• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 8/2003

    Een eeuw straf in Nederland

    Messteken in het hoofd: één maand cel

    Door: Femke Deen

    Een man die aan het begin van de vorige eeuw een politieagent in het been stak, kreeg drie maanden gevangenisstraf. Op het stelen van een handkar stond zes maanden. De Nederlandse strafcultuur is in de twintigste eeuw sterk veranderd. Geweld is nu ernstiger dan diefstal, en de straffen werden humaner, hoewel de tolerantie ten opzichte van criminelen weer afneemt.

    In het jaar 1900 rukte de 29-jarige Johannes Koster een gouden horloge van het vest van een deftige heer en zette het op een lopen. Het slachtoffer begon te gillen en te schreeuwen, en al snel werd Koster achternagezeten door een groep omstanders, die ‘Houd de dief!’ riepen. Koster had geen schijn van kans. Hij werd gepakt en werd veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf.

    Nu is deze situatie moeilijk voor te stellen; een straf van anderhalf jaar voor een dergelijk delict is ondenkbaar. Op tasjesroof – zonder geweld, met een enkele ruk – staat maximaal twaalf weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf, als het tenminste de eerste keer is dat de persoon in kwestie wordt veroordeeld.

    De Nederlandse strafcultuur is in de vorige eeuw sterk veranderd. Was het rond 1900 alleen de rechter die een straf kon opleggen, nu zijn ook opsporingsambtenaren, Halt-bureaus en het Openbaar Ministerie daartoe bevoegd. Bijna de helft van de strafzaken haalt daardoor de rechter niet meer. Spreekt de rechter zich wel uit, dan kan hij kiezen uit taakstraffen, leerstraffen, verschillende vormen van voorwaardelijke straf, een arsenaal aan boetes en, voor de jonge overtreders, een werkstraf via de Halt (Het Alternatief)-bureaus.

    Maar het strafklimaat is sinds 1900 niet alleen milder geworden. De laatste twee decennia van de twintigste eeuw is het denken over straf in de samenleving zelfs opvallend verhard. Opvallend, omdat het grootste deel van de twintigste eeuw in het teken stond van hervormingen om het strafklimaat humaner te maken. De ernst die men toekende aan bepaalde misdaden en overtredingen verschoof en het strafrecht veranderde mee. De laatste jaren wordt er meer én harder gestraft, en de wet wordt aan de lopende band aangescherpt om meer armslag te krijgen.
     

    Ploert

    Hoewel gevangenisstraf voor ernstige misdrijven nog altijd de voornaamste sanctie is, is het tegenwoordig slechts een van de mogelijkheden waaruit rechters en het Openbaar Ministerie kunnen kiezen. Dat was een eeuw geleden wel anders, ontdekte criminoloog en socioloog Sibo van Ruller, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, die onderzoek deed naar trends in detentie. ‘Een heleboel voorzieningen die nu vanzelfsprekend zijn bestonden honderd jaar geleden nog niet. Er was geen kinderrechter of politierechter, en het Openbaar Ministerie trof geen schikkingen. Dus ook degene die een viooltje had uitgegraven uit een gemeenteplantsoen, of zijn trekhond te hard had geslagen, moest voor de arrondissementsrechtbank verschijnen.’

    Gevangenisstraf was rond 1900 verreweg de meest voorkomende straf, bleek uit Van Rullers onderzoek. In driekwart van de gevallen werden daders voor een kortere of langere periode van hun vrijheid beroofd. Zoals de kuipersknecht die in het openbaar de koningin had beledigd. Hij had voorgesteld haar doormidden te snijden en vervolgens het onderste deel ‘aan de jongens te geven’ en het bovenste deel op een paal te zetten. Daarvoor kreeg hij twee maanden gevangenisstraf. Nu zou hij daarvoor vermoedelijk een geldboete krijgen, maar rond 1900 werden die alleen in lichte gevallen opgelegd. Zo kon een persoon die een ander voor ‘ploert’ of ‘schoft’ had uitgemaakt, rekenen op een boete van drie gulden.

    In de loop van de negentiende eeuw waren de lijfstraffen (1854) en de doodstraf (1870) afgeschaft. ‘Hierdoor bleef de vrijheidsstraf over als belangrijkste sanctie,’ vertelt C. Kelk, die als hoogleraar strafrecht en penitentiair recht is verbonden aan het Willem Pompe-instituut voor Criminologie in Utrecht. ‘Na veel discussie werd gekozen voor het cellulaire systeem, waarbij gevangenen die langer dan zes maanden gestraft waren in vrijwel totale afzondering hun straf uitzaten. Dit systeem kreeg in het nieuwe Wetboek van Strafrecht van 1886 de hoofdrol toebedeeld. De inwerkingtreding van de wet werd zelfs uitgesteld totdat de koepelgevangenissen klaar waren die speciaal voor dit regime waren gebouwd, bijvoorbeeld in Haarlem en Breda.’
     

