Home Het hoge woord: De kiezer is assertiever geworden

Het hoge woord: De kiezer is assertiever geworden

Henk te Velde

Gepubliceerd op: 27 augustus 2003

Update 7 april 2020

De kritiek op de onproductiviteit en eenzelvigheid van het parlement is bijna zo oud als het parlement zelf. Dat is geen reden om die kritiek niet serieus te nemen, maar wel om crisisgevoelens te relativeren. Het zou zorgelijker zijn als er géén kritiek was.

Prinsjesdag markeerde tot de grondwetsherziening van 1983 de officiële opening van het parlementaire jaar. Toch draait het ritueel van die dag niet om het parlement, maar om de vorstin die de troonrede voorleest en het kabinet dat de begroting presenteert. Dat is misschien maar goed ook. Want wie zou zijn huis uit komen om de leden van de beide Kamers toe te juichen? In brede kring leeft de gedachte dat de volksvertegenwoordigers het vooral druk hebben met zichzelf en elkaar.

Wie het dit jaar verschenen Politiek handwerk van Bert Middel leest, over de jaren dat hij deel uitmaakte van de PvdA-fractie, wordt op het eerste gezicht bevestigd in dit oordeel. Weliswaar levert Middel kritiek op Gerard van Westerloo's geruchtmakende cynische NRC Handelsblad-reportage uit 2001, over de door fractiediscipline en onderlinge concurrentie verteerde PvdA-fractie, en geeft hij in het eerste deel van zijn boek een rustig beeld van het Kamerwerk. Maar ook Middel signaleert de competentiestrijd en naar binnen gerichte energie in de Kamer.

Als kritiek op parlementaire eenzelvigheid en onproductiviteit iets van deze tijd zou zijn, zou die een logische verklaring vormen voor de golf van populisme in 2002. Maar gemopper op het parlement is van alle tijden. De toentertijd meest gezaghebbende politiek commentator, de liberaal en Leidse hoogleraar staatsrecht J.Th. Buys, schreef al omstreeks 1870 - nog in de vermeende gouden eeuw van het parlementarisme - dat het parlementaire stelsel gevaar liep omdat het Nederlandse volk 'praktisch' was en het onvruchtbare getwist in de Kamer niet veel langer zou verdragen.

Buys had geen bezwaar tegen de kloof die de Kamer van de maatschappij scheidde, want het was zijn overtuiging dat de Kamerleden op afstand van de maatschappij móésten staan om in onderling debat tot de beste oplossing te kunnen komen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw betoogden socialisten en gereformeerden echter dat de liberale burgerheren in de Kamer niet wisten wat er in de samenleving omging. En omstreeks 1940 al klaagden zelfs conservatieve liberalen over de deftige 'afstand' die gezagsdragers en volksvertegenwoordigers scheidde van het volk. Daarna is vooral vanaf de jaren zestig de kritiek op het democratisch tekort, het gebrek aan representativiteit van de Kamer en de 'kloof' met de maatschappij niet meer verstomd.

Mores

Er is altijd veel kritiek op de Kamer geweest, en eenvoudige oplossingen zijn er niet, alleen al omdat politieke problemen en kwesties van efficiëntie en praktische uitvoering door elkaar lopen. Volgens Middel kent de Kamer 'zijn eigen mores en werkwijzen en hoezeer je je daartegen ook wenst te keren, als je iets wilt bereiken ga je er uiteindelijk toch in mee'. Ook partijen als de LPF en de SP, die het 'Luister naar het volk!' hoog in het vaandel hebben staan, zullen moeten overleggen om iets gedaan te krijgen, en overleg gaat niet zonder regels. Anderzijds merkt Middel op dat 'een Kamerlid altijd op twee fronten actief moet zijn: zowel met beide benen in de samenleving staan als het politieke handwerk in de Kamer beheersen'.

Vijftig jaar geleden gold deze dubbele waarheid echter ook al. Wat is dan het specifieke aan de huidige situatie? Het antwoord dat Kamerleden vroeger werkten en nu maar wat kletsen, is alleen al niet overtuigend omdat het in de negentiende eeuw ook werd gehoord. Ervaringsdeskundige Middel heeft weinig te bieden. Hij beschouwt zichzelf als een authentieke 'gezindheidssocialist' die anders dan moderne carrièremakers niet socialistisch stemt, maar socialistisch is. Maar wat dat inhoudt behalve een soort trouw aan een traditie, is niet altijd duidelijk. Erger is dat hij de centrale vraag wat 'vertegenwoordiging' betekent omzeilt. Het 'gezindheidssocialisme' verwijst naar een tijd van massapartijen met duidelijke ideologie en vaste aanhang; via die partijen hield de vertegenwoordiger voeling met zijn kiezers. Maar de tijd van die partijen is voorbij, en juist daarom moet het evenwicht tussen de band met de samenleving en het handwerk in de Kamer opnieuw bepaald worden.

De Franse historicus en politiek theoreticus Bernard Manin betoogt in zijn bekende Principles of Representative Government dat veranderingen in de vertegenwoordigingspraktijk altijd pessimistische reacties oproepen. Toen voor 1900 het liberale model van onafhankelijke parlementariërs plaatsmaakte voor het model van ideologische massapartijen, riepen analytici ach en wee vanwege de rol van de partij en de partijbureaucratieën. Toen dit partijenmodel vanaf de jaren 1960 en vooral recentelijk in crisis raakte, verscheen opnieuw een doemscenario; nu omdat de partij nog maar weinig voorstelde. Natuurlijk is niet alles koek en ei in de politiek, maar nostalgie brengt ons niet verder en doemdenken is niet méér gerechtvaardigd dan in het verleden.

