Home Het begin van de onderwijsvernieuwing

Het begin van de onderwijsvernieuwing

  • Gepubliceerd op: 15 juni 2017
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Mirjam Janssen
Het begin van de onderwijsvernieuwing

Honderd jaar geleden kwam er een einde aan de schoolstrijd. Eindelijk kregen christenen hun scholen op religieuze grondslag, waarvoor ze meer dan een eeuw hadden gestreden. Het was het begin van een ongekende onderwijsvernieuwing.

In 1834 opende in Smilde een gereformeerde school – al was ‘school’ een groot woord voor een boerenschuur, met een varken en een kalf. Toch waren er de eerste dag al twintig kinderen aanwezig voor een onderwijzer die elders was ontslagen omdat hij had lesgegeven in ‘onzuivere godsdienstbegrippen’. Ook deze school was illegaal. Na drie dagen kreeg de schuur bezoek van de burgemeester en de veldwachter, en werd de zaak gesloten.

De Smildense school was de eerste in zijn soort. In de jaren daarop bleven gereformeerden eigen scholen stichten in Noordoost-Nederland, meestal zonder succes. Maar ze hielden hardnekkig vol, want de behoefte aan gereformeerde scholen was groot.
 

Wet van 1806
Bijzondere scholen kregen het moeilijk

Het ongenoegen was begonnen in 1806. Ten tijde van de Franse overheersing was in een onderwijswet bepaald dat Kerk en Staat voortaan gescheiden waren: scholen moesten kinderen opleiden tot staatsburgers, en daarin was geen rol meer voor de kerk weggelegd. Voortaan bestond er een onderscheid tussen openbare en zogeheten bijzondere scholen met een religieus karakter. Openbare werden door de lokale overheid gefinancierd, bijzondere niet. Die moesten zelf maar zien waar ze het geld vandaan haalden. Soms kregen ze dat van kerkelijke instellingen, maar vaak waren het sappelende eenmansondernemingen.

De overheid probeerde de oprichting van bijzondere scholen zo veel mogelijk te ontmoedigen. Een van de argumenten daarvoor was dat de kwaliteit te wensen overliet. En dat klopte ook wel: ze waren vaak onveilig en onhygiënisch, en de pedagogische vaardigheden van hun enige onderwijzer lieten nogal eens te wensen over.

Op de openbare scholen kregen kinderen les in algemene ‘christelijke deugden’. In de praktijk betekende dit dat ze moesten worden opgevoed tot ijverige, vaderlandslievende en gehoorzame burgers met een geloof in één, alle richtingen overkoepelend Opperwezen. Voor orthodoxe protestanten en veel katholieken was dat niet genoeg. Toch mochten zij zich niet bemoeien met de invulling van het programma. De Bijbel en de catechismus mochten niet in de les worden gebruikt.

Wie een bijzondere school wilde oprichten moest toestemming vragen aan de overheid, die vaak weigerde. Dit leidde tot grote frustraties. Vooral orthodoxe protestanten lieten hun kinderen nog liever in een illegale boerenschuur onderwijzen dan op een verfoeilijke openbare school.

Rudolf Thorbecke 

In de loop van de eeuw kwam er meer begrip voor de positie van gelovigen. De liberale staatsman Rudolf Thorbecke legde de vrijheid van onderwijs vast in de Grondwet van 1848. Iedereen mocht voortaan een eigen school stichten als aan bepaalde kwaliteitseisen werd voldaan. Maar financieel werden de bijzondere scholen niet gelijkgesteld aan de openbare.

In 1878 schroefde een nieuwe onderwijswet de eisen aan de kwaliteit van het onderwijs op. Het ging vooral om de kwaliteit van de gebouwen, maar veel kleine, bijzondere scholen zouden daar niet aan kunnen voldoen. Orthodoxe protestanten organiseerden daarom een massaal protest – het ‘volkspetitionnement’ – om de koning over te halen de wet niet te tekenen. Honderdduizenden, onder wie ook vele katholieken, sloten zich erbij aan.