    Gevangenispsychose

    De cellulaire straf werd gezien als beschaafd en humaan. Straf moest niet langer alleen dienen als afschrikking en vergelding voor het slachtoffer, maar ook leiden tot zedelijke verbetering. ‘Men dacht oprecht dat totale afzondering de misdadiger zou helpen,’ vertelt onderzoeker Van Ruller. ‘De gevangenen werden alleen blootgesteld aan stichtelijke praatjes en de bijbel. Bezinning door isolatie, dat was het idee. Kolderiek, als je er nu over nadenkt.’

    De eenzame opsluiting bleek al snel te leiden tot een massale uitbraak van de zogeheten gevangenispsychose. Of, zoals professor Kelk het verwoordt: ‘Mensen werden gek, pleegden zelfmoord of verminkten zichzelf.’ Wetenschappers, maar ook socialisten, onder wie Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die zelf in 1887 een tijd in de cel verbleef wegens majesteitsschennis, begonnen zich tegen de celstraf te keren. In 1906 schreef de criminoloog Arnold Aletrino een boek met de titel Is de celstraf nog langer geoorloofd en gewenscht?

    Intussen woedde binnen de wereld van het strafrecht een felle strijd: strafrechtgeleerden van de zogeheten Moderne Richting pleitten ervoor straf niet langer te zien als vergelding van een schuld, maar als een maatregel die de biologische, psychische of sociale oorzaken van de misdaad moest aanpakken. Straf moest nuttig zijn, en de individuele kenmerken van de dader moesten meewegen bij het bepalen van die straf.

    Onder invloed van de Moderne Richting en de opkomst van het reclasseringswerk werd in 1915 de voorwaardelijke veroordeling ingevoerd. De maatregel zou een prikkel zijn tot zelfverbetering en opvoeding van de dader. Voor het eerst werd het vergeldingsbeginsel losgelaten: een doorbraak die individualisering in de strafoplegging mogelijk maakte.

    Dat betekende nog niet dat er formeel een einde kwam aan eenzame opsluiting. Maar het regime werd na de Eerste Wereldoorlog noodgedwongen aangepast aan de economische omstandigheden. De crisistijd zorgde voor een toestroom van veroordeelde zwarthandelaren en smokkelaars, en de gevangenissen raakten overvol. De zogeheten landlopersinrichtingen in Veenhuizen, waar veroordeelde landlopers en bedelaars werden tewerkgesteld, werden opengesteld voor plegers van economische delicten. ‘In Veenhuizen was wel een gemeenschapsregime,’ aldus Kelk. ‘Het cellulaire systeem werd daardoor al enigszins doorbroken.’
     

    Zelfdwang

    Het zou tot na de Tweede Wereldoorlog duren voordat de grote veranderingslobby op gang kwam. In de oorlogsjaren ondervonden veel prominente Nederlanders die door de Duitse bezetter gevangen waren genomen aan den lijve hoe erg eenzame opsluiting was. Kelk: ‘Dat heeft de hervorming een enorme impuls gegeven. In 1946 werd een commissie ingesteld voor de reorganisatie van het gevangeniswezen. En al in 1953 werd de wet aangenomen waarin de cellulaire straf werd afgeschaft.

    De hervormingen maakten de weg vrij voor andere vormen van straf. Meer daders kwamen in aanmerking voor een voorwaardelijke straf en het gemiddelde aantal detentiedagen nam af. De voorwaardelijke invrijheidsstelling werd steeds algemener toegepast en vanaf 1983 kwamen alle gevangenen in aanmerking voor een verkorting van hun gevangenisstraf, niet alleen degenen die zich tijdens hun opsluiting goed hadden gedragen.

    Het functioneren van de veroordeelde in de samenleving kwam steeds meer centraal te staan. De gevangenissen kregen halfopen en open afdelingen, waar gedetineerden werden voorbereid op hun terugkeer naar de maatschappij. In het begin van de jaren zeventig werden de werkstraf en leerstraf ingesteld als alternatief voor de gevangenisstraf. En in 1983 kreeg het Openbaar Ministerie met de Wet Vermogenssanctie een machtig middel in handen om strafzaken af te doen met een geldboete: een gevangenisstraf tot zes jaar kon vanaf dat moment worden afgedaan met een schikking.

