• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    dinsdag 8 april 2014

    Het kabinet-Hitler I

    Wat was er gebeurd zonder Rijksdagbrand?

    Was wäre geschehen ist gerade die Kardinalfrage, aldus Nietzsche. Onder historici is Nietzsches stelling, die uitdaagt tot virtuele geschiedschrijving, omstreden. Een criticus, de Britse marxistische historicus Edward Hallet Carr, doet virtuele geschiedenis in zijn bekende boek What is history af als ‘mere parlour game’. De historicus kijkt nu eenmaal naar het verleden vanuit het heden en vanuit dat perspectief geldt volgens Carr: ‘History is by and large a record of what people did, not what they failed to do.’

     

     

    Tegenover Carrs opvatting staat de geschiedenisopvatting van onze Nederlandse historicus Johan Huizinga: ‘Wanneer de historicus zich plaatst op een punt in het verleden dient hij zich ervan bewust te zijn dat de factoren die hij kent nog verschillende uitkomsten kunnen hebben. Heeft hij het over Salamis dan moet het zijn alsof de Perzen nog de overhand kunnen krijgen.’

    In de Angelsaksische academische wereld is virtual history in opmars als een aparte tak van moderne geschiedenisbeoefening. Een exponent is de Britse historicus Niall Ferguson. Hij heeft zijn visie op virtuele geschiedenis uiteengezet in een uitvoerige inleiding van een essaybundel uit 1997 Virtual History, waarin een aantal Britse en Amerikaanse geschiedschrijvers, onder wie Ferguson zelf, op boeiende wijze negen virtuele geschiedenissen beschrijven.

    In zijn inleidend essay verdedigt Ferguson virtuele geschiedenis tegen de critici daarvan. Hij geeft de historicus een goede reden zich af te vragen: wat zou zijn gebeurd als, of als niet? Mensen doen in hun leven niet anders. Ze overwegen of er alternatieven waren voor beslissingen die ze hebben genomen en proberen de resultaten van deze overwegingen te verdisconteren in hun huidige en toekomstige gedrag.

    De Britse historicus Hugh Trevor Roper trekt deze aanbeveling door naar de geschiedeniswetenschap: ‘How can we explain’, schrijft hij, ‘what happened and why, if we only look at what happened and never consider the alternatives.’ Evenals Huizinga huldigt Trevor Hoper het standpunt dat de geschiedschrijver zich niet in het heden moet plaatsen, maar zich moet verplaatsen naar het verleden met de alternatieven die daar voorhanden zijn, alsof het voor hem nog toekomst is. Eerst dan, stelt Trevor-Hoper, kunnen we nuttige lessen uit de geschiedenis trekken.

    Ferguson waarschuwt bij toepassing van virtual history voor twee valkuilen. De ene noemt hij ‘reductionism’. Hij bedoelt daarmee het introduceren van triviale feiten in het historisch verloop van gebeurtenissen. Het klassieke voorbeeld – al van Pascal – is Marcus Antonius, die het strijdtoneel bij Actium zou hebben verlaten om achter de fraai gevormde neus van Cleopatra aan naar Egypte te zeilen. Had Cleopatra een pukkel op haar neus gehad, zo is de redenering, dan had Marcus Antonius met zijn legioenen, die in Macedonië wachtten op het bevel naar Actium op te rukken, uiteindelijk de slag gewonnen, en was er nooit een keizer Augustus geweest. De tweede valkuil omschrijft Ferguson als ‘anachronism’. Daarmee bedoelt hij het invoeren van een ‘counterfactual’ dat vreemd is aan het historische verloop van de gebeurtenissen.

    Een voorbeeld is de veronderstelling waarop Roth Het complot van Amerika heeft gecomponeerd, te weten dat in 1940 niet Franklin Roosevelt, maar de antisemiet Lindbergh tot president zou zijn gekozen. Hoe vermaard de piloot Lindbergh met zijn eenmansvlucht over de Atlantische Oceaan ook was geworden, het was in 1940 ondenkbaar dat hij tot president had kunnen worden gekozen – hij stond niet eens kandidaat.

    De vraag wordt in dit artikel onder ogen gezien hoe het kabinet-Hitler I het zou zijn vergaan, als er geen rijksdagbrand was geweest. De vraagstelling is geen vorm van reductionisme; zoals zal blijken wilde Marinus van der Lubbe met zijn daad iets bereiken wat Hilter zelf vreesde, namelijk de Duitse arbeiders tot een algemene staking bewegen. Evenmin is eliminering van de Rijksdagbrand uit het verloop van die Berlijnse zondag 27 februari 1933 een anachronisme; de onverwachte gebeurtenis was een reëel feit dat iedereen volkomen verraste.
    De lezer die de Hitler-tijd in gedachten neemt zal geneigd zijn een sprongetje te maken van de Machtsovername naar de Rijksdagbrand. Ook in de literatuur over het Nazi-tijdperk en in biografieën van Hitler wordt betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de periode tussen 30 januari en 28 februari 1933. Niettemin zijn deze luttele weken van belang omdat zij de Führer in een gedaante laten zien die hij daarvóór, noch daarna heeft aangenomen, die van bestuurder.

    De neerslag van Hitlers optreden als premier van een coalitiekabinet is te vinden in het Bundesarchiv in Berlijn. De regeringsstukken uit deze periode zijn uitgegeven onder de titel Die Regierung Hitler, Teil I: 1933/34 . De titel is misleidend. De regeringsstukken van de drie voorgaande kabinetten zijn uitgegeven onder de titel Das Kabinett Brüning, Das Kabinett von Papen en Das Kabinett von Schleicher. Formeel is er eerst sprake van een ‘regering’-Hitler na de dood van president Von Hindenburg, toen de Führer de functies van kanselier en president in zijn persoon verenigde. Voordien moet men spreken van de ‘regering-Hindenburg’ en het ‘kabinet-Hitler’.

     

    De totstandkoming van het kabinet Hitler

     

    Na de verkiezingen voor de rijksdag van 6 november 1932 was een politieke impasse ontstaan doordat de twee winnaars, de Nazi’s en de communisten, elkaar als regeringspartner uitsloten en de overige partijen geen coalitie met een van beide winnaars wilden aangaan. De vrijwel algemene opvatting in Duitsland was dat de NSDAP van Adolf Hitler regeringsverantwoordelijkheid moest worden aangeboden. Dit was ook de opvatting van veel opponenten van de volkstribuun met zijn luidruchtige aanhang. Zij waren ervan overtuigd dat de Nazi’s niet in staat zouden blijken de economische crisis waarin Duitsland gedompeld was op te lossen. Hun verwachting was dat als dat eenmaal was aangetoond de Nazi-furie snel zou uitdoven.

    Hoe onmisbaar Hitler was geworden voor de oplossing van de politieke puzzel, laten de notulen zien van de ministerraadvergadering van het kabinet-Schleicher van 28 januari 1933. De kanselier opende ’s morgens om 11 uur de vergadering met de aankondiging dat de motie van wantrouwen, die het kabinet op 31 januari in de Rijksdag te wachten stond, met ruime meerderheid zou worden aangenomen. Hij zei nog één mogelijkheid te zien om aan het wantrouwenvotum te ontkomen, namelijk president von Hindenburg de Rijksdag laten ontbinden, maar zonder de grondwettelijk vereiste aankondiging van een termijn waarop nieuwe verkiezingen zouden worden gehouden. Zo zouden ze tijd krijgen om het anticyclisch economisch beleid dat het kabinet had uitgezet te verwezenlijken, om daarmee de Duitse economie uit het slop te halen.