De koning tekende toch. Maar er was wel winst geboekt, want de initiatiefnemers vormden in 1879 de eerste politieke partij van het land: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Voorman Abraham Kuyper wist het ongenoegen van zijn ‘kleine luyden’ goed te verwoorden. Samen met de later opgerichte Rooms-Katholieke Staatspartij maakte de ARP zich sterk voor overheidssubsidies voor bijzondere scholen.

Tijdens het kabinet van Aeneas Mackay kwamen ze in 1888 een stap in de goede richting: de overheid ging meebetalen aan het personeel van bijzondere scholen, maar wilde niet opdraaien voor de kosten van de gebouwen. Daardoor stond het openbaar onderwijs nog steeds op voorsprong.

De confessionelen bleven zich miskend voelen. Zeker toen in 1901 de algemene leerplicht voor kinderen tot 12 jaar werd ingevoerd. Dat vergrootte de greep van de overheid op het onderwijs en wekte nog meer afkeer.

 

Afkeer van streng en klassikaal
Ook openbare scholen grepen de kans om te vernieuwen

De oplossing diende zich aan tijdens het kabinet van de liberaal Pieter Cort van der Linden. Deze regering wist twee zaken met elkaar te verbinden die dringend een oplossing behoefden. Liberalen en sociaal-democraten wilden al jaren een uitbreiding van het kiesrecht. Uiteindelijk kwam het in 1917 tot een uitruil: de confessionelen gingen akkoord met de invoering van het algemeen mannenkiesrecht en passief vrouwenkiesrecht. Daarvoor in de plaats kregen ze gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs. Dat werd geregeld in de Wet op het Lager Onderwijs van 1920.
 
Het recht op volledige overheidsfinanciering voor bijzondere scholen was het begin van een ongekende onderwijsvernieuwing. Het aantal katholieke en protestantse scholen overtrof het aantal openbare scholen al snel (zie kader ‘Bijzondere scholen in de meerderheid’). Veel onderwijsvernieuwers grepen de mogelijkheid aan om binnen het officiële bestel een school naar eigen pedagogische inzichten op te richten, het zogeheten algemeen bijzonder onderwijs.

Deze vernieuwers hadden een afkeer van de strenge, klassikale manier van lesgeven op de openbare en confessionele scholen. Ze vonden dat kinderen erdoor in een keurslijf werden gedwongen en begonnen te experimenteren met lesmethodes die de leerlingen meer ruimte gaven (zie kader ‘Zelfontplooiing’).

De opkomst van al die concurrentie liet de openbare scholen niet onberoerd. Omdat ze hun leerlingenaantallen zagen teruglopen, sloegen ook zij aan het vernieuwen. De stijve, uitsluitend klassikale benadering van voorheen raakte in onbruik.
 

Onderwijspacificatie
Confessionelen, socialisten en liberalen kwamen tot een uitruil

Een ander – onbedoeld – effect van de onderwijspacificatie is dat zich in Nederland maar weinig privéscholen hebben ontwikkeld. In veel landen moeten ouders die iets anders voor hun kinderen willen dan het staatsonderwijs hun toevlucht zoeken tot particuliere scholen. Dat is in Nederland niet nodig, omdat de meeste levensbeschouwelijke en pedagogische voorkeuren van overheidswege worden gefinancierd. Het Nederlandse onderwijs is daardoor gemengd: kinderen van rijke en arme ouders gaan naar dezelfde scholen.

Pas in 1965 kreeg Nederland de eerste particuliere school: Instituut Blankestijn in Utrecht, dat de mogelijkheid biedt versneld eindexamen te doen. Inmiddels zijn er meer van dit soort scholen bij gekomen en hebben ze ook gewone klassen. Maar met lesgelden die kunnen oplopen tot meer dan 30.000 euro per jaar bedienen ze maar een kleine groep.

In landen als de Verenigde Staten en Engeland maken privéscholen een groter deel van de onderwijssector uit, omdat ze leerlingen voorbereiden op de zware toelatingsexamens voor de beste universiteiten. Maar het Nederlandse stelsel verlangt geen grote investeringen: voor de meeste studies geldt alleen een vwo-diploma als toelatingseis.
Zo heeft het compromis dat Cort van der Linden in 1917 wist te smeden geleid tot een gevarieerd onderwijsaanbod, dat voor zeer veel leerlingen toegankelijk is.
 