Referenda

De kritiek op het parlement is bijna zo oud als het parlement zelf. Dat is geen reden om die kritiek niet serieus te nemen, maar wel om crisisgevoelens te relativeren. Het zou zorgelijker zijn als er géén kritiek was. Frits Bolkestein en andere liberalen interpreteerden enkele jaren geleden afnemende opkomstcijfers bij de verkiezingen wel als teken dat de kiezer tevreden was en dus thuisbleef. Inmiddels weten we dat dat niet per se het geval is. De kiezers zijn tegenwoordig meer geneigd om 'tegen' te stemmen. Toen zij nog gebonden waren aan een zuil of partijmilieu, stemden ze uit traditie 'voor'; nu komen ze minder in beweging uit loyaliteit dan wel om uiting te geven aan onvrede. De afname van vanzelfsprekende loyaliteit duidt op toenemende assertiviteit van de kiezer. Die assertiviteit - die zowel een problematische als een positieve kant heeft - brengt onrust en snel wisselende voorkeuren in de politiek.

Velen hebben de onrust van 2002 beschouwd als teken dat het politiek systeem volstrekt faalde. Het lijkt mij eerder dat het systeem opmerkelijk veerkrachtig was, en ik was op dat moment verheugder dan ooit dat we in Nederland een vertegenwoordigende en niet een directe democratie kennen. Gelukkig zijn ook de regels en gewoonten van de Kamer niet meteen bezweken onder oppervlakkige kritiek. Tegelijk is duidelijk dat het politieke systeem, nu de partijen hun maatschappelijke worteling zijn kwijtgeraakt, een manier moet vinden om maatschappelijke signalen op te vangen, ook als die op het eerste gezicht 'antipolitiek' zijn.

De discussie van de laatste jaren over referenda en de gekozen burgemeester wijst in die richting. We hoeven ons weinig illusies te maken over de politieke richting van referenda: onder meer de Zwitserse ervaring toont dat referenda meestal een conservatieve uitslag laten zien. Maar als ze de wetgever niet zonder meer buitenspel zetten, hebben ze een belangrijke signalerende functie en lokken ze debat uit. Zo stimuleren ze het contact tussen politiek en maatschappij, zodat de Kamerleden niet alleen hun handwerk leren beheersen, maar ook met ten minste één been in de maatschappij staan.

In 'Het Hoge Woord' schrijven prominente historici korte historische beschouwingen naar aanleiding van actuele ontwikkelingen. Henk te Velde is hoogleraar politieke cultuur in de moderne tijd aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Nieuwste berichten

Het Russische parlement heeft nooit veel te vertellen gehad
Het Russische parlement heeft nooit veel te vertellen gehad
Artikel

Het Russische parlement heeft nooit veel te vertellen gehad

De Russen gaan van 18 tot en met 20 september naar de stembus om de 450 leden van het parlement – de Staatsdoema – te kiezen. Dat deze verkiezingen geen ‘feest van de democratie’ zijn, past in de politieke geschiedenis van Rusland. Een echte parlementaire cultuur kon daar nooit opbloeien 4 oktober 1993. Tanks die...

Lees meer
Verkiezingsfraude kwam regelmatig voor in de Verenigde Staten
Verkiezingsfraude kwam regelmatig voor in de Verenigde Staten
Artikel

Verkiezingsfraude kwam regelmatig voor in de Verenigde Staten

Zogenaamd om stemfraude bij de komende congresverkiezingen in Amerika te voorkomen, pleit Donald Trump voor landelijke regels die voor alle staten moeten gelden. Hij is er wat laat mee, want de echte wanpraktijken bij Amerikaanse verkiezingen dateren vooral van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw. Dit artikel krijg je van...

Lees meer
Keeper Farzaneh Tavasoli van het Iraanse zaalvoetbalteam in 2025.
Keeper Farzaneh Tavasoli van het Iraanse zaalvoetbalteam in 2025.
Artikel

Iraanse sporters dagen de macht uit

In Iran vormen sport, protest en politiek al eeuwenlang een nauw verweven, maar ook conflictueuze drie-eenheid. Nu zijn het vaak vrouwelijke voetballers die van zich laten horen. Ooit waren het worstelaars, vertelt politicoloog Caroline Azad. Gholamreza Takhti is een legende in Iran. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd deze worstelaar – ‘met...

Lees meer
Een kamp van Artsen zonder Grenzen in Tsjaad.
Een kamp van Artsen zonder Grenzen in Tsjaad.
Artikel

Artsen zonder Grenzen: onafhankelijk, maar nooit apolitiek

Een groep artsen die vond dat het Rode Kruis niet genoeg deed tegen mensenrechtenschendingen in Biafra, stichtte in 1971 de medische hulporganisatie Artsen zonder Grenzen. De initiatiefnemers wilden volledig apolitiek opereren, maar dat bleek in de praktijk vrijwel onmogelijk. Médecins Sans Frontières (MSF), de moederorganisatie van Artsen zonder Grenzen, is een medische internationale hulporganisatie. Momenteel biedt MSF hulp in Nepal na een dodelijke overstroming en is de organisatie werkzaam in Oekraïne en Gaza, waar ze...

Lees meer
Loginmenu afsluiten