    Mocht de president dit weigeren dan zag Schleicher naar zijn zeggen twee alternatieven: een kabinet-Hitler ofwel een kabinet Papen/Hugenberg. Het laatste beschouwde hij als een ramp voor het land. Dit kabinet zou alleen steunen op Hugenbergs Deutsch Nationale Volkspartei, de DNVP, die met 51 zetels slechts 8% van rijksdag controleerde. Omdat zowel rechts als links tegen dit kabinet storm zou lopen, vreesde hij een algemene staking. Dit zou het leger nopen in te grijpen, wat ‘een rijks- en presidentscrisis’ tot gevolg zou hebben. Hij zou daarom, verklaarde Von Schleicher, als de president ontbinding van de Rijksdag zou weigeren, hem adviseren de leider van de NSDAP het kanselierschap aan te bieden.

    De kanselier vroeg kabinetsleden die een andere mening waren toegedaan deze kenbaar te maken. Niemand had een andere mening, integendeel. Minister van Financiën Schwerin von Krosigk stelde voor hun oudste collega, minister van Buitenlandse Zaken Konstantin Freiherr von Neurath, de president te laten vertellen dat de ministers er net zo over dachten.

    Om 12.10 uur werd de vergadering geschorst om de kanselier gelegenheid te geven zijn boodschap aan de president over te brengen. Na goed een kwartier was Schleicher al weer terug. De president bleek niet bereid de Rijksdag te ontbinden zonder aankondiging van nieuwe verkiezingen. Hij wist wat hem te doen stond, had Von Hindenburg ten antwoord gegeven op het advies Hitler het kanselierschap aan te bieden. Aan een nadere uiteenzetting door Von Neurath had de president geen behoefte. ‘Zijn besluit staat vast,’ berichtte Von Schleicher, en concludeerde daaruit dat Hindenburg nog steeds weigerde de ‘böhmische Gefreite’ tot kanselier te benoemen, doch aankoerste op een kabinet-Papen/Hugenberg.

    Kennelijk is Hindenburg in de loop van de dag overstag gegaan. Von Krosigk vertelt in zijn dagboekaantekeningen van 28 januari dat hij in de namiddag contact had met Von Papen, die van de president opdracht had een oplossing voor de kabinetscrisis te zoeken. Von Krosigk maakte Von Papen duidelijk dat hij en zijn collega’s weigerden om in een ‘vechtkabinet’ Papen/Hugenberg zitting te nemen. Wel waren ze bereid naar een kabinet-Hitler over te stappen. Von Papen liet blijken dat ook de president begon in te zien dat een kabinet-Hitler onvermijdelijk was.

    Von Hindenburg had tot dan toe categorisch geweigerd een kanselierschap van Hitler in overweging te nemen. Naar zijn zeggen kon hij het voor zijn ambtseed noch voor zijn geweten verantwoorden het land uit te leveren aan een éénpartij dictatuur. Kennelijk meende Hindenburg dat kabinetsformateur Von Papen voldoende garanties had ingebouwd tegen een overheersende positie van de Nazi’s in het kabinet. Het kabinet, dat Papen in ijltempo formeerde, was een coalitiekabinet. Naast de NSDAP zou de DNVP eraan deelnemen, waarmee het ruim 40% van de Rijksdag achter zich had.

    Voorts had het kabinet-Hitler de openlijke steun van Stahlhelm. Deze was weliswaar geen politieke partij, maar vormde als veteranenorganisatie met een half miljoen leden een belangrijke maatschappelijk macht. Hugenberg, leider van de DNVP, kreeg zitting in het kabinet als minister van Economische Zaken en minister van Landbouw, de leider van Stahlhelm Franz Seldte als minister van Arbeid.

    Een garantie tegen een overheersende positie van de NSDAP leek dat een flink aantal partijloze ministers die in de twee voorgaande kabinetten hadden gediend, overgingen naar het kabinet-Hitler. Tot hen behoorden de zwaargewichten Von Neurath, Von Krosigk en Franz Gürtner, die het vertrouwen hadden van de president, en die hun respectieve portefeuilles van Buitenlandse Zaken, Financiën en Justitie behielden. Zelf koos de president de minister van de Weermacht uit. Hij zocht voor deze post de apolitieke generaal Werner von Blomberg aan en benoemde hem nog vóór de installatie van het kabinet tot minister. Ten slotte was het voor Von Hindenburg een geruststellende gedachte dat zijn dierbare paladijn Franz von Papen als vice-kanselier een oogje in het zeil zou houden. De Nazi’s waren met Hitler als kanselier, Wilhelm Frick als minister van Binnenlandse Zaken en Hermann Goering als minister zonder portefeuille verre in de minderheid.

    Hitler wilde het kanselierschap alleen aanvaarden als de president de Rijksdag ontbond en nieuwe verkiezingen uitschreef. Letterlijk op de drempel – op de drempel van de zaal in het presidentiële paleis waar Von Hindenburg op het kabinet wachtte om het te beëdigen – ontwrong Von Papen aan Hitler de toezegging dat hij eerst met het katholieke Zentrum zou praten, alvorens de president ontbinding van de rijksdag in overweging te geven.

     

    Hitlers onderhandelingen met het Zentrum

     

    Na de beëdiging van het kabinet op maandag 30 januari 1933 vond in de namiddag de eerste ministerraadvergadering plaats. Het was een eufore voorzitter die de vergadering opende.

    “De rijkskanselier opende de vergadering en verklaarde dat miljoenen mensen in Duitsland deze dag, waarop een rijkskabinet onder zijn leiding door de heer de rijkspresident was benoemd, met gejuich wordt begroet. Hij verzocht de leden van het kabinet hem hun vertrouwen te schenken, dat hij van zijn kant in ieder kabinetslid had.”

    Met het eerste het beste voorstel dat Hitler aan de vergadering voorlegde versterkte hij de positie van de NSDAP partij in de regering. Op zijn voorstel werd in de machtige functie van staatssecretaris van de kanselarij in plaats van Erwin Planck Hans-Heinrich Lammers benoemd – waarschijnlijk wisten de meeste ministers niet dat de nieuwe staatssecretaris kort daarvoor lid van de NSDAP was geworden.

    Vervolgens stelde de voorzitter de politieke situatie aan de orde. De discussie die zich ontspon, cirkelde rond de vraag hoe het kabinet politiek meer armslag zou kunnen krijgen. Een optie was de KPD buiten de wet te stellen, haar leden uit de Rijksdag bannen en aldus een werkbare meerderheid in de Rijksdag proberen te verkrijgen. Hitler, die deze mogelijkheid opperde, verwierp hem meteen weer. Hij vreesde evenals de meeste ministers dat een verbod van de nog altijd sterke KPD tot een algemene staking zou leiden, die het hele economische leven zou verlammen. Hitlers vrees leek niet ongegrond. Die dag had de KPD onder de leuze ‘Für den Generalstreik gegen die fascistische Diktatur’ een oproep gedaan aan alle linkse krachten en aan de christelijke vakbeweging . Hitler zei als beste mogelijkheid te zien dat de Rijksdag vrijwillig zijn zittingen voor een tijd verdaagde, zodat het kabinet een poos ongestoord kon regeren. Dit zou echter alleen mogelijk zijn, voegde hij eraan toe, als het Zentrum meewerkte.

    Staande de vergadering werd besloten dat de kanselier hierover met de leiding van het Zentrum het gesprek zou aangaan. De partijvoorzitter, prelaat Ludwig Kaas, werd door Hitler voor een gesprek op dinsdag de 31e uitgenodigd, samen met de oud-kanselier Brüning. Brüning bleek wegens ziekte verhinderd. Kaas liet zich vergezellen door de fractievoorzitter van het Zentrum dr. Ludwig Perlitius; Hitler werd gesecondeerd door zijn partijgenoot minister Frick. Het gesprek, waarvan Perlitius een verslag heeft geschreven, begon kennelijk wat ongemakkelijk. De heren zaten enige tijd zwijgend tegenover elkaar, totdat de prelaat het zwijgen doorbrak met de woorden: ‘Herr Reichskanzler, wij zijn gekomen om te horen wat u ons wilt meedelen; wij hebben vooralsnog niets te zeggen.’

