Home Een joods octrooihouder

Een joods octrooihouder

  • Gepubliceerd op: 15 september 2000
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    P.W. Klein

Waarom kan de een wel en de ander niet zijn lot in eigen handen nemen? De geschiedenis is vol raadsels, concludeert P.W. Klein tijdens zijn speurtocht naar Isaäc Roet en zijn vader Erich Klein. Klein is op zoek naar het verleden van de families Roet en Klein. Aan de hand daarvan belicht hij de tragische geschiedenis van de twintigste eeuw. Hieronder de eerste aflevering.


Dankzij mijn agenda is tamelijk precies vast te stellen wanneer, waar en waarom de speurtocht is begonnen. Op dinsdagmiddag 14 april 1998 kreeg ik zijn naam voor het eerst onder ogen. Ik bevond mij in het Bureau voor de Industriële Eigendom – zeg maar het Octrooibureau – te Rijswijk. Door de holen en spelonken van een machtig bouwsel reppen zich daar massa’s mieren doelbewust voort van hot naar haar, de brokjes industriële eigendom tussen de kaken. Zij sjouwen en zwoegen rond in een postmoderne stenen kolos, waarvan er dertien in een dozijn gaan. Het gebouw staat eenzaam verankerd in de Patentlaan. Een leuk gevonden naam. De buurt evenwel is voor de autoloze bezoeker een haast onbereikbare woestijn aan de rand van de beschaving. Ik zocht er, eigenlijk tegen beter weten in, sporen van de beroving van joodse octrooihouders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Kafkaëske schrijftafeldieverij
Bijna 56 jaren eerder – op 21 mei 1942 – was Verordnung 58/1942 des Reichskommissars für die besetzten niederländischen Gebiete über die Behandlung jüdischer Vermögenswerteverschenen. Artikel 5 van deze verordening bevatte onder andere het voorschrift octrooirechten die toekwamen aan joden (of aan degenen die als zodanig werden aangemerkt) schriftelijk aan te melden bij ‘de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal & Co. te Amsterdam’. Dat was een schuilnaam. De verordening maakte namelijk deel uit van de gecamoufleerde, weldoordachte en systematisch georganiseerde beroving van wie straks vernietigd moest worden. De zogeheten bankiersfirma was in feite een schakel in de keten van misdadige instellingen die daarvoor zorgden. Het brein achter de kafkaëske schrijftafeldieverij had daarbij niet alleen gedacht aan vet bezit van grond, effecten, banktegoeden en wat dies meer zij. De lugubere hebzucht strekte zich ook uit tot zoiets ongrijpbaars als octrooirechten. Hoe bizar! Het vaderlandse octrooiwezen stelde toen namelijk in het algemeen weinig voor. Het stond als het ware nog in de kinderschoenen. Pas in 1912 had ook Nederland als bijna laatste mogendheid een octrooiwet ingevoerd. Oorspronkelijke technologische vernieuwingen waren hier te lande dun gezaaid. Uitzonderingen daargelaten liet de geavanceerde industriële ontwikkeling tot in de jaren vijftig op zich wachten. Nog altijd overheerste het klein- en middenbedrijf. Daarbinnen waren individuele, persoonsgebonden kwaliteiten de toon blijven zetten van de vaak nog ambachtelijke bedrijfsvoering. Octrooien hadden – anders dan in de onpersoonlijke groot-industrie – geen invloed op de winst. Bovendien waren industriëlen en ingenieurs doorgaans niet van joodse origine. Het traditionele domein van joden was handel en dienstverlening met de daarbij behorende methoden en technieken. Ook op dat terrein waren persoonlijke verhoudingen en betrekkingen doorslaggevend gebleven. Van mechanisering of automatisering was daar al helemaal geen sprake. Octrooien kwamen hier toch zeker nauwelijks van pas? Alles bijeengenomen viel in Nederland dus waarschijnlijk niets of weinig te halen van joodse octrooihouders of uitvinders. Maar de systematische jodenvervolging eiste grondigheid tot het uiterste. Het octrooirecht van joden mocht niet over het hoofd worden gezien, zelfs als het niet heus bestond.
        Hád het bestaan? Daarover heerste toch onzekerheid, ook in naoorlogs Nederland. Niemand die zich er druk over maakte. Maar in 1997 diende zich in brede kring door allerlei omstandigheden plotseling een klemmende, verbijsterende vraag aan die het onmogelijk maakte de kwestie te laten voor wat ze was. Was de overlevenden van de holocaust en de nabestaanden der omgekomenen recht gedaan in de Nederlandse samenleving? Of woekerde het onrecht na de oorlog onder de schijn van fatsoen voort? Hebben zich daardoor ongerechtigden ten koste van de slachtoffers verrijkt? Een min of meer officieel geregeld onderzoek naar financieel rechtsherstel kwam op gang. Ik raakte erbij betrokken. En zo kwam ik na enige tijd ook terecht in de Rijswijkse woestijn. Bij verder doordringen bleek het toch geen woestijn te zijn. De mierenhoop bevatte bij nader toezien het best geordende archief dat een historicus zich kan wensen. Elk brokje industrieel eigendom kwam, na te zijn opgevraagd, bliksemsnel hapklaar uit de kast. Ik was gauw verzadigd. Met zo’n achthonderd octrooien – alleen de nummers in de oorlogsjaren vanaf mei 1942 waren relevant – was de zaak wel bekeken. Méér kwamen niet in aanmerking. Het karwei was in een paar uur geklaard. Voorzover was na te gaan zat er, zoals verwacht, niets joods bij.

Professioneel uitvinder?
Of was octrooinummer 66683 aangaande de uitvinding van een ‘zakdoeksysteem’ de uitzondering die de regel bevestigt? Het was al in 1934 verleend aan ene Isaäc Roet Jzn. Toen – op 17 juni 1942 – droeg hij het, overeenkomstig de eisen van de Nederlandse octrooiwet, bij officiële acte en samen met de benodigde outillage over aan de Nederlandse Kapokfabriek De Zwaan. Dat gebeurde op conditie dat deze onderneming de uitvinding ‘zodra de omstandigheden dat toelaten’ ook werkelijk zou toepassen. Roet zou er dan tien procent van de detailhandelsprijs van de verkochte zakdoekjes voor ontvangen. Merkwaardig octrooi: wat is een ‘zakdoeksysteem’? Blijkbaar iets bijzonders want het octrooi gold in liefst veertien landen – van Zwitserland tot Japan. Merkwaardig tijdstip ook. De overdracht had namelijk plaats drie weken ná publicatie van Verordnung 58/1942 en amper twee weken vóór de termijn van de verplichte aanmelding van ‘joods’ octrooirecht verstreken zou zijn. Merkwaardige naam bovendien: Isaäc. Misschien toch een jood? Maar ‘Roet’? En ‘Jzn.’ kan natuurlijk van alles betekenen. Ik keek nog maar even verder. En ja hoor. In 1926 was Isaäc ook al octrooi verleend. Het staat te boek onder nummer 32899 en heeft betrekking op een mechanisme voor het maken van ‘Spaansche cigaretten’. Acht jaar later was het weer raak. Op 17 april 1934 kreeg hij octrooinummer 32646 voor de uitvinding van een kantoormachine. Zijn aanvraag daarvan dateerde van middernacht, oudejaarsavond 1929. Was dat niet toch een teken dat de mechaniserende vernieuwing van het kantoorbedrijf in handel en dienstverlening op til was? De automatisering misschien wel? Hoe merkwaardig. Ik zeg er nu verder niets over maar vraag de lezer om geduld. Ik zal er in het vervolg nog op terugkomen, net als op het ‘zakdoeksysteem’ trouwens. Nu volstaat het te zeggen: wat een merkwaardig man! Kennelijk zoiets als een professioneel uitvinder. Bestonden die toen? Had hij succes? Hoe merkwaardig allemaal.
        Ik ging naar huis. De schim van Isaäc Roet Jzn. bleef door mijn hoofd spoken. Haast achteloos zocht ik een beetje rond. Ik zag dat de familienaam ‘Roet’ inderdaad voorkwam in de kring van de Amsterdamse joodse burgerij. Zo vertelt Isaac Lipschitz in zijn boek Tsedakauit 1997 van ene S. Roet. Deze was eind juli 1942 aangetreden als ‘Financieel Leider’ van de zojuist ingestelde afdeling Hulp aan Vertrekkenden van de Joodse Raad. ‘Leider’ met een hoofdletter…? Geeft dat niet te denken? ‘Vertrekkenden’…? Waarheen? Kort voordien, begin juli, had de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam met het oog op de polizeiliche Arbeitseinsatz ernst gemaakt met het karwei. Auswanderung betekende deportatie, Arbeitseinsatz massamoord. Op 15 en 16 juli 1942 vertrokken de eerste treinen uit Westerbork richting Auschwitz. De ‘Financieel Leider’ van de afdeling Hulp aan Vertrekkenden overleefde het. Als regent van het na de oorlog in vliegende haast heropende Joods Jongensweeshuis aan de Amstel zou S. Roet het nog druk krijgen. Later bleek me dat hij in juli 1939, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, was geïnstalleerd als bestuurder van de voorloper van het weeshuis. Vier jaar later ging de instelling te gronde. S. Roet zou na de oorlog beschrijven hoe dat gebeurde. Het gebouw werd op 5 of 6 maart 1943 omsingeld door de Duitse politie. De Amsterdamse politie zorgde van haar kant voor het afgrendelen van de zijstraten. De Amsterdamse brandweer was goed voor het wegspuiten van toegestroomde, wanhopige familieleden. In de nasleep van deze, met militaire precisie uitgevoerde operatie zijn alle weeskinderen met al hun begeleiders vermoord. Maar na afloop van de oorlog was aan nieuwe joodse wezen geen gebrek. Was ‘S.’ familie van Isaäc? Het bleef vooralsnog een vraag.
        Inmiddels had de Burgerlijke Stand van Amsterdam bij navraag laten weten dat Isaäc Roet in het begin van 1944 te Auschwitz was overleden. Mijn vage vermoeden was bevestigd: Isaäc was joods! Maanden later kwam ik erachter dat ‘S.’ zijn jongere broer was geweest. Salomon heette hij voluit, maar hij stond bekend als Sam. Hij was in 1892 geboren. In 1949 emigreerde hij naar Israël. Daar is hij op 23 februari 1960 overleden. In het vervolg zal hij nog herhaaldelijk ter sprake komen.
        Isaäc Roet is ook te vinden tussen de meer dan honderdduizend slachtoffers van de holocaust in het In Memoriam uit 1995 zijn opgenomen. Hij is 52 jaar oud te Auschwitz in zo’n twintig minuten vergast, waarschijnlijk in een van de twee als vreedzame boerderijen vermomde Bunker. Op of omstreeks 11 februari 1944 is zijn lichaam, samen met honderden andere lijken, met de trekhaak of -riem uit de gaskamer gesleurd om in de open lucht op een enorm rooster verbrand te worden. De restanten verdwenen in een moeras. Volgens Loe de Jong waren tot en met 3 september 1944 in totaal precies 68 treinen met op de kop af 44.541 personen uit Nederland richting Auschwitz vertrokken. Allen wachtte vergassing en verbranding. De kans om eraan te ontsnappen was aanwezig doch miniem. Uit de administratie van de holocaust blijkt dat er 283 overlevenden waren. Dat is 0,63536 procent. De twintigste eeuw heeft ook zijn wonderen stipt en precies geregistreerd.

De eerste Isaäc
Als door een wonder was duizenden jaren geleden de eerste Isaäc, in tegenstelling tot zijn latere naamgenoot, op het nippertje aan verbranding ontkomen. In 1996 ging M.E.F.G. Parmentier van de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht, in een bij de protestantse uitgeverij Kok te Kampen verschenen boek, er nader op in. In de joodse religie geldt het bijna-offer van Isaäk als teken en bewijs van het heilige verbond tussen God en het volk van Israël. Daarmee is Isaäk een van de drie aartsvaders, ook al speelt hij in Genesis verder een tamelijk sullige rol. De christelijke traditie wil het anders. Daar staat Isaäk te boek als profeterend symbool van de komst van de Ware Verlosser Jezus Christus. De verhalen over hen vertonen namelijk veel overeenkomsten. Isaäk kwam uit de verdorde schoot van de bejaarde Sara. Een wonder. Hoe was dat gesteld met de geboorte van de Heiland? Daarover heerste eerst onzekerheid. Ondanks de evangeliën van Mattheus en Lucas voerden elkaar verketterende kerkvaders er een stevige discussie over. Pas tussen 300 en 400 ná Christus kwamen zij eenstemmig tot de conclusie dat de geboorte uit de gezegende schoot van de Heilige Maagd een onloochenbaar feit was. Dat was dus een nog gróter wonder. En had God het door Hemzelf gevraagde offer van Abrahams zoon, die als gewillige martelaar al op de brandstapel lag, uiteindelijk niet geweigerd? Door daarentegen het offer van de eigen Zoon, die zich even gewillig aan het kruis had laten nagelen, wél te aanvaarden stelde de Lieve Heer de definitieve verlossing van de tot zonde vervallen mens in het vooruitzicht. En zo viel er nog wel meer te zeggen. De christen heeft bijvoorbeeld niet één uitverkoren volk op het oog, maar het heil van àlle mensen en volkeren. De christelijke religie is dus superieur aan de joodse. Dat was althans impliciet – en soms expliciet – de slotsom van de kerkvaderlijke polemiek tegen het concurrerende jodendom. Geschiedenis is doorgaans geen lesgever. In dit geval leert ze toch dat haar verschroeiende adem vele eeuwen lang is.

Alle geloof bestaat bij de gratie van met het verstand onoplosbare raadsels. Wat te geloven bij de verbranding van Isaäc Roet Jzn. in de twintigste eeuw? Een gewillige martelaar is hij, naar het me voorkomt, niet geweest. Had hij zich niet listig verzet tegen de roof van zijn octrooi? Bovendien heb ik nu afschriften van brieven in mijn bezit waaruit blijkt dat hij in het najaar van 1943 aan de deportatie wilde ontsnappen. Op 15 september schreef de Beauftragte für die Niederlande des Reichsministers für Bewaffnung und Munition, ongetwijfeld op instigatie van Isaäc, een brief aan Herrn SS-Sturmbannführer Lages van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung. De Beauftragte verzocht Freistellung des Juden Isaac Roet vor dem Abzugvoor de duur van drie maanden, opdat die verder kon werken aan zijn kantoormachine. Dat was van belang voor de Duitse oorlogvoering. Isaäc mocht zich vleien in de hoop en verwachting weldra Rüstungsjude te zijn. Maar twee weken later liep het bij de grote september-razzia in Amsterdam toch spaak. Tijdens ‘nachtdienstvervulling bij den Joodschen Raad’ van 28 of 29 september vatte de arrestatieploeg Isaäc in de kraag. Na aankomst in Westerbork probeerde hij het onmiddellijk opnieuw. Hij beriep zich onder andere op de zogeheten Putkammer-Sperre, die voor hem op 24 september bij de Sicherheitspolizei was aangevraagd. Deze lijst, opgezet door een tot Nederlander genaturaliseerde Duitser, betekende inderdaad voor honderden joden uitstel – en voor de helft van die gevallen ook afstel – van executie. Er zijn nog nader te bespreken aanwijzingen dat Isaäc in oktober of november 1944 naar Amsterdam is teruggekeerd. Zijn Sperren ten spijt is hij eind januari 1944 opnieuw opgepakt, naar Westerbork getransporteerd en vervolgens onmiddellijk naar Auschwitz gedeporteerd. Onmiddellijk na aankomst is hij vermoord.

Een foeilelijke suikerpot
Erich Klein, mijn vader, is al bij het begin van de massale deportaties in juli 1942 door een ijverige politieman op zijn werk gearresteerd. Hij is, net als Isaäc, afgevoerd naar Westerbork. Onderweg zag hij op het station in Utrecht kans zijn gouden horloge dat hij op zijn achttiende verjaardag had gekregen, aan onze, toevallig passerende, huisarts te geven. Die was zo goed het met een anoniem briefje – getekend N.N. – aan mijn moeder te sturen. Zo kreeg ze ten minste te horen waarom mijn vader de vorige dag niet thuis was komen eten. Het horloge is er nog altijd. Uit Westerbork zijn toen tot begin september al meer dan elfduizend slachtoffers weggezonden naar Auschwitz. Maar mijn vader was na een week, net als Isaäc, weer vrijgelaten. Als daad van verzet heeft hij er een foeilelijke aardewerken suikerpot in roze en lichtblauw gestolen en meegenomen. Die suikerpot staat nu in mijn huis. Wie hem breekt heeft zijn leven verspeeld. De oorspronkelijke eigenaar of eigenaresse zal wel vergast zijn.
        Mijn vader was geboren op 21 september 1896 in Langenzersdorf, Oostenrijk. Hij is, meer dan 86 jaar oud, gestorven op 3 maart 1983 in mijn woning aan de Kralingse Plaslaan te Rotterdam in Nederland.
        Net als Isaäc was mijn vader andermaal opgepakt. Dat was in maart 1944. Anders dan Isaäc kwam hij terecht in Drenthe. Daar hielp hij als dwangarbeider mee bij de aanleg van een militair vliegveld in de buurt van Havelte. Nauwelijks te eten maar dertien uur zware arbeid per dag; op zondagen waren het er tien. Bouwplaats en dwangarbeiders vormden een geliefkoosd doelwit van de geallieerde luchtmacht. De SA nam de kampleiding over van de Wehrmacht. Geen verbetering, vond mijn vader. Op Dolle Dinsdag 5 september 1944 nam hij de benen. De Feldgendarmerie greep hem nog diezelfde dag. Zijn executie als saboteur was onvermijdelijk. Dankzij ingrijpen van zijn werkbaas, een foute Nederlandse ‘bunkerbouwer’, mocht hij op het laatste nippertje terug naar het kamp. In oktober ging hij er weer vandoor. Die SA wurde gemein, schreef hij later aan een vriend. Mijn vader had alles wat Engels was lief en dus ook het understatement. Ik meende te horen dat hij samen met een lotgenoot in een gestolen roeibootje het IJsselmeer was overgestoken. Zo kwam hij thuis om er een dag of wat onder te duiken. Maar de bevrijding stond daar niet voor de deur. De hongerwinter wel. Pas zeven maanden later kwamen de Canadezen. Men zette ons op de weegschaal. Mijn ouders en zusje en ik waren toen zo’n dertig à veertig procent van ons normale gewicht kwijt.

Raadsels, raadsels, raadsels. Het raadsel van slechte en goede tijden. Waarom kan de een wél, maar de ander níet zijn lot in eigen handen nemen? De geschiedenis is vol raadsels. Moet ook de historicus bij volle verstand geloven dat de wonderen de wereld niet uit zijn? Of is er misschien ook iets verstandelijks te zeggen over het lotgeval van Isaäc Roet en Erich Klein en de geschiedenis van de twintigste eeuw? Zo ja, wat precies? De zoektocht gaat verder.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.