De elektromotor is van cruciale betekenis geweest voor de industriële ontwikkeling in Nederland. De machine heeft een blijvende stempel gedrukt op een economie die zijn kracht vooral dankt aan het midden- en kleinbedrijf, en minder − zoals in de ons omringende landen − aan grote industriële ondernemingen.
De industrialisatie in Nederland kwam gedurende de negentiende eeuw traag op gang. Zeker in vergelijking met onze buurlanden. Maar die achterstand werd deels ingehaald tijdens de zogeheten tweede industriële revolutie. Draaide de eerste industriële revolutie voornamelijk om stoom, steenkool en ijzer, in de tweede stonden staal, stadsgas en aardolie centraal. Maar bovenal het wonder van elektriciteit.
Vanaf de jaren twintig van de negentiende eeuw kwam de elektromotor op experimenteel niveau tot ontwikkeling. Zelfs Nederland droeg een steentje bij. De Groningse scheikundige Sibrandus Stratingh (1785-1841) bouwde een van de vroegste voorlopers van de elektrische auto en fiets. Voortbouwend op de natuurkundige inzichten van de Engelse wetenschapper Michael Faraday construeerde Stratingh in 1835 zijn elektromagnetische wagentje. Het voertuigje is bewaard gebleven en nog altijd in bezit van het Universiteitsmuseum Groningen. Het oogt als een ouderwets peuterfietsje, met op de plek van het stuur een glazen batterij, en met daar waar we ons de jonge bestuurder inbeelden, een primitieve gelijkstroomelektromotor.

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Dagblad De Avondbode maakte in 1839 melding van Stratinghs proeven in Felix Meritis en het ‘Koninklijk Instituut’ (voorloper van de KNAW) in Amsterdam. Opmerkelijk is dat de verslaggever al oog had voor het toekomstig belang van elektrische aandrijving, die hem ‘met de blijde hoop vervulde, dat ook deze nieuwe krachtontwikkeling eenmaal der menschheid nuttig zal worden’.
Ventilators, cirkelzagen en naaimachines
Vanaf de jaren 1870 ontgroeide de elektromotor de lange experimentele fase. Belangrijk was het werk van de Belg Zénobe Gramme (1826-1901). De als timmerman opgeleide Gramme had in 1869 de eerste betrouwbare dynamo ontwikkeld, die later naar hem vernoemd werd. Tijdens de Wereldtentoonstelling in Wenen in 1873 liet hij zien dat een dynamo niet alleen mechanische energie kan omzetten in elektrische energie, maar andersom ook elektriciteit kan omzetten in mechanische energie. Het toestel van Gramme wordt beschouwd als de eerste goed werkende elektromotor.
Toch was het niet de elektromotor die als eerste tegemoetkwam aan de behoefte aan een machine die flexibeler en kleinschaliger kon worden ingezet dan de stoommachine. Die rol werd vanaf de jaren tachtig vervuld door de verbrandingsmotor, die aanvankelijk draaide op uit steenkool gewonnen stadsgas en later op uit aardolie gewonnen benzine of diesel.
Maar tegen het einde van de eeuw kreeg de verwachting rond het toekomstige gebruik van de elektromotor concrete vormen. De Provinciale Drentsche en Asser Courant publiceerde in de zomer van 1890 een verslag over de ‘Veiligheidstentoonstelling’ in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Het getuigt van een helder inzicht in het toekomstig belang van elektra en de voordelen ten opzichte van stoomaandrijving. ‘Wat het electrische licht in de toekomst voor de verlichting zal zijn, wordt de electromotor voor de beweging. Den in de dynamo opgewekten stroom kan men door middel van draden voeren door het geheele gebouw en daarmede de bij de machines geplaatste electromotoren in beweging brengen; men zal dan niet noodig hebben een hoofdas en een groot aantal transmissies en drijfriemen.’ De verslaggever maakt melding van de toepassingen van de elektromotor, die werden gedemonstreerd in de tentoonstelling: een ventilator, een cirkelzaag, een rotatiepers, een weefgetouw, én − voor huishoudelijk gebruik − een elektrische naaimachine.

Stiller en schoner dan stoommachines
De doorbraak van de elektromotor werd pas mogelijk met de almaar efficiëntere productie en distributie van elektriciteit. Van de eerste bedrijfsmatige opwekking voor eigen gebruik en de zogeheten blokstations voor distributie op buurtniveau, tot de eerste particuliere elektriciteitscentrales. Maar pas toen de Nederlandse overheid de teugels in handen nam en gemeentelijke en provinciale nutsbedrijven vanaf 1900 stap voor stap een einde maakten aan het versnipperde particuliere aanbod, 0kon er een begin worden gemaakt met de systematische elektrificatie van Nederland.
Meer dan onze buurlanden heeft Nederland geprofiteerd van deze innovatie. Dat is mede te danken aan het feit dat de stoomtechnologie hier nog niet zo sterk was doorgedrongen. De late industrialisering heeft ervoor gezorgd dat kleinschalige, ambachtelijke bedrijven aan het einde van de negentiende eeuw in Nederland nog altijd de economische hoofdrol speelden. Dit in tegenstelling tot landen als Groot-Brittannië, België en Duitsland, waar grootschalige industrie die leidende positie had overgenomen.
De elektromotor kon met groot profijt worden ingezet in sectoren die juist in Nederland sterk ontwikkeld waren, zoals de voedingsmiddelenindustrie, en in de kleinschalige bedrijven, die in Nederland de kern van de industrie vormden. De elektromotor was flexibeler, veiliger en goedkoper dan klassieke stoomaandrijving. Eenvoudiger te installeren, te bedienen en te onderhouden dan een verbrandingsmotor, en stiller en schoner bovendien. De elektromotor bracht mechanisering binnen het bereik van de vaak nog in de oude binnensteden gevestigde werkplaatsen en kleine fabrieken.
‘De premie op achterlijkheid’
In het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland en Frankrijk had de komst van stoomkracht vanaf het einde van de achttiende en in de eerste helft van de negentiende eeuw een golf van grootschalige industrialisatie tot gevolg, die aan de Noordelijke Nederlanden goeddeels voorbijging. Het verschil in ontwikkeling tussen Nederland en onze buurlanden vormt een schoolvoorbeeld van de wet van de remmende voorsprong, die de geschiedkundige Jan Romein presenteerde in zijn essay De Dialectiek van de Vooruitgang (1935). Een technologische voorsprong kan ertoe leiden dat er weinig stimulans is om verdere verbetering of vooruitgang te zoeken, zodat men vroeg of laat wordt voorbijgestreefd.
Molens waren in de Lage Landen in de loop der eeuwen zo geperfectioneerd, dat ze in de negentiende eeuw nog lang konden wedijveren met stoommachines. Illustratief is dat stoommachines vanaf het midden van de eeuw werden toegevoegd aan korenmolens en pas in werking gesteld op windstille dagen. De late en halfslachtige adoptie van stoomtechnologie zou ertoe bijdragen dat Nederland vanaf het begin van de twintigste eeuw juist weer voorop liep met de overstap op door elektromotoren aangedreven machines.
Het aantal geregistreerde elektromotoren groeide van 1.900 in 1904 naar 12.000 in 1930. In 1939, toen het uitrollen van het lichtnet zo goed als voltooid was, bedroeg het elektrisch vermogen in de Nederlandse industrie bijna 290 megawatt.
De aanzienlijke productiviteitsverhoging in de eerste helft van twintigste eeuw kan grotendeels worden toegeschreven aan het succes van de elektromotor. Die gaf een belangrijke impuls aan het behoud, de groei en de modernisering van dat van oudsher sterke Nederlandse midden- en kleinbedrijf.
Ook in onze tijd speelt het MKB in Nederland nog altijd een relatief grote rol. Ons land telt per duizend inwoners 89 bedrijven met minder dan 250 werknemers. Ter vergelijking: België telt er 63 en Duitsland 30. In West-Europa kent alleen Portugal een hogere MKB-dichtheid dan Nederland. In 2025 waren er in Nederland 1,6 miljoen midden- en kleinbedrijven actief. Het is bovendien aardig om te constateren dat het Nederlandse MKB − net als aan het begin van de twintigste eeuw − nog altijd wordt geroemd om zijn innovatieve vermogen. Een eigenaardigheid die niet los is te zien van de late industrialisering van Nederland en de kleinschalige voordelen van de elektromotor.
Meer weten:
- Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel 7. Techniek en modernisering, balans van de twintigste eeuw (2003) door J.W. Schot, H.W. Lintsen, Arie Rip en A.A.A. de la Bruhèze
- ‘De dialectiek van de vooruitgang’, in het tijdschrift Forum (1935) door Jan Romein
Beeld boven: portret van Sibrandus Stratingh, circa 1850.