    De zoektocht naar alternatieven voor de vrijheidsstraf kwam voor een deel voort uit idealisme, meent Kelk. ‘Na de oorlog was er sprake van een grote mate van solidariteit. Je wenste een ander niet toe wat je zelf niet wilde meemaken. De democratisering in de jaren zestig en zeventig jaren speelde ook een rol: daar paste het gesloten, hiërarchische rechtsbolwerk en de vroegere machtsverhoudingen niet langer in.’ Maar volgens onderzoeker Van Ruller speelden naast idealisme ook rationele overwegingen een rol. ‘De criminaliteit nam vanaf het begin jaren vijftig toe. Door het aantal strafzaken al in een vroeger stadium af te handelen, zorgde men dat de doorstroom niet stokte. Als alle zaken voor de rechter waren gekomen, zou de strafrechtspleging binnen de kortste keren vastlopen.’ Daarbij telden ook de stijgende kosten mee: er werd naarstig gezocht naar goedkopere en snellere manieren van straffen.

    De opvattingen over bestraffing konden niet zomaar veranderden, meent Van Ruller. Een belangrijke voorwaarde was de verschuiving van externe dwang naar zelfdwang. ‘In de negentiende eeuw werd geen enkele medewerking verwacht van de dader. Er werd een straf opgelegd en daar hield het mee op.’ In de twintigste eeuw deden steeds meer straffen een appel op de zelfbeheersing van de gestraften. ‘Een taakstraf, bijvoorbeeld, gaat ervan uit dat iemand zichzelf kan dwingen om op tijd te komen en de straf te volbrengen.’ Dat zelfdwang steeds belangrijker wordt, komt volgens Van Ruller mede door het gestegen opleidingsniveau. ‘Het merendeel van de Nederlanders is nu geletterd; men kan een beroep doen op hun vermogen tot inzicht en zelfstandigheid.’
     

    Bijstandsfraude

    Maar niet alleen de vorm en duur van de straffen zijn veranderd. Er zijn ook opvallende verschuivingen te zien in welke overtredingen en misdrijven ernstig worden bevonden. Zowel Kelk als Van Ruller signaleert dat ‘de tijdgeest’ in sterke mate bepaalt hoe de publieke opinie oordeelt over overtredingen en misdaden.

    ‘Er zitten golven in wat hinderlijk wordt gevonden,’ stelt Kelk. Hij wijst op de kwestie van de havendiefstallen in de jaren vijftig en zestig. Havenarbeiders drukten toen koffie en andere goederen achterover. ‘Dat werd echt gezien als een plaag. Rechters gingen de havendiefstallen zwaarder bestraffen, om te laten zien dat dit niet zomaar kon.’ Een moderner voorbeeld van publieke ergernis is de maatschappelijke onrust over bijstandsfraude in de jaren tachtig, die toen ook werd gevolgd door zwaardere straffen.

    Van Ruller komt in zijn vergelijkend onderzoek naar straftoemeting zelfs tot de conclusie dat er in de afgelopen honderd jaar een omkering heeft plaatsgevonden. Terwijl rond 1900 diefstal hard werd gestraft en aan geweldsdelicten minder zwaar werd getild, is dat rond 2000 precies andersom. Van Ruller stuitte op veel geweldsdelicten waarvoor alleen een boete werd opgelegd. De man die een vrouw met een stok op het lichaam had geslagen, kwam ervanaf met een boete van drie gulden. En messteken werden beschouwd als eenvoudige mishandeling. Zo kreeg een man die een politieagent in het been stak drie maanden gevangenisstraf. Messteken in het hoofd: één maand cel. Ter vergelijking: op diefstal van een handkar stond toen zes maanden gevangenisstraf, op winkeldiefstal vier maanden en op inbraak negen maanden.

    De hoge straffen op diefstal rond 1900 zijn te verklaren vanuit de veranderde sociale en maatschappelijke omstandigheden, aldus Van Ruller. ‘Als iemand nu een kruiwagen steelt, is dat geen halsmisdaad. Maar rond 1900 beroofde je op die manier misschien wel iemand van zijn broodwinning.’ Aan de andere kant vindt men geweld nu veel ernstiger. ‘Mensen zijn geweld steeds meer gaan zien als een inbreuk op de lichamelijke autonomie en integriteit, niet alleen maar als een schending van de openbare orde,’ stelt professor Kelk. ‘De onrust over zinloos geweld is een voorbeeld van die veranderde instelling. Onder druk van dit soort zaken is men geweldsmisdrijven steeds zwaarder gaan straffen.’

