijkheid voor de misdaden van het Derde Rijk uit de weg gingen. Ze wilden er niet mee worden lastiggevallen. Ook de sociaal-democraten niet, op enkele uitzonderingen na.’ Was er een alternatief, of zouden de overheid en de economie zijn ingestort zonder de ervaren nazi-ambtenaren? ‘Dat speelde zeer zeker een rol. Zie de beroemde uitspraak van Adenauer: “Als je geen zuiver water hebt, spoel je het vieze niet weg.” Maar een nog belangrijkere rol speelde de mythe dat ook de Duitsers slachtoffers waren. Zelfs de vele mensen die Hitler enthousiast bejubeld hadden, zouden slachtoffers zijn in de zin dat zij waren bedrogen en misleid. Dankzij deze gezamenlijke slachtofferstatus konden nazi’s en hun slachtoffers samen de nieuwe democratie opbouwen. Dit was natuurlijk grotendeels retoriek, maar er bestond wel een zekere basis voor in de ervaring die de mensen tijdens de laatste oorlogsmaanden hadden opgedaan. Toen hadden de meest fanatieke nazi’s, de SS’ers, aan de Duitsers hun ware gezicht getoond. Zij dwongen kinderen en bejaarden naar het front te gaan en knoopten deserteurs op aan lantaarnpalen. Doordat de nazi’s zich zo tegen de eigen bevolking keerden, konden mensen met enige geloofwaardigheid zeggen dat ze niets meer met het regime te maken wilden hebben.’ Dan heeft de slachtoffermythe een positief effect gehad, want hierdoor hadden de Duitsers tenminste geen nostalgie naar de nazitijd. ‘Precies, als zogenaamde slachtoffers konden de Duitsers afstand nemen van het nazisme. Maar het probleem was dat de werkelijke slachtoffers naar de achtergrond verdwenen. Voor hun lijden was geen plaats, want dat zou het zelfbeeld van de Duitsers in de war sturen. De oorlogsgeneratie heeft simpelweg niet meer aan de Holocaust gedacht en is opnieuw begonnen. Dat was natuurlijk moreel verwerpelijk, en de mensen van mijn generatie – ik ben een late 1968’er – hebben terecht hun ouders daar heftig op aangevallen. Maar wij hebben ook geprofiteerd van hun verdringing. In materieel opzicht hadden wij het fantastisch, we konden vijftien jaar lang studeren en protesteren zonder angst voor eventuele gevolgen. Dat valt niet te ontkennen.’ Is Duitsland in die tijd begonnen met de Vergangenheitsbewältigung, de ‘verwerking van het verleden’? ‘Ja, in de jaren zestig. Maar dat onze generatie dat alleen zou hebben gedaan, is ook weer te makkelijk en te veel onszelf op de borst kloppen.’ Kunnen andere samenlevingen iets leren van de Duitse omgang met het duistere verleden? ‘Ik kijk er met scepsis en groot onbehagen naar hoe sommige Duitsers zichzelf afficheren als wereldkampioenen van de Vergangenheitsbewältigung en zichzelf ten voorbeeld stellen aan anderen. De aanvallen van mijn generatiegenoten op hun ouders waren ergens arrogant. Het was bovendien hard dat we niet van onze vaders en moeders konden houden. Je zag op televisie de bergen met lijken in de concentratiekampen en je wist dat de generatie van je ouders die op haar geweten had, maar zij namen geen persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat veroorzaakte een diepe breuk. Natuurlijk is het goed dat we dankzij grondig onderzoek steeds meer informatie krijgen over de enorme hoeveelheid mensen, instituties en bedrijven die betrokken waren bij de misdaden van de nazi’s. Maar om ons nu als Duitsers op te stellen als internationale leermeesters, zoals sommige politici doen, vind ik een beetje eng. Ik denk ook dat Vergangenheitsbewältigung zoals die wordt bedreven in verband met de Holocaust niet een op een overdraagbaar is op andere historische misdaden, die immers hun eigen geschiedenissen en achtergronden hadden. Dat het belangrijk is om het verleden naar eer en geweten te onderzoeken, zonder het goed te praten, spreekt vanzelf. Dat is echter iets anders dan zeggen dat het Duitse model een les inhoudt voor anderen. Er is geen kant-en-klaar recept.’   Harald Jähner is in 1953 in Duisburg geboren. Na een studie geschiedenis ging hij werken als voorlichter, journalist en literatuurrecensent. Van 2003 tot 2015 was hij redacteur van de Berliner Zeitung. Sinds 2011 is Jähner buitengewoon hoogleraar cultuurjournalistiek aan de Universität der Künste in Berlijn. Zijn boek Wolfszeit zag het licht in 2019; hij ontving er de non-fictieprijs van de Frankfurter Buchmesse voor. Vorig jaar verscheen de Nederlandse vertaling Wolfstijd. Duitsland en de Duitsers 1945-1955 (504 p. De Arbeiderspers, € 34,99).

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen