Home Dossiers Nederlandse monarchie Het Nederland van koning Willem I

Het Nederland van koning Willem I

  • Gepubliceerd op: 17 augustus 2005
  • Laatste update 04 jun 2021
  • Auteur:
    Jeroen van Zanten
Het Nederland van koning Willem I
Cover van
Dossier Nederlandse monarchie Bekijk dossier

Wat moeten we weten van onze vaderlandse geschiedenis? Historici Piet de Rooy en Jan Bank maakten een canon van het Nederlandse verleden. Hoogtepunten uit dit overzicht treft u aan in Historisch Nieuwsblad. Deze maand: de centralistische regering van koning Willem I.

In het voorjaar van 1821 deed zich in Amsterdam een incident voor dat zowel onder het volk als de burgerij voor veel ophef zorgde. Aanleiding tot het voorval was de spoedklus die ijzersmid Kramer en diens oudste zoon op een zonnige ochtend in april hadden aangenomen. Die was zo groot dat hij in de openlucht voor de smederij moest worden afgemaakt. In het negentiende-eeuwse Amsterdam was het niet uitzonderlijk dat er op straat gewerkt werd; op de kades en rederijen was bijna dagelijks luid gehamer en gepiep van katrollen te horen. Al sinds de zeventiende eeuw bestonden er in Amsterdam regels die overlast moesten tegengaan, maar veel arbeidslieden hadden tegen betaling van de thesaurier dispensatie gekregen.

Ook Kramer was in het bezit van een dergelijke vrijstelling. Zijn pech was echter dat zijn smederij zich bevond op het Rusland, vlak tegenover het politiebureau. Toen een van zijn knechten voor de spoedklus druk bezig was met het uitkloppen van een grote ijzeren plaat, kreeg hij bezoek van een diender. De agent deelde mee dat de directeur van politie, Samuël Iperuszn Wiselius, zat te ‘administreeren’ en zich stoorde aan het kabaal. De knecht knikte begripvol. Hij antwoordde dat het werk in enkele ogenblikken klaar zou zijn. De diender keerde terug naar het bureau, maar nog geen minuut later rende hij samen met enkele collega-agenten het Rusland op. Ze vatten de knecht in de kraag en sleepten hem met veel geweld het bureau in.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dit alles gebeurde zo snel dat de zoon van Kramer maar half had meegekregen wat er gaande was. Buiten zag hij de klophamer werkeloos op de grond liggen en hij vroeg een andere knecht het werk aan de ijzeren plaat af te maken. Het duurde niet lang of ook deze werd hardhandig gearresteerd. Ontstemd vroeg de jonge Kramer waar dit geweld voor nodig was. Hij zei dat hij een eerlijke ambachtsman was en bij afwezigheid van zijn vader de leiding had. Als de politie iets had aan te merken, dan moesten ze hem en niet zijn knechten verantwoordelijk stellen.

Op het moment dat de discussie met de politiedienders verhit werd, kwam de directeur van politie samen met de gehate politie-informant Bernard Anthonie Fallée aangelopen uit het bureau. Wiselius duldde geen tegenspraak. Op zijn bevel werden de jonge Kramer en de nog aanwezige knechten meegevoerd en opgesloten in de kelder van het politiebureau. Zonder eten en diverse malen bedreigd met lijfstraffen zaten ze daar de hele dag. Pas in de avond werden ze in vrijheid gesteld – voorwaardelijk, want bij vertrek kregen ze een proces-verbaal mee wegens ‘belediging en misachting jegens de directeur van Policie’ en ‘overtreding van het reglement der stedelijke Policie hetwelk verhindert om op straat te werken’.

Een kleine Napoleon

Het lot van de jonge Kramer en zijn knechten deed in Amsterdam snel de ronde. Van hoog tot laag was men verontwaardigd over de willekeurige en gewelddadige handelwijze van de politie. Veel Amsterdammers meenden dat het optreden herinnerde aan de laatste jaren van de Franse bezetting. Ze werden in deze opvatting gesterkt doordat Fallée bij het voorval aanwezig was geweest; in de Franse tijd had deze zijn hand in duistere zaken gehad.

Ook bij het verleden van Wiselius werden vraagtekens gezet. Had hij als patriot niet voor vrijheid en gelijkheid gestaan, maar was hij die oude idealen – nu hij onder Willem I een voorname positie had verworven – vergeten? Bovenal vroegen de Amsterdammers zich af hoe het mogelijk was dat de politie zich in een beschaafd land, met een grondwet, vrijheid van drukpers en een schijnbaar rechtvaardige koning, op een dergelijke brute wijze kon keren tegen hardwerkende en eerzame burgers als de smid Kramer en diens zoon.

De woede en het onbegrip groeiden toen de politie de strafzaak tegen Kramer doorzette. Met name Wiselius’ koppigheid zorgde voor veel rumoer binnen de advocatuur en leidde zelfs tot een crisis op het Amsterdamse parket. Wiselius’ juridisch adviseur en raadsman, de bekende Amsterdamse advocaat Nicolaas Sinderam, bleek zo verbolgen over het feit dat deze de zaak voor de rechter wilde brengen dat hij meedeelde uit gewetensnood niet langer in zijn naam te kunnen optreden. Zijn morele nood ging zelfs zover dat hij Kramer aanbood diens zoon pro Deo te verdedigen.

Bij het Openbaar Ministerie had men intussen vernomen dat Kramer in het bezit was van een dispensatie, en dus toestemming had buiten zijn werkplaats te werken. Het proces-verbaal werd ongeldig verklaard en de jonge Kramer en zijn knechten werden op alle fronten vrijgesproken. Wiselius ervoer deze vrijspraak als een nederlaag en zei Sinderam ‘een man zonder naam en eer’ te vinden. Tijd om nog meer beledigingen te uiten kreeg hij niet, want van hogerhand werd hem het zwijgen opgelegd.

Wat zegt de affaire rond de smid Kramer over het Nederland onder Willem I? Het beeld van de in die tijd heersende jansaliegeest, middelmaat en slapte is al vaak geschetst. De Nederlanders, spotte Johan Huizinga in 1913, hadden zich onder de oranjeboom te slapen gelegd en zich weinig druk gemaakt over de regering van hun land. Dit landsbestuur werd overheerst door één man – koning Willem I – die alle ruimte opeiste in een politiek bestel met een weinig solide grondwet en parlement.

Als een ‘kleine Napoleon’, ‘verlicht despoot’ en ‘landsvader’ dirigeerde Willem I economie, onderwijs en godsdienst

Als een ‘kleine Napoleon’, ‘verlicht despoot’ en ‘landsvader’ dirigeerde Willem I economie, onderwijs en godsdienst, zonder rekening te houden met de constitutie of de wil van het parlement. Of, zoals Thorbecke schreef: onder Willem I was Nederland ‘een napoleontisch gereglementeerde staat met een constitutionelen gevel’. Tegen deze autoritaire, centralistische staat verzetten zich alleen de door de taal- en godsdienstpolitiek geschoffeerde Belgen. De Noord-Nederlanders sloten de ogen, om ruw wakker te worden geschud door de Belgische opstand in 1830.

Klopt dit beeld? Wie een nadere blik werpt op Nederland onder Willem I ziet veel tegenstrijdigheden. Zo is er de autoritaire, energieke en progressieve koning die initiatieven nam en een voortvarend economisch beleid voerde, het onderwijs organiseerde en probeerde een ‘nationale christenheid’ te scheppen door de verschillende religieuze confessies aan de staat te onderwerpen. Naast deze energieke vorst is er ook een twijfelende koning – de ‘Fabius Cunctator’ – die niet wist wat hij aan moest met de onvrede in het zuidelijk deel van zijn koninkrijk, bang was voor de grondwet en de groeiende oppositie in pers en parlement hardhandig de kop probeerde in te drukken. Wat was nu de ware Willem? En was het nu echt zo dat de Noord-Nederlanders zich zonder enige kritiek of onvrede schikten naar zijn bestuur?

Volmaakte droom

Het begon allemaal zo veelbelovend op 30 november 1813, toen Willem I landde op het strand van Scheveningen. Na negentien jaar beurtelings in Engeland en Duitsland in ballingschap te hebben doorgebracht, keerde hij op uitnodiging van de Haagse heren Gijsbert Karel van Hogendorp, Adam François van Duijn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum terug om de ‘hooge regering’ op zich te nemen. Alles leek ‘volmaakt een droom’, schreef hij later over zijn terugkeer in Nederland.

Onzeker over zijn lot en bang om verkeerde uitspraken te doen stelde hij zich in het begin uiterst afwachtend op en verklaarde dat hij tevreden zou zijn met een benoeming in ‘dezelfde rang die zijn vader had bekleed’. Een restauratie van de oude Republiek leek evenwel ondenkbaar; hiervoor was in de jaren 1780-1801 te veel gebeurd. Besloten werd dat Willem I ‘onder de belofte’ van een ‘wijze constitutie’ de titel ‘souverein vorst der Nederlanden’ zou krijgen, en alle oude partijschappen onder hem ‘vergeven en vergeten’ zouden worden.

De ‘wijze constitutie’ die in de maanden na de terugkeer van Willem I onder bezielende leiding van Van Hogendorp werd opgesteld, was letterlijk en figuurlijk een compromis tussen oud en nieuw. Figuurlijk omdat Van Hogendorp gebruikmaakte van een sterk gekleurde visie op het nationale verleden en in zijn grondwetsschets teruggreep op Bourgondisch-Habsburgse tradities van voor 1572, het staatsbestel van de Republiek en ontwikkelingen van na 1780.

Van Hogendorp maakte gebruik van een sterk gekleurde visie op het nationale verleden

En letterlijk omdat deze ‘uitgevonden tradities’ van Van Hogendorp geamendeerd werden door Cornelis Theodorus Elout en Cornelis Felix van Maanen, twee invloedrijke leden van de grondwetscommissie die de onder de Fransen ontstane centrale staat wilden behouden. Het resultaat was uiteindelijk een staatsregeling die aan de ene kant een aristocratisch-federalistisch karakter had, maar aan de andere kant in het verlengde lag van het Napoleontische bestuur door uit te gaan van een sterke uitvoerende macht.

Met name dit laatste compromis zorgde ervoor dat Willem I erg veel politieke ruimte kreeg en er van het door Van Hogendorp zo belangrijk gevonden dualisme tussen de vorstelijke soevereiniteit en de Staten-Generaal weinig terechtkwam. Aanvankelijk liet Willem I zich kennen als een liberale koning die voor vrijheid van drukpers was en rekening hield met de stem van het volk, maar na de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden begon hij meer en meer per Koninklijk Besluit te regeren. Hij streefde ernaar om van Noord en Zuid één natie te maken en de economie van beide landsdelen te integreren.

Willem I begon na de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden steeds meer per Koninklijk Besluit te regeren.

De koning bemoeide zich met de kleinste details en gaf opdracht voor grote infrastructurele projecten. Ook riep hij instellingen in het leven als de Nederlandsche Bank, de Algemeene Maatschappij voor de Volksvlijt en de Nederlandsche Handelmaatschappij. Die fungeerden niet alleen als kredietbank of maatschappij om industrialisatie en handel in Noord en Zuid te bevorderen, maar waren ook in politiek opzicht van belang om de finesses van het financiële beleid voor het parlement geheim te houden. Hoewel dat financiële beleid aanvankelijk vruchten leek af te werpen, werd deze geheimzinnigheid Willem I uiteindelijk fataal. Om zijn plannen te financieren was hij talloze constructies aangegaan die er uiteindelijk voor zorgden dat de staatsschuld dramatisch uit de hand liep.

Chantagepoging

Voor zijn dirigistische en autocratische politiek vond Willem I met name steun bij zijn minister van Justitie Van Maanen. Van Maanen was voorstander van een sterke staat. Zijn ster rees in 1819 nadat door zijn toedoen een chantagepoging was verijdeld. Inzet van deze chantage was het gedrag van de prins, de latere Willem II. Twee oud-officieren van de prins – Boers en Bouwens van der Boyen – dreigden via de pers bekend te maken dat hij er een voorliefde op na hield voor jonge heren en het kaartspel. Met behulp van Wiselius, Fallée en een wijdvertakt netwerk van geheim agenten zorgde Van Maanen ervoor dat het niet zover kwam en de afpersers gearresteerd werden.

Van Maanen speelde ook een grote rol bij het in toom houden van de publieke opinie. Vanaf 1818 groeide zowel in Noord- als in Zuid-Nederland het aantal politieke tijdschriften. Willem I moest weinig hebben van een kritische pers en stond Van Maanen toe een streng persbeleid te voeren. Daarmee werd het Verenigd Koninkrijk een politiestaat, waarin de koning, zijn ministers en de geheime politie de orde bevestigden, maar tevens naar willekeur uitzonderingen maakten.

Willem I moest weinig hebben van een kritische pers en stond Van Maanen toe een streng persbeleid te voeren

Het repressieve drukpersbeleid en het autoritaire optreden van de overheid konden niet voorkomen dat Willem I bij tijd en wijle in politiek zwaar weer belandde. De eerste politieke crisis vond plaats in 1819, toen de Tweede Kamer onder druk van de publieke opinie en uit onvrede met de hoge belastingen weigerde in te stemmen met de eerste tienjarige begroting. Door de Noord- en Zuid-Nederlandse afgevaardigden tegen elkaar uit te spelen lukte het de koning uiteindelijk toch goedkeuring te krijgen. Maar hij voorkwam niet dat het vertrouwen in zijn koningschap langzaam afbrokkelde.

In het Zuiden kregen de liberalen en katholieken genoeg van de ‘Neerlandisatie’ van het onderwijs en de reorganisatie van de katholieke kerk. Met name de sluiting van de kleine seminaries in 1825 en de verplichting voor priesterstudenten om college te volgen aan het Collegium Philosophicum leidden tot veel onrust; zowel de liberale als de katholieke oppositie zag deze poging om de priesteropleiding onder staatscontrole te krijgen als een fundamentele schending van de vrijheid van godsdienst en onderwijs. De afkeer van Willem I’s beleid had uiteindelijk tot gevolg dat de Zuid-Nederlandse katholieken en liberalen de handen ineensloegen en via een stroom van petities herstel van hun ‘grieven’ eisten.

Eind 1829 verergerde de crisis doordat de Tweede Kamer de tweede tienjarige begroting weigerde goed te keuren. Dit gebeurde niet alleen op financiële gronden. Onder jonge liberale Kamerleden uit zowel het Noorden als het Zuiden was het besef ontstaan dat de koning zich aan de controle van het parlement kon onttrekken, omdat er binnen het politieke bestel geen ministeriële verantwoordelijkheid bestond. Naast volledige openbaarheid van financiën eisten ze dan ook politieke hervormingen.

Jetje Dondermond

Begin 1830 diende de regering opnieuw een tienjarige begroting in. Wederom klonk vanuit de Tweede Kamer veel kritiek. Toen het uiteindelijk op stemmen aankwam, oordeelde de Noord-Nederlandse oppositie dat de Zuid-Nederlanders te ver gingen in hun eisen en stemden de meeste afgevaardigden, uit angst dat de tegenstellingen zouden escaleren, voor de begroting. De Zuid-Nederlandse Kamerleden wisten evenwel van geen wijken. Gesteund door de publieke opinie in het Zuiden zegden ze elke medewerking op tot de koning de gehate taal- en onderwijsbesluiten had teruggedraaid en een begin had gemaakt met politieke hervormingen.

Na enige twijfel weigerde Willem I hierop in te gaan, en een aantal onbestemde maanden volgde. Dit was stilte voor de storm, want in augustus 1830 braken er na de opvoering van Aubers vrijheidsprikkelende opera La Muette de Portici rellen uit in Brussel – die uiteindelijk onbedoeld uitmondden in een nationale opstand. Willem I stond de scheuring van zijn koninkrijk niet zomaar toe en gaf meteen na de Belgische onafhankelijkheidsverklaring opdracht tot mobilisatie van het leger. Die zou uiteindelijk zeven koppige jaren duren. Pas in maart 1838 stemde hij onder grote zowel binnenlandse als buitenlandse druk officieel in met de Belgische afscheiding.

In de twee jaren daarna bleek Willem I politieke hervormingen niet langer te kunnen tegenhouden. Op 4 september 1840 tekende hij met de grootst mogelijke tegenzin een grondwetswijziging waarin een strafrechtelijke vorm van ministeriële verantwoordelijkheid was opgenomen. Een minister kon nu door een parlementaire meerderheid voor de Hoge Raad worden gedaagd. Ook werd de tienjarige begroting vervangen door een jaarlijkse.

Op 4 september 1840 tekende Willem I met de grootst mogelijke tegenzin een grondwetswijziging

Niet lang na de grondwetswijziging kreeg Willem I’s koningschap een Shakespeariaans einde toen hij aankondigde in het huwelijk te willen treden met Henriette d’Oultremont, een hofdame van zijn in 1837 overleden vrouw ‘Mimi’. Het land reageerde verontwaardigd op deze verloving omdat ‘Jetje Dondermond’ van geboorte katholiek en Belgische was. Maar de eenzame en regeringsmoeë Willem I was niet te vermurwen. In oktober 1840 legde hij zijn koningschap neer en vertrok hij naar Berlijn om daar nog een aantal gelukkige jaren met zijn ‘Jetje’ door te brengen.

Voor zichzelf had Willem I gedurende zijn regeringsperiode een aardig kapitaaltje veiliggesteld, maar zijn inmiddels kleine koninkrijk bleef berooid achter. Volgens economisch historicus Jan Luiten van Zanden werkte de grote staatsschuld die Willem I had achtergelaten zelfs vertragend op de industrialisatie van Nederland. Pas toen eind jaren veertig de baten uit Indië binnen begonnen te stromen, kwam er weer ruimte voor investeringen.

Vaderlandsliefde

Dat de politieke hervormingen in Noord-Nederland ondanks de groeiende onvrede pas eind jaren dertig hun beslag kregen, was niet het gevolg van een noordelijke jansaliegeest, zoals veel historici beweren. Wie oog heeft voor het verschil in politieke cultuur in Noord- en Zuid-Nederland en de desintegratie van het Verenigd Koninkrijk niet alleen vanuit Zuid-Nederlands perspectief bestudeert, merkt op dat er ook in het Noorden wel degelijk tegenkrachten bestonden, die een belangrijk voorspel vormden voor de liberale hervormingen van 1840 en 1848.

Verschil met het Zuiden was dat noordelijke parlementariërs, ambtsdragers en publicisten gebukt gingen onder een trauma dat ze hadden opgelopen tijdens de revolutionaire jaren van 1780-1801. Bang voor partijstrijd en regeringloosheid hield men zowel in het parlement als in de pers vast aan een ‘vaderlandse politiek’.

Die bestond uit een onwrikbaar geloof in eenheid en het ‘vergeven en vergeten’ van oude tegenstellingen. Ondanks toenemende onvrede met het beleid van Willem I bleef men in het Noorden dan ook naar harmonie zoeken. Vergeleken met de Zuid-Nederlandse oppositie, die vanaf het midden van 1825 duidelijke politieke eisen begon te formuleren, was de Noord-Nederlandse oppositie passief; ze durfde en wilde geen grenzen te stellen, ook al zag men dat politieke hervormingen noodzakelijk waren.

Na 1827 kwam er gaandeweg een einde aan deze bedaarde vaderlandse politiek toen met Dirk Donker Curtius, Petrus Cornelis Schooneveld en Lodewijk Casper Luzac een nieuwe generatie Noord-Nederlandse liberalen tot de politieke fora doordrong en hervormingen begon te eisen. De ontwikkeling van deze Noord-Nederlandse oppositie, of beter: van dit noordelijke liberalisme, werd uiteindelijk in de kiem gesmoord door de Belgische opstand.

De Belgen schudden de Noord-Nederlanders in 1830 niet wakker, zoals veel historici met Kossmann geloven, maar zorgden er juist voor dat de afkeer van partijdigheid en tegenstellingen werd bestendigd: elk voorstel om de grondwet te veranderen werd na het verlies van België gezien als ‘liberaal verraad’ en als een poging de nationale eenheid te ondermijnen. De failliete regering van Willem I werd zo tijdelijk geconserveerd door vaderlandsliefde en verontwaardiging over de muitzieke en ondankbare Belgen.

De failliete regering van Willem I werd geconserveerd door vaderlandsliefde en verontwaardiging over de ondankbare Belgen

In het licht van de Noord-Nederlandse politieke bedaardheid krijgt de ophef over de affaire rond de smid Kramer een scherpere betekenis. De verontwaardiging over de brute behandeling van de zoon van de smid en zijn knechten geeft inzicht in de verhouding tussen de Amsterdammers en de autoriteiten en laat zien dat oude – bíjna vergeten en vergeven – partijschappen niet waren verdwenen, maar vlak onder de oppervlakte bleven doorsluimeren en omwille van de lieve vrede werden ingeslikt.

Sommige historici beweren dat Nederland gedurende Willem I’s regering zijn meest ‘on-Nederlandse’ periode beleefde. Ze baseren deze voorstelling op het centralistische karakter van diens bestuur. Onder Willem I verwijderde Nederland zich steeds verder van de republikeinse en federale veelvoud van voor 1798, en schoof het wat betreft staatstype en mentaliteit in de richting van centralistische staten als Frankrijk. Energiek, autoritair, bemoeizuchtig, maar ook besluiteloos – de ware Willem I lijkt inderdaad een kleine Napoleon te zijn.

Evenals bij Huizinga’s beeld van een slapend Nederlands volk, kunnen uiteraard ook bij deze voorstelling van zaken vraagtekens worden geplaatst. Hoe het ook zij, wie studie maakt van Nederland onder Willem I zal zien dat de spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie en vrijheid geen vanzelfsprekendheid zijn, maar dat ons land ook een repressieve geschiedenis heeft, waar bestuur domineerde over politiek en consensus gelijkstond aan het inslikken van meningsverschillen en het ontkennen van tegenstellingen.

Jeroen van Zanten is docent politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. In 2004 promoveerde hij op een studie over de politieke cultuur in Noord-Nederland in de jaren 1813-1840. Momenteel doet hij onderzoek naar Frankrijk in de jaren 1813-1815 en is hij bezig met een biografie van koning Willem II. Eerdere afleveringen in deze serie gingen over de Beeldenstorm (Henk van Nierop), de Pacificatie van 1917 (Piet de Rooy), de ontdekkingsreizen (Vibeke Roeper), de kerstening (Marco Mostert) en de jaren dertig van Colijn (Herman Langeveld).

‘Het Bestuur bemoeit zich met duizenden zaken’

De Engelse letterkundige en financieel expert John Bowring (1792-1872), die in Engeland diverse reisbrieven over Noord-Nederland publiceerde, oordeelde in een van zijn brieven hard over de Nederlanders en het landsbestuur. Of hij gelijk had? Zijn woorden lijken in elk geval wel erg actueel als het gaat om de huidige politieke stand van zaken:

Men mist hier die publiciteit, die een breidel is voor publieke, ja, in een uitgestreken zin, ook voor private misdaden. Alle inrigtingen in de Nederlanden schijnen deugdzame beambten te vooronderstellen, en van deze daarom zoo veel mogelijk de controle der publieke opinie te verwijderen. Maar het grootste, en op alles nadeelig werkende euvel bestaat in het onophoudelijk maken van nieuwe wetten: het Bestuur bemoeit zich met duizenden zaken, die buiten twijfel aan de bezorging der burgers zelven moesten worden overgelaten. Niets is in zich zelven tegenstrijdiger, dan de groote Staatsmachine te belasten met kleinigheden, die tot het dagelijksch leven behooren. Het in het oogloopend gebrek is hier het gemis van overzigt in het groote – het vermoeijend acht geven op onderdelen en details – de verspilling der aandacht op zaken van weinig belang.

Uit: Brieven van John Bowring geschreven op eene reize door Holland, Friesland en Groningen (1830)

Verder lezen

In tegenstelling tot Engeland, Duitsland en Frankrijk heeft Nederland helaas geen rijke biografische traditie als het gaat om staatshoofden en politici. Het ontbreekt ons nog steeds aan wetenschappelijke biografieën van Willem I, Willem II en Willem III. Tot deze leemte wordt opgevuld moeten we het doen met de mooie en nog steeds actuele schetsen van J.A. Bornewasser. Zie hiervoor: Coen Tamse (red.), Nassau en Oranje in de Nederlandse geschiedenis (1996). Een modern en zeer goed leesbaar overzicht van de periode 1780-1848 is Remieg Aerts’ bijdrage aan Land van kleine gebaren: ‘Een staat in verbouwing. Van republiek naar constitutioneel koninkrijk 1780-1848’ (1999).

Als pionier op het terrein van de vroeg-negentiende-eeuwse geschiedenis kan Niek van Sas hier niet ontbreken. Naast zijn proefschrift Onze Natuurlijkste Bondgenoot (1985), over de relatie tussen Engeland en Nederland, heeft hij begin jaren tachtig belangrijke artikelen geschreven over Willem I, het politiek bestel en de politieke crisis van 1827-1830. Gelukkig zijn deze stukken onlangs bijeengebracht in De metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit 1750-1900 (2004).

Voor Willem I’s rol in de economie en de uitkomsten van zijn politiek is Nederland 1780-1914. Staat, instituties en economische ontwikkeling (2000) van Jan Luiten van Zanden en Arthur van Riel het standaardwerk. Wie geïnteresseerd is in staatsrecht en de praktijk van de grondwet van 1814 kan terecht bij Peter van Velzen, De ongekende ministeriële verantwoordelijkheid. Theorie en praktijk 1813-1840 (2005). Een mooie inleiding op dit vlak is ook: Coen Tamse en Els Witte (red.), Staats- en natievorming in Willem I’s koninkrijk (1815-1830) (1992).

Voor een meer algemene studie naar de Nederlandse restauratie, politieke discussie, persvervolgingen en politieke stijl zie Jeroen van Zanten, Schielijk, Winzucht, Zwaarhoofd en Bedaard. Politieke discussie en oppositievorming 1813-1840 (2004).