    Hitler stak nu van wal. Hij had tegen de president gezegd dat hij wilde beginnen met een uitnodiging aan het Zentrum voor overleg, ‘waartegen de heer rijkspresident geen bezwaar had’. Hij had graag het Zentrum in zijn kabinet opgenomen gezien, zei hij erbij, maar zijn regeringspartners en bovenal de katholieke Von Papen wilden dat niet. Ze moesten goed begrijpen dat niet hij, maar Von Papen het kabinet had geformeerd. Zijn eigen partij had maar drie zetels in het kabinet, op de keuze van de overige kabinetsleden had hij geen invloed kunnen uitoefenen. Hij zag het huidige kabinet echter als een ‘Ausgangsstelle’. Andere partijen konden wellicht later toetreden, spiegelde hij zijn gesprekspartner voor.

    Kaas onderbrak de woordenstroom met de vraag wat de kanselier van hen wilde. Hitler wilde, zei hij, dat de Rijksdag haar vergaderingen een jaar lang verdaagde en vroeg voor dit plan de steun van het Zentrum. Kaas reageerde zuinigjes. Een jaar was wel erg lang. Over een termijn van twee maanden viel misschien te praten; aan het eind daarvan kon worden bekeken of de termijn moest worden verlengd. Maar dan wilde hij wel eerst opheldering over de beleidsvoornemens van het kabinet. Toen Kaas enkele punten noemde en zag dat Frick ze ijverig begon te noteren, zei hij dat dat niet nodig was. Hij zou de punten vóór vijf uur die middag schriftelijk op de kanselarij indienen.

    ’s Middags deed Hitler in de ministerraad verslag van zijn gesprek met de leiders van het Zentrum. Hij had de indruk gekregen, zei de kanselier, dat het Zentrum en zijn katholieke zusterpartij, de Bayerische Volkspartei, BVP, het kabinet wel gedoogsteun zouden geven, maar op katholieke steun voor een verdaging van de vergaderingen van de Rijksdag gedurende een jaar konden ze niet rekenen. Daarvoor had Kaas te veel slagen om de arm gehouden. Hij zag nu nog maar één oplossing, verklaarde Hitler: ontbinding van de Rijksdag en weer nieuwe verkiezingen. Hij hield het alleszins voor mogelijk ‘bij nieuwe verkiezingen 51% van de Rijksdag achter de regering te krijgen’. Hij wilde de heren twee dingen beloven. In de eerste plaats dat hij, hoe de verkiezingen ook uitvielen, geen wijzigingen in de samenstelling van het kabinet zou aanbrengen, in de tweede plaats dat dit de laatste verkiezingsronde zou zijn.

    Het was een waslijst van vragen die Kaas die middag nog op de kanselarij bezorgde. Een zinvolle vraag was of het kabinet toezegde binnen de grenzen van de grondwet te zullen blijven. Er waren echter ook vragen naar het sociale, economische en monetaire beleid dat het kabinet dacht te voeren, die niet een-twee-drie te beantwoorden waren. Dit laatste was ook wat de kanselier een dag later schriftelijk antwoordde. De prelaat had hem kennelijk niet goed begrepen. Wat hij het Zentrum had gevraagd was: geef ons een jaar, dan zult u het antwoord zien op uw vragen. De tijd drong. Hij zag nu geen andere mogelijkheid meer, schreef Hitler aan Kaas, dan ontbinding van de Rijksdag en nieuwe verkiezingen. Om de katholieken niet van zich te vervreemden bood Hitler het perspectief van een verbreding van de coalitie na de verkiezingen.

    De prelaat sputterde in een brief van 2 februari nog wat tegen. ‘Herr Reichskanzler’ had toch tenminste een ‘summarische Beantwortung’ van zijn vragen kunnen geven. De katholieke partijleider klaagde er nu ook over dat Zentrum en BVP helemaal buiten de kabinetsformatie waren gehouden, terwijl de opdracht van de president aan Von Papen toch was geweest eerst de mogelijkheid van een meerderheidsregering te onderzoeken. Het was mosterd na de maaltijd. Op 1 februari was het presidentiële communiqué uitgegaan waarin de Rijksdag werd ontbonden, ‘nadat de vorming van een werkzame meerderheid gebleken is niet mogelijk te zijn,’ meldde het communiqué. Er werden nieuwe verkiezingen aangekondigd op 5 maart 1933 .

    Dezelfde dag ging van het kabinet een ‘Oproep aan het Duitse volk’ uit. Als de kiezers de regering de ruimte daartoe verschaften, dan beloofde zij binnen vier jaar de werkloosheid op te lossen, de boerenstand uit zijn ellende te halen en Duitsland als gelijkberechtigde natie terug te voeren in de volkerengemeenschap. De oproep eindigde met de opwekking: ‘Nun deutsches Volk gibt uns die Zeit von vier Jahren and dann urteile und richte uns.’ Als het Hitler zou lukken een electorale meerderheid achter zijn kabinet te krijgen, zou hij heel wat meer armslag krijgen dan het ene jaar respijt dat hij tevergeefs van prelaat Kaas had proberen los te krijgen.

    Alvorens de dagelijkse regeerarbeid ter hand te nemen verschafte het kabinet zich een steun in de rug door de presidentiële noodverordening ‘Ter bescherming van het Duitse volk’, waarvan het parool luidde ‘Angriff des Marxismus’. Met de presidentiële noodverordening werden door de coalitie van conservatieve krachten in het kabinet-Hitler tegelijk met de communisten de socialisten in de ban gedaan, terwijl de katholieken gedwee in het voorportaal wachtten om toegelaten te worden.

     

    Coalitiekabinet

     

    Gedurende de 28 dagen tussen de machtsovername en de Rijksdagbrand heeft het kabinet veelvuldig vergaderd. De Akten in het Bundesarchiv te Berlijn bevatten de notulen van niet minder dan 21 vergaderingen die door Hitler werden voorgezeten. Het zijn kabinetsvergaderingen, ministervergaderingen, vergaderingen van onderraden uit de ministerraad en ‘Chefbespechungen’. In de literatuur over het Derde Rijk en in biografieën van Hitler wordt aan deze notulen weinig aandacht besteed, reden waarom we er gedetailleerd op ingaan. De notulen geven de gedachtewisseling weer in de indirecte rede, met hier en daar letterlijke citaten – niet anders dan ministerraadvergaderingen in ons land worden genotuleerd.

    Hitler leidde de vergaderingen en nam vooral aan de discussie deel wanneer de politieke situatie werd besproken; bij technische onderwerpen beperkte hij zijn inbreng tot het stellen van prioriteiten en het aandragen van criteria waaraan de prioriteitsstelling moest worden getoetst. Een steeds terugkerend criterium dat Hitler bij de besluitvorming naar voren brengt is het effect van te nemen maatregelen op de komende verkiezingen.

    Ingevolge de grondwet van Weimar (artt. 52-58) was het rijkskabinet een ‘collegiaal orgaan’ [Kollegialorgan], waarin over te nemen besluiten gemeenschappelijk moest worden beraadslaagd en met meerderheid van stemmen beslist. De voorzitter gold als niet meer dan de eerste onder zijn gelijken. De annotator van de notulen stelt vast: ‘In de eerste weken werd verregaand aan deze constitutionele grondregel vastgehouden.’ Dit is inderdaad het beeld dat de notulen van die eerste weken van het kabinet-Hitler I geven.

    Het eerste technische onderwerp waarover het kabinet beraadslaagde was de hernieuwing van het handelsverdrag met Nederland, dat op 1 januari 1933 was geëxpireerd. Hitler wees op het effect van de Nederlandse import op de kiezer – ‘Speck aus Holland,’ zo vatte hij dat effect samen en plaatste de kwestie in het teken van de verkiezingsstrijd. De Duits-Nederlandse handelsbetrekkingen lijken een nogal futiel onderwerp, maar dat waren ze niet. Het kabinet-Schleicher had aan het expirerend handelsverdrag al een vergadering gewijd; tijdens de eerste weken van het kabinet-Hitler I verscheen het vier keer op de agenda.

    De Duitse uitvoer naar Nederland vormde ongeveer 10% van de totale Duitse export; omgekeerd gold ongeveer eenzelfde percentage. Duitland exporteerde naar Nederland vooral industrieproducten, Nederland naar Duitsland landbouwproducten. In waarde verschilden de twee goederenstromen beduidend. In 1931 bedroeg het Duitse exportoverschot met Nederland 571 miljoen RM. Dat was een substantieel bedrag. Nederland was met Rusland de belangrijkste handelspartner van Duitsland.

    De handelsbetrekkingen met Nederland vormden een weerbarstige materie. Het groene front wilde dat de Nederlandse invoer van landbouwproducten werd beperkt door drastische verhoging van de invoerrechten, anderzijds wilde de Duitse industrie, waarvoor Nederland een belangrijk exportland was, de Nederlandse onderhandelaars niet kopschuw maken. Door het kabinet-Schleicher was met zorg geconstateerd dat het Nederlandse bedrijfsleven al eens in reactie op beperking van de Nederlandse invoer met succes een boycot van Duitse producten had gepropageerd. Het kabinet-Schleicher had onder druk van het groene front geopteerd voor een drastische, algemene verhoging van de invoerrechten op landbouwproducten; daarvan zou vooral Nederland de dupe worden. Het kabinet-Hitler stond voor de keuze of het dit beleidsvoornemen al dan niet wilde effectueren.

    Hugenberg verdedigde in zijn hoedanigheid van minister van Landbouw de verhoging van de invoerrechten, minister van Buitenlandse Zaken Von Neurath bepleitte echter om de Nederlandse onderhandelaars voor flinke contingenten landbouwproducten een verlaagd invoerrecht aan te bieden. Men bespeurt in de notulen hoe de kanselier de besluitvorming over het Duits-Nederlandse handelverdrag beziet vanuit het electorale effect ervan. Enerzijds moet hij het electoraat op het platteland in de gaten houden, anderzijds mag hij de industriebaronnen niet van zich vervreemden, en dient hij het stedelijk electoraat, dat betaalbare prijzen wil voor de Nederlandse kwaliteitsproducten, te vriend te houden.

    In een algemene beschouwing over de nationale economie in de ministerraadvergadering van 2 maart geeft de kanselier uiteindelijk als zijn opvatting te kennen dat de industrie het trekpaard is van de Duitse economie; begunstiging van de industrie zal uiteindelijk ook de boeren ten goede komen. Daarom acht hij het geboden om landen waarmee Duitsland een exportoverschot heeft gunstigere handelsbetrekkingen aan te bieden dan aan de overige landen. Met deze richtlijn werd Hugenberg in zijn hoedanigheid van minister van Economische Zaken door het kabinet opgedragen de onderhandelingen met de lastige Hollanders over de hernieuwing van het handelsverdrag voort te zetten.

    Het kabinet-Hitler had met zijn belofte in Oproep aan het volk, om binnen vier jaar het werkloosheidsprobleem op te lossen, hoog ingezet. De kanselier wilde echter dat met de verkiezingen in het vooruitzicht terughoudendheid werd betracht over de wijze hoe dit moest worden bereikt. Want een economisch program dat een meerderheid van de kiezers zou aanspreken ‘is op de hele wereld niet te vinden’, stelde hij nuchter vast, en verklaarde dat economische hervormingen pas konden worden gelanceerd zodra de regering een overtuigend mandaat van de kiezers had.

    Een maatregel ter bestrijding van de werkloosheid waarvan in nationaal-socialistische kring veel werd verwacht was de invoering van een verplichte arbeidsdienst. Er bestond in Duitsland al enige jaren een vrijwillige arbeidsdienst voor jeugdige werklozen van particuliere organisaties, die sedert 1931 van staatswege financieel werd gesteund. Met het aantreden van het kabinet-Hitler kreeg de arbeidsdienst, die een taak werd toebedeeld in de Gemeinschaftsbildung, een ideologische lading. In de Oproep aan het Duitse volk was de arbeidsdienst tot Grundpfeiler van het opvoedingssysteem verheven. De consequentie was dat een rijksorganisatie voor de verplichte arbeidsdienst moest worden opgezet.

    Het initiatief daarvoor raakte bekneld in een ambtelijke stammenstrijd over de vraag of de dienst deel moest worden van het departement van Arbeid dan wel een onafhankelijk orgaan zou worden. Terwijl deze strijd gaande was, moest het hele plan in de ijskast worden gestopt, omdat op de ontwapeningsconferentie in Genève een meerderheid van de vertegenwoordigde landen zich tegen een verplichte arbeidsdienst uitsprak.

    In de notulen van de eerste weken van het kabinet-Hitler kan men een glimp opvangen van de onzekerheid waarmee de nieuwe kanselier positie zoekt in het debat tussen een liberale en een socialistische economie. De eerste keer dat Hitler als kanselier in een discussie socialisme versus kapitalisme verzeild raakte, was toen in de onderraad voor Economische Aangelegenheden de vraag aan de orde was wat men aan moest met de aandelen van het rijk in het mijnbedrijf Gelsenkirchen en in de Dresdener Bank. Hugenberg vond dat ze niet in staatshanden konden blijven, doch evenmin aan ‘het grootkapitaal’ mochten worden uitgeleverd. Zijn voorstel was een participatiemaatschappij in het leven te roepen, waarin de coöperatieve rijksspaarbank een meerderheidsbelang zou moeten krijgen.

    Hitler excuseerde zich dat hij zich over het agendapunt nog geen duidelijke mening had gevormd, en daarom het effect van de voorgestelde oplossing op de verkiezingen niet kon inschatten. Wel sprak hij de verwachting uit dat wat Hugenberg ook voorstelde naar gelang van de instelling van de critici als verkapt staatssocialisme dan wel als concessie aan het grootkapitaal zou worden gekarakteriseerd. Hervormingen hadden tijd nodig, betoogde hij; Italië was er het bewijs van. Ook nu weer pleitte hij ervoor te wachten totdat de kiezers zich over de regering had uitgesproken.

    Op een wat andere manier kwam de problematiek op 21 februari in de ministerraad aan de orde toen moest worden beslist of de koper- en zinkmijnen in Braunsweig, die dreigden failliet te gaan, met rijkssteun overeind gehouden moesten worden. De eerste impuls van de voorzitter was, verklaarde hij, ‘dat subsidiëring van noodlijdende private bedrijven in strijd is met alle economische grondslagen’. Maar, voegde hij eraan toe, het ging hier om de levenskansen van bedrijven die onontbeerlijk zouden zijn voor de Duitse herbewapening. Hij stemde daarom in met het voorstel van de minister van Financiën de noodlijdende mijnen voorlopig met subsidie op de been te houden. Wanneer ze straks hun producten konden leveren aan de wapenindustrie zouden ze weer levensvatbaar worden en op eigen benen kunnen staan, was de inschatting van de kanselier.

    Nadat besloten was tot ontbinding van de Rijksdag en tot nieuwe verkiezingen, leidde een gedachtewisseling in de ministerraad op 2 februari tot een pikante aanvaring tussen de kanselier en zijn partijgenoot Frick. De minister van Binnenlandse Zaken herinnerde de ministerraad eraan dat het kabinet-Brüning in het verkiezingsjaar 1930 een half miljoen RM had gestoken in een actie ‘Ter voorlichting van de bevolking over de beleidsvoornemens en doelstellingen van de regering’, die in feite louter verkiezingspropaganda was geweest. Frick vond dat dit kabinet best een miljoen RM in zíjn verkiezingscampagne kon steken. De minister van Financiën hield zijn collega evenwel voor dat een regering die een zuinige overheid preekte met wat hij voorstelde een bijzonder slechte beurt zou maken. De kanselier viel Krosigk bij en kapittelde zijn partijgenoot met de woorden ‘dat het voorstel van de rijksminister van Binnenlandse Zaken niet zijn sympathie heeft’.

    In de lange ministerraadvergadering van 8 februari deed Frick enkele concrete voorstellen om de kiezer voor de regering te winnen. Op zijn voorstel werd besloten de oorlogsinvaliden tegemoet te komen door de voorgenomen korting op hun pensioenen met een rijksuitkering te compenseren. Een tweede maatregel, die hij voorstelde, was afschaffing van de impopulaire eigen bijdrage van 50 Pfennig voor ziekenfondspatiënten bij bezoek aan de dokter. De kanselier maakte zich tot tolk van de onvrede die hierover in den lande heerste. Hij vond het zeer bedenkelijk dat iemand die ziek werd, gestraft werd met een boete omdat hij of zij naar de dokter moest. De hele bijdrage moest worden afgeschaft, ‘omdat zij vom Volksempfinden als onrechtvaardig wordt beschouwd’. De minister van Financiën wees er echter op dat de invoering van de eigen bijdrage in 1930 een effectieve maatregel was gebleken om het beroep op de ziekenfondsen in te dammen. Sedertdien was het bezoek aan de dokter met 25% gedaald. De kanselier stelde voor het agendapunt aan te houden.

    Op 21 februari werd er opnieuw over vergaderd. Nu was het minister van Arbeid Seldte die handhaving van de eigen bijdrage bepleitte. Zijn motief was de patiënten spaarzaamheid in hun medische consumptie bij te brengen. Hitler liet niet af. Als er spaarzaamheid moest worden betracht, dan diende de ziekenfondsen het goede voorbeeld te geven, vond hij. Minister Krosigk viel de voorzitter hierin bij. Hij had de totale uitgaven van de ziekenfondsen laten uitrekenen en geconstateerd dat, terwijl de ziektekosten waren gedaald, de administratiekosten van de fondsen waren gestegen. Hugenberg kwam met het voorstel de eigen bijdrage terug te brengen tot 25 Pfennig en tegelijkertijd de ziekenfondsen te dwingen hun administratiekosten te verminderen. De rijkskanselier greep dit compromis gretig aan. Bij een goede presentatie van beide maatregelen verwachtte hij daarvan een gunstige reactie van de kiezers.

    Een derde, al even marginale, maatregel om de gunst van de kiezer te winnen was Fricks voorstel om boterfabrieken te verplichten roomboter, die voor de arbeider onbetaalbaar was, goedkoper te maken door de dure boter te mengen met goedkope margarine – waarmee, zo werd opgemerkt, in Holland goede resultaten waren bereikt.

    Ook de boerenstand moest voor de regering worden gewonnen. De kanselier kwam al op 31 januari met het drastische voorstel om bij insolventie van kleine boeren een gedwongen verkoop van hun roerend en onroerend goed op te schorten. Zowel minister van Justitie Gürtner als Hugenberg kwam ertegen op. Ze maakten duidelijk dat wat de kanselier voorstelde het hele agrarische krediet- en hypotheekwezen zou ondermijnen. Het onderwerp Zwangsvolstreckungsschutz kwam telkenmale terug op de agenda. Frick plaatste op 8 februari ook deze maatregel in het teken van de aanstaande verkiezingen. De minister van Justitie kwam uiteindelijk met een wettelijke regeling ter beperking van de gedwongen verkoop van boerenbezit die zoveel uitzonderingen bevatte dat het effect minimaal was. De kanselier legde zich er maar bij neer.

     

    De Rijksdagbrand

     

    Op 3 februari 1933 stelde Goebbels na een bespreking met Hitler in zijn dagboek tevreden vast dat de nieuwe verkiezingscampagne een stuk gemakkelijker zou worden dan de voorgaande ‘want we kunnen een beroep doen op alle staatsmiddelen’ . De verkiezingscampagne werd op 10 februari geopend met een spectaculair optreden van de kanselier in het met hakenkruisen behangen Sportpalast te Berlijn. In zijn langdurige rede, die over de radio werd uitgezonden, herhaalde Hitler de beloften van de Oproep aan het Duitse volk, die zijn kabinet op 2 februari had laten uitgaan, maar vermeed angstvallig er concrete invulling aan te geven. Evenals in de Oproep vroeg hij van de kiezers een mandaat voor vier jaar, en om daarna zijn regering te beoordelen. Verwachtingsvol beëindigde Hitler zijn toespraak met de overtuiging ‘dat ooit het uur zal komen dat de miljoenen die ons vandaag nog haten, zich ooit achter ons zullen scharen’. In de verkiezingstoespraken die Hitler in de daaropvolgende weken hield, herhaalde hij het thema uit zijn rede in het Sportpalast, dat hij lardeerde met felle aanvallen op het marxisme, om de kiezer weg te lokken van de twee concurrenten KPD en SPD.

    Alhoewel Hitler verscheidene verkiezingstoespraken hield, was zijn betrokkenheid bij de campagne lang niet zo intensief als bij de voorgaande verkiezingen, toen hij, vliegend over Duitsland, drie tot vier redevoeringen op één dag hield. Hitlers primaire aandacht gold zijn bestuurlijke verplichtingen als kanselier in Berlijn. Talrijke verzoeken die hem als kanselier en partijleider werden gedaan om herdenkingen en partijevenementen in den lande met zijn aanwezigheid te vereren, werden vriendelijk maar beslist afgewezen met het motief dat de kanselier het te druk had met regeren.

    Op 27 februari 1933 was Duitsland in afwachting van wat de verkiezingen over zes dagen brengen zouden. De leider van de NSDAP had zich in Duitsland, mede dankzij de inzet van alle daartoe beschikbare middelen van de staat, geprofileerd als een nationale figuur, maar wat hij als staatsman waard was was nog ongewis. Hij had grootse verkiezingsbeloften gedaan, maar bij menig kabinetsberaad had hij laten blijken dat het wachten was op het mandaat van de kiezer voordat de beloften geconcretiseerd konden worden.

    Op enkele terreinen had hij nieuw beleid uitgezet, zoals zijn plan de dienstplicht weer in te voeren, zoals hij op 3 februari op een bijeenkomst van de legertop had verklaard, en zijn kennelijke voornemen de parlementaire democratie af te schaffen, zoals hij op 20 februari in een toespraak tot vooraanstaande industriëlen liet doorklinken . Deze plannen waren echter binnenskamers gebleven. Een verstrekkend beleidsvoornemen dat wel openbaar was geworden, de verplichte arbeidsplicht, was getorpedeerd, en nog wel door buitenlandse krachten. Wat er overbleef aan beleidsmaatregelen van het kabinet-Hitler I was erg mager. Toen gebeurde evenwel iets dat alle aandacht afleidde van de dagelijkse politiek. In de nacht van 27 op 28 februari zette de jonge Nederlandse radencommunist Marinus van der Lubbe de Rijksdag in lichterlaaie.

    Aan de twee psychologen die van der Lubbe na zijn arrestatie wekenlang ondervroegen en observeerden, heeft hij het motief van zijn daad uitgelegd. Hij wilde ermee teweegbrengen wat Hitler zozeer vreesde, namelijk een algemene staking. De Nederlandse communist had daarbij naar zijn zeggen een historisch precedent voor ogen, dat ongetwijfeld ook Hitler voor ogen had gehad, toen hij ervoor terugschrok de KPD buiten de wet te plaatsen. Dit was de Kapp Putch van maart 1920. De rechts-radicale staatsgreep was door een algemene staking, waartoe de linkse krachten hadden opgeroepen, binnen 48 uur in de kiem gesmoord.

    an der Lubbe was verbijsterd dat de algemene staking waartoe de KPD had opgeroepen niet was doorgezet. Toen hij op 18 februari in Berlijn arriveerde, bemerkte hij dat KPD-afdelingen die hij bezocht geen enkele actiebereidheid toonden, doch zich door de politie lieten intimideren. Hij meende dat de Berlijnse arbeiders een signaal moest worden gegeven om hen alsnog tot een algemene staking te bewegen. Na enkele vergeefse brandstichtingpogingen besloot hij het gebouw van de Rijksdag in brand te steken. Van der Lubbe verzekerde zijn ondervragers dat het een éénmansactie was geweest.

    Van der Lubbe is een tragische held: der Man der das Gute will, doch das Böse schaft. Dat in een land waar ongeveer de helft van het arbeidspotentieel werkloos was, de arbeiders tot een algemene staking te bewegen zouden zijn, was een illusie. Nadat Van der Lubbe zich bewust was geworden wat hij had aangericht, verviel hij tot lethargie. Zowel de Nazi’s als de communisten beweerden dat hij in feite het werktuig was geweest van krachten achter hem, die hij helemaal niet kende. Toen Van der Lubbe zeven maanden na de brand voor zijn rechters stond, toonden krantenfotoos een jonge arbeider in boevenpak die moedeloos het hoofd op de borst liet rusten, terwijl hij willoos de snot uit zijn neus liet druppen. Hij had niets van een held, doch leek een zwakzinnige crimineel, die afschuw of hooguit medelijden wekte.

    Wat Van der Lubbe had aangericht maakte Hitler duidelijk in de ministerraadvergadering de ochtend na de brand: “Der Reichskanzler führte aus, dasz jetzt eine rücksichtslose Auseinandersetzung mit der KPD dringend geboten sei. Der psychologisch richtige Moment für die Auseinandersetzung sei nunmehr gekommen (…) Nachdem die Brandstiftung im Reichstaggebäude sich ereignet habe, zweifle er nicht mehr daran, dasz die Reichsregierung nunmehr bei den Wahlen 51% erobren werde.“

    Heel Duitsland was geschokt door wat de meeste Duitsers voor een communistische aanslag aanzagen. Göring gaf orders de hele partijtop van de KPD, inclusief de rijksdagleden, gevangen te zetten. Van der Lubbe had Hitler op een presenteerblaadje de kans geboden om te doen wat hij 30 januari niet had aangedurfd, namelijk de communisten buiten de wet stellen. Om te voorkomen dat het hele communistisch electoraat naar de SPD zou overgaan, werd de KPD evenwel niet afgevoerd van de kieslijsten.

    Daags na de brand werd de presidentiële noodverordening Zum Schutz von Volk und Staat afgekondigd, waarvan de uitvoering was opgedragen aan de minister van Binnenlandse Zaken, en die onmiddellijk in werking trad. De verordening stelde verscheidene artikelen van de grondwet die de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van vereniging en vergadering waarborgden buiten werking. Zij verleende de politie de bevoegdheid verdachten te arresteren en om ze zonder gerechtelijk bevel voor onbepaalde tijd in ‘Schutzhaft’ te houden. Ter waarborging van de nakoming van de verordening plaatste het presidentiële decreet de deelstaten onder toezicht van het rijk. Ten slotte stelde de noodverordening op een aantal misdrijven met terugwerkende kracht de doodstraf.

    Paragraaf 5 van de verordening, waarin de terugwerkende kracht van de strafbepalingen werd vastgelegd, stelde een van de grondslagen van het strafrecht buiten werking: de nulla poena regel . Dit rechtsbeginsel, dat door de Duitse rechtsgeleerde Feuerbach in het begin van de 19e eeuw is geformuleerd, houdt in dat geen strafvonnis kan worden gewezen dan op grondslag van een voorafgaande wet. Ondanks een protest van de Nederlandse regering wegens schending van de nulla poena regel werd Marinus van der Lubbe op 10 januari 1934 onthoofd.

     

    De Machtigingswet

     

    De Rijksdagbrand had inderdaad het door Hitler voorspelde effect. De NSDAP boekte een winst van 10% en kwam op 43,6% van de stemmen, de DNVP kreeg 8,3% De coalitieregering had thans een, zij het krappe, meerderheid van 51,9%. De regering had weliswaar een meerderheid van de kiezers achter zich gekregen, in de Rijksdag was een tweederde meerderheid, die nodig was voor een machtigingswet, nog niet zeker . Ondanks alle intimidatie had de KPD toch nog rond 12 % van de stemmen verkregen, de SPD rond de 18 %. Links had dus in totaal nog 30%. De katholieken bezetten met bijna 14% van de stemmen een sleutelpositie.

    De kansen van een machtigingswet werden gewogen in de ministerraadvergadering van 15 maart. Frick rekende voor dat ze Zentrum en BVP niet nodig hadden als ze de communistische zetels in de Rijksdag eenvoudigweg ecarteerden. Göring zei dat hij zo nodig ook nog wat socialistische afgevaardigden kon laten opsluiten. Gezocht werd naar een wat elegantere aanpak, vooral ook vanwege het effect ervan op het buitenland. De communisten zouden worden geweerd uit de Rijksdag, maar hun zetelaantal zou bij de berekening van de tweederde meerderheid wel worden meegeteld.

    Dat betekende dat de katholieken nodig waren voor de machtigingswet. Eerder al had Von Papen de ministerraad bericht dat prelaat Kaas na de verkiezingen hem had gezegd dat hij een streep onder het verleden wilde zetten en, zo had Von Papen erbij verteld: ‘overigens heeft hij de medewerking van het Zentrum aangeboden’.’ Dat klonk veelbelovend. Op 20 maart vertelde de kanselier in de ministerraad dat hij een delegatie van Zentrum en BVP had ontvangen. De katholieke partijen waren bereid hun stem aan een machtigingswet te geven, mits de regering akkoord ging met een kleine parlementaire commissie die op de hoogte zou worden gehouden van de besluiten welke op grond van de machtigingswet zouden worden uitgevaardigd. De kanselier had dit alvast toegezegd, zei hij. Er werd een koers uitgezet waarbij het naar buiten zou lijken dat het initiatief voor de machtigingswet van de Rijksdag zelf uitging.

    Op 23 maart verscheen de rijkskanselier voor de nieuw gekozen Rijksdag, die voor zijn vergaderingen naar de Kroll opera was uitgeweken. Hitler deed allerlei beloften [die hij weldra met voeten zou treden). De stemming over de machtigingswet werd wat de katholieken betreft een beschamende vertoning. Een deel van de fractie onder leiding van Brüning vond dat het kabinet, nu het een meerderheid van de kiezers achter zich had, het zonder machtigingswet moest afkunnen. Maar Kaas had ter wille van het concordaat, waarover het Vaticaan in onderhandeling was met Duitsland, Hitler katholieke steun voor de machtigingswet toegezegd . Hij onderdrukte de dreigende opstand van de Brüning-vleugel met de woorden: ‘Het land is in gevaar, we mogen op dit cruciale uur niet falen.’ De hele fractie stemde uiteindelijk voor de machtigingswet. De wet werd met 94 stemmen tegen van de SPD aangenomen. Hij trad meteen in werking. Het Duitse parlement had zichzelf, dankzij de steun van de katholieken, opgeheven!

    De machtigingswet, die de cynische titel ‘Wet ter opheffing van de nood van Volk en Rijk’ meekreeg, verleende de regering vergaande volmachten. De wetgevende macht van de Rijksdag ging over naar de rijksregering; zij kon buiten enige controle van de Rijksdag wetten opstellen en verdragen sluiten die in strijd waren met de grondwet; de uitvaardiging van alle regeringsmaatregelen werd in handen gelegd van de kanselier. Met de inwerkingtreding van de wet kreeg de straatterreur van SA, SS en Stahlhelm een legitimering als staatsterreur; weldra verrezen de eerste concentratiekampen.

    Hitler kwam zijn belofte, het kabinet na de verkiezingen ongewijzigd te laten, niet na. Geleidelijk veranderde het kabinet in het éénpartijkabinet, waarvoor Hindenburg zo bevreesd was geweest, maar dat hij nu gelaten toeliet. Direct na de verkiezingen trad Goebbels toe tot het kabinet als minister van propaganda. Bij hem voegden zich in de volgende maanden de Nazi-ministers Hess, Darré, Rust, Röhm en Schmitt, terwijl Hjalmar Schacht directeur-generaal van de Rijksbank werd. Hugenberg verdween uit het kabinet, en daarmee de coalitiepartner DNVP. Uiteindelijk verdween ook vice-kanselier Von Papen, die als presidentiële waakhond had moeten fungeren. Seldte van Stahlhelm en de zetelvaste, partijloze Von Neurath, Von Krosigk en Gürtner bleven zitten, evenals Von Blomberg. Al met al eindigde met de verkiezingen van 5 maart het kabinet Hitler I, en begon het kabinet-Hitler II.

    Niet alleen de samenstelling ook de werkwijze van het kabinet-Hitler II veranderde. Hitlers rechterhand Lammers liet de ministers weten dat de kanselier af wilde van het eindeloos vergaderen. Ministerraadbesluiten konden voor zover nodig interdepartementaal worden voorbereid; het resultaat daarvan diende voortaan via Lammers aan Hitler te worden voorgelegd. De vergaderfrequentie van de ministerraad en van zijn onderraden nam daarna drastisch af.

    Evenals het kabinet veranderde zijn voorzitter van gedaante. Werd de voorzitter in de notulen van de ministerraad van het kabinet-Hitler I aangeduid als ‘Kanzler’, in de notulen van kabinet-Hitler II werd het ‘[i]Kanzler und Führer’. Na de dood van Von Hindenburg op 2 augustus 1934 heette de voorzitter van de nieuwe regering, die de functie van president aan zijn functie van kanselier toevoegde, in de notulen van de steeds zeldzamer wordende kabinetsvergaderingen alleen nog ‘Der Führer’.

     

    Was wäre geschehen?

     

    De vraag lijkt wat er zou zijn gebeurd als de Berlijnse arbeiders het signaal dat Van der Lubbe wilde geven, hadden verstaan en spontaan tot een algemene staking waren overgegaan. Dit is echter wat we eerder een anachronistische vraagstelling noemde. Het momentum voor een algemene staking was allang voorbij. De oproep van de KPD voor een algemene staking op 30 januari had slechts effect kunnen sorteren als de SPD zich erbij had aangesloten. In enkele steden bestond inderdaad onder de gewone leden van beide arbeiderspartijen bereidheid om tegen het Nazigevaar samen op te trekken.

    Op 31 januari waren vooraanstaande SPDers en vakbondsleiders in Berlijn bijeengekomen om voorbereidingen te treffen voor een landelijke staking. De partijtop schrok er echter voor terug om thans met de vijand van zoveel jaren, de communisten, samen op te trekken. Ze had ook weinig fiducie in een staking, omdat het bedrijven en overheidsinstellingen niet moeilijk zou vallen onder het miljoenenleger werklozen stakingsbrekers te rekruteren. Ongetwijfeld zou een algemene staking op een bloedig treffen zijn uitgelopen tussen SA en Stahlhelm en de paramilitaire organisaties van KPD en SPD, Rotfront en Reichsbanner.

    Het socialistische partijblad Vorwärts had meteen op 30 januari verklaard dat de SPD zich strikt aan de grondwet en de wet zou houden. Na enkele demonstraties direct na 30 januari hadden ook KPD en Rotfront zich opvallend passief getoond – zoals ook Van der Lubbe had bemerkt. De Britse historicus J. Evans stelt vast: ‘Het feit dat de communisten nauwelijks in actie kwamen, weerspiegelt vooral de overtuiging van de partijtop van de KPD dat de nieuwe regering – de laatste stuiptrekking van het stervende kapitalisme – het niet langer dan een paar maanden zou uithouden.’ . De Duitse communistische strategen volgden daarmee de diagnose van het Komintern, dat er precies zo over dacht. Van der Lubbes poging met zijn brandstichting in het gebouw van de Rijksdag de Berlijnse arbeiders tegen het kabinet-Hitler in het geweer te brengen was een losse flodder.

    Reëler is de vraag wat er zou zijn gebeurd als er géén Rijksdagbrand was geweest – bijvoorbeeld doordat Van der Lubbe bij zijn poging op 25 februari brand te stichten in een kantoor van de sociale dienst in de kraag was gevat en in een politiecel was beland. In dat geval was het zeer de vraag geweest of de Nazi’s zo’n eclatant verkiezingsresultaat zouden hebben geboekt. De electorale ontwikkelingen tot dan toe doen het tegendeel vermoeden. Weliswaar was de NSDAP binnen enkele jaren de grootste partij van Duitsland geworden, zij had echter bij de laatste rijksdagverkiezingen van november 1932 een gevoelig verlies geleden ten opzichte van die van juli dat jaar; zij had anderhalf miljoen stemmen verloren, en was van 37% teruggevallen tot 33%. Het leek er veel op dat de Nazi’s over hun top heen waren.

    Had de dalende lijn zich voortgezet en was de NSDAP bij de verkiezingen van 5 maart 1933 blijven steken op rond 30%, dan was Hitler niet als overwinnaar uit de verkiezingen tevoorschijn gekomen, doch had hij, bij het publiek, maar ook binnen zijn partij, het stigma gekregen van een loser, die in een half jaar tijd 20% van zijn aanhang had verloren. Wat zou er dan na 5 maart 1933 zijn gebeurd? Er zijn meerdere scenario’s te bedenken.

    Aangenomen dat de DNVP zich electoraal had weten te handhaven, dan hadden de twee coalitiepartners samen rond 38% van de stemmen gekregen. Bij deze uitslag was een automatische verlenging van het mandaat van Hitlers eerste kabinet niet vanzelfsprekend geweest. Er is aanleiding te veronderstellen dat president Hindenburg in dat geval de kanselier naar het Zentrum had gestuurd om te onderhandelen over een verbreding van zijn coalitie. De partijvoorzitter van het Zentrum had op 2 februari bij de president zich erover beklaagd dat diens besluit tot ontbinding van de Rijksdag was gemotiveerd met de bewering dat er geen meerderheidskabinet te formeren zou zijn geweest. Ter weerlegging daarvan had de prelaat in de brief aan de president zijn briefwisseling met de kanselier bijgevoegd. Het ontbindingsbesluit was genomen voordat de onderhandelingen goed en wel begonnen waren, klaagde Kaas.

    Een toetreden van de katholieken tot een kabinet-Hitler II zou zijn prijs hebben gehad, zoals valt af te leiden uit de vraagpunten die de katholieke partijleider op 30 januari aan de kanselier had voorgelegd, nadat deze hem om medewerking had verzocht voor een vrijwillig reces van de Rijksdag. De coalitie zou grote interne tegenstellingen hebben gekend, en binnen het Zentrum zouden zich spanningen hebben geopenbaard tussen de vleugel-Brüning en de vleugel-Kaas. Een coalitie NSDAP, DNVP en Zentrum met BVP had een krappe meerderheid gehad, maar zou gezien de linkse oppositie in de Rijksdag nimmer de tweederde meerderheid, nodig voor een machtigingswet, hebben kunnen vergaren. Al met al lijkt het waarschijnlijk dat ook dit presidentiële kabinet na korter of langer tijd aan zijn eind was gekomen, of in weer nieuwe Rijksdagverkiezingen ten onder was gegaan.

    Er moet evenwel ook een ander scenario onder ogen worden gezien. In zijn toespraak tot de industriëlen op 20 februari 1933 had Hitler gezegd: “Er zijn twee mogelijkheden: ofwel een terugdringen van de tegenstanders langs de grondwettelijk weg, en ter wille daarvan nog eenmaal verkiezingen, ofwel het wordt een strijd met andere wapenen, die wel eens grote offers zou eisen. Ik zou dit laatste graag vermeden zien.”

    Misschien heeft Hitler deze dreigende taal laten horen om de industriëlen ertoe te brengen voor zijn verkiezingskas diep in de buidel te tasten. Het is echter evenzeer denkbaar dat Hitler de industriëlen duidelijk wilde maken dat bij een uitblijven van een eclatant verkiezingssucces van zijn partij een gefrustreerde SA, die aan de macht had geroken – en door Göring al als hulppolitie in Pruisen was ingeschakeld – op een machtsgreep zou aansturen. Wie zou daarvan de leiding op zich hebben moeten nemen? Hitler? Zou hij de pluche van zijn kanseliersambt hebben ingeruild voor de hardship van de barricaden? – hij had tien jaar eerder al eens in Beieren de barricaden beklommen, en dat was hem slecht bekomen.

    Voorzag Hitler een machtsgreep onder leiding van Ernst Röhm, de commandant van de SA? Dat was voor hem geen aantrekkelijk vooruitzicht. In dat geval liep de verliezer van de verkiezingen de kwade kans als leider van de Nazibeweging opzij te worden geschoven door de gewelddadige Röhm – ruim een jaar later zou Hitler de gevaarlijke rivaal met zijn SA-satrapen in ‘De nacht van de lange messen’ vernietigen. Een greep naar de macht door de Nazi‘s zou ongetwijfeld Rotfront en Reichsbanner in het geweer hebben gebracht. Dat droeg het gevaar in zich van een complete burgeroorlog, en wellicht een uiteenvallen van het rijk.

    Zover was het evenwel waarschijnlijk niet gekomen. Er is een derde scenario. De Nazi‘s hadden zich na de Machtsübernahme genesteld in het staatsapparaat, en hun organisaties domineerden het maatschappelijk veld, niettemin was de nazificering van Duitsland begin maart 1933 nog geen onomkeerbaar proces geworden. Er was één macht binnen het rijk waarop zij nog geen greep had. Dat was het leger. Zou na de Rijksdagverkiezingen een burgeroorlog hebben gedreigd, dan had het leger ongetwijfeld ingegrepen, en was oud-kanselier Von Schleicher weer op het toneel verschenen, nu als generaal.

    Von Schleicher had met de legertop al in januari van dat jaar een couppoging overwogen, toen het Kampfkabinett Papen/Hugenberg in de maak leek, omdat hij daarvan een burgeroorlog vreesde, zoals eerder bleek. Von Schleicher had daarna als de enige oplossing om uit de politieke impasse te geraken het kabinet-Hitler aanbevolen. Binnenskamers had hij echter te kennen gegeven: ‘Als Hitler een dictatuur wil vestigen in het rijk, zal het leger een dictatuur binnen de dictatuur vormen‘. Na een ingrijpen door het leger zou in Duitsland waarschijnlijk een militaire dictatuur tot stand zijn gekomen – zoals meerdere Europese staten in die tijd kenden. Onder Von Schleicher hadden de militairen waarschijnlijk eenzelfde keneysiaans economisch beleid gevoerd als het Hitler-regime zou voeren, en had Duitsland zich aan de economische crisis ontworsteld.

    Waar had een militaire dictatuur de virtuele geschiedenis van Duisland heen geleid? Ik laat voor het mogelijke antwoord op deze vraag tenslotte de eerder genoemde hoogleraar uit Cambridge Evans aan het woord, auteur van de driedelige studie Het derde rijk, waaruit ik meermalen heb geciteerd:

    „Een militair dictatoriaal regiem zou hoogst waarschijnlijk veel burgerlijke vrijheden in de jaren na 1933 de kop hebben ingedrukt, een proces van herbewapening hebben ingezet, het verdrag van Versailles aan zijn laars hebben gelapt, Oostenrijk hebben geannexeerd, Polen zijn binnengevallen teneinde Dantzig en de Poolse corridor die Oost-Pruisen van de rest van Duitsland scheidde weer in handen te krijgen. Het had met alle waarschijnlijkheid het herstel van Duitland aangegrepen om verdere internationale agressie uit te oefenen, die dan weer aanleiding was geweest tot een oorlog met Groot-Brittannië en Frankrijk of de Sovjet-Unie, of met beide. Het zou zeker de joden ernstige beperkingen hebben opgelegd. Maar het is, alles in aanmerking genomen, niet waarschijnlijk dat een militaire dictatuur in Duitsland het soort programma van volkerenmoord zou hebben gelanceerd dat uitmondde in de gaskamers van Auschwitz en Treblinka.“

    Evans laat zien dat virtule geschiedschrijving niet perse inhoudt dat het geschiedenisverloop een andere bedding krijgt dan deze gekozen heeft. Zij kan evenwel de antinomische elementen in dit verloop aan het licht brengen, in dit geval de holocaust.

    Bronnen
    De neerslag van Hitlers optreden als premier van een coalitiekabinet is te vinden in het Bundesarchiv in Berlijn. De regeringsstukken uit deze periode zijn uitge-geven onder de titel Die Regierung Hitler, Teil I: 1933/34. De titel is misleidend. De regeringsstukken van de drie voorgaande kabinetten zijn uitgegeven onder de titel Das Kabinett Brüning, Das Kabinett von Papen en Das Kabinett von Schleicher. Formeel is er eerst sprake van een ‘regering’-Hitler na de dood van president Von Hindenburg, toen de Führer de functies van kanselier en president in zijn persoon verenigde. Voordien moet men spreken van de ‘regering-Hindenburg’ en het ‘kabinet-Hitler’.

    De bronnen waarvan voor dit artikel in hoofdzaak gebruik is gemaakt zijn:
    – Virtual History. Alternatives and Counterfactuals, edited by Niall Ferguson, Introduction, page1-91, (London 2003)
    – Akten der Reichskanzlei. Regierung Hitler 1933-1938, herausgegeben für die Historische Kommission bei der Bayerischen Akademie der Wissenschaft von Konrad Repgen. Die Regierung Hitler Teil I: 1933/34, 30. Januar bis 31. August 1933, bearbeitet von Karl-Heinze Minuth (Boppard am Rhein, 1983).
    – Ursache und Folgen. ‘Vom Deutschen Zusammenbruch 1918-1945 bis zur staat-lichen Neuordnung Deutschlands in der Gegenwart.’ Eine Urkunde und Dokumenten Versammlung zur Zeitgeschichte. Herausgeber und Bearbeiter Prof. Dr. Herbert Michaelis und Dr. Ernst Schroepl unter Mitwirkung von Dr. Günter Scheel. Neunter Band: Das Dritte Reich.