Mirjam Janssen is historicus en journalist.

 

Voor elk wat wils

 
1917 De onderwijspacificatie vormt de aanzet tot volop vernieuwing. Niet alleen komen er veel katholieke en protestantse scholen bij, maar ook voor andere levensbeschouwingen is er plaats.
Ook wordt de eerste montessorikleuterschool opgericht in Den Haag, gebaseerd op de ideeën van Maria Montessori. Volgens haar moeten scholen inspelen op de natuurlijke behoefte van een kind om zich te ontplooien. Nog voor de oorlog telde Nederland al tientallen montessorischolen.

1923 Nederland krijgt, als derde land in de wereld, een antroposofische school, gebaseerd op het gedachtegoed van Rudolf Steiner. Die school wordt geen succes, maar in de jaren zestig worden Vrije Scholen hier wel populair.

1928 Er komen daltonscholen, genoemd naar het Amerikaanse plaatsje Dalton, waar pedagoog Helen Pankhurst een speciale school leidde. Bij dit type onderwijs krijgen kinderen speciale taken die ze zelfstandig kunnen vervullen.

1971 Amsterdam krijgt de eerste islamitische school.

1974 Ook Joodse kinderen krijgen speciaal onderwijs.

1988 Hindoes stichten een school die ruimte biedt aan hun levensbeschouwing. Inmiddels telt Nederland zes basisscholen met vooral Hindoestaans-Surinaamse kinderen.

2000 Scholen propageren het ‘nieuwe leren’, dat veel nadruk legt op zelfredzaamheid. Docenten fungeren er als coach; leerlingen werken er zelfstandig achter hun laptop.

2004 Technasia besteden extra aandacht aan en onderzoek.

2013 iPad-scholen bieden lesstof bij voorkeur aan op tablets.

2016 De populariteit van Pokémon Go leidt tot pleidooien voor virtual reality in het onderwijs.

 

Bijzondere scholen
in de meerderheid

 
Percentage openbare scholen en hun leerlingen
 
Jaar     Scholen Leerlingen
1870     70       77
1890     70       71
1910     62       62
1930     45       38
1950     34       27
1970     32       27
1990     35       31
 
Bron: Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Nelleke Bakker e.a.
 
Na de onderwijspacificatie gaven de meeste ouders voor hun kinderen de voorkeur aan bijzondere scholen. En die zijn nog steeds in de meerderheid. Ongeveer 30 procent van de basisscholen is openbaar, 30 procent katholiek en 30 procent protestant. Nu de ontkerkelijking voortschrijdt wordt regelmatig gepleit voor afschaffing van artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs regelt. Het bijzonder onderwijs zou de samenstelling van de bevolking niet meer weerspiegelen. Inmiddels beschouwt nog maar de helft van de Nederlanders zich als godsdienstig, en ruim 80 procent gaat zelfs nooit of bijna nooit meer naar de kerk.

Een ander argument tegen het bijzonder onderwijs is dat sommige groepen zich daardoor te veel in hun religieuze bastion kunnen terugtrekken. Dat zou vooral gelden voor islamitische scholen. Afgelopen zomer ontstonden er conflicten tussen islamitische scholen die zich bij Fethullah Gülen betrokken voelden en scholen die voor president Recep Erdogan kozen. Daardoor kwam een Turks intern conflict via het bijzonder onderwijs Nederland binnen.

Vooralsnog bestaat er geen politieke meerderheid voor de afschaffing van artikel 23; de meeste bijzondere scholen functioneren nu eenmaal goed. Wel overweegt staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs de wetgeving te moderniseren, zodat het nog makkelijker wordt een nieuwe school te beginnen.
 

Bron: Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Nelleke Bakker e.a.
 
Meer weten
 
Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk 1500-2000 (2006) van Nelleke Bakker e.a. is een uitstekend naslagwerk.
De eerste 150 jaar. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1796-1946 (2013) oerdegelijk boek van J.Th.J. van den Berg en J.J. Vis.
www.onderwijsmuseum.nl
Het Onderwijsmuseum toont de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 2-2017