    De veranderende visie op verkrachting als delict illustreert dit. ‘In de achttiende eeuw werd verkrachting gezien als een inbreuk op de rechten van de toezichthouder – de vader of echtgenoot,’ zegt Van Ruller. Over de periode 1899-1902 vond Van Ruller in de arrondissementsrechtbank Rotterdam maar vijf verkrachtingszaken. ‘Daaruit blijkt dat er een groot filteringsmechanisme aan het werk was. Vrouwen durfden het niet aan te geven, of het werd op een andere manier opgelost.’ In de loop van de twintigste eeuw komt hier verandering in. Verkrachting wordt dan niet meer alleen als lichamelijk geweld beschouwd, maar ook als machtsmisbruik en psychologische geweldpleging – als inbreuk op het slachtoffer zelf. Hoewel dit geleidelijk is gegaan, wordt er nu niet langer impliciet van uitgegaan dat de vrouw door haar gedrag aanleiding geeft tot de verkrachting.
     

    Verharding

    Het lijden van het slachtoffer is de laatste decennia steeds meer de maat geworden waaraan de ernst van delicten wordt afgemeten. Kelk: ‘Wat we zien als ernstige misdaden is afhankelijk van wie de slachtoffers zijn, hoe ze zich uiten en hoeveel compassie we met ze hebben.’

    En slachtoffers hebben steeds meer een stem gekregen. In de negentiende eeuw had men een diepgeworteld wantrouwen tegen slachtoffers, die vanwege hun mogelijke wraakzucht en geldelijke belangen angstvallig uit strafzaken werden weggehouden. Maar sinds de jaren zestig worden zij er juist steeds nauwer bij betrokken. De opkomst van het slachtoffer heeft een nieuwe impuls gegeven aan het denken over het doel van straf. Beveiliging van de samenleving is het streven geworden; niemand mag meer risico lopen, en dit gaat steeds vaker gepaard met repressie: verhoging van wettelijke strafmaxima, gedwongen behandeling, centrale registratie van zedendelinquenten en langere proeftijden.

    Het is dan ook steeds moeilijker voor te stellen dat het Nederlandse strafsysteem in de jaren zeventig nog gold als baken van verlichting; er werd toen zelfs serieus gedebatteerd over afschaffing van het strafrecht. Van Ruller zag het aantal gevangenen vanaf het midden van de negentiende eeuw afnemen – tot ongeveer 1975. In dat jaar waren er op 100.000 inwoners 36 gevangenen. ‘Vanaf dat moment vond een duidelijke omkering plaats,’ aldus Van Ruller. ‘Het aantal gevangenen nam explosief toe.’



    Het contrast met andere Europese landen werd daarna blijkbaar gezien als iets dat moest worden weggewerkt, zegt Kelk. Dat is gelukt: inmiddels zit Nederland wat betreft het aantal gevangenen op hetzelfde niveau als de buurlanden. In 2002 was het aantal gevangenen per 100.000 inwoners gegroeid tot 93: bijna driemaal zoveel als in de jaren zeventig. ‘Nederlanders klagen nog steeds over de milde straffen, over criminelen die alleen maar een paar weken in een bejaardentehuis hoeven te werken. Maar dat beeld klopt niet.’

    Volgens beide onderzoekers is de verharding ook een mentaliteitskwestie. Van Ruller: ‘Het idealisme van de jaren zestig en zeventig ebde weg. In de jaren zeventig waren veel mensen tegen de politie, en misdaad was een probleem dat zwaar werd overdreven. Toen het programma Opsporing verzocht voor het eerst op televisie kwam, vonden velen dat onethisch.’ Kelk: ‘Eigenbelang is een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Daardoor is er minder tolerantie ten opzichte van criminelen. Weinig mensen wensen zich nog te verplaatsen in de dader, zoals dat twintig jaar geleden wel gebeurde.’

    Strafrechtgeleerden en criminologen, onder wie Kelk en Van Ruller, maken zich zorgen over de verharding. ‘Zwaarder straffen lost de problemen niet op,’ aldus Kelk. Van Ruller: ‘Strafrecht is ervoor om onze wilde reflexen tot vergelding te kanaliseren. Daarom is het een heel belangrijk instituut, waar niet zomaar aan getornd mag worden.’


    Kaders

    De kinderen van de dief


    Veroordeel niet met de hardheid van de jeugd
    hem, die eens afwijkt van het pad der deugd.


    Met deze dichtregels, neergepend in het poëziealbum van zijn dochter Els, smeekt vader Van Stekelenburg om vergeving voor zijn naderende detentie. De scène is afkomstig uit het jeugdboek De kinderen van de dief van Mathilde Smits-Esperstedt (1959), dat handelt over het gezin Van Stekelenburg, waarvan de vader de gevangenis in moet wegens verduistering. Het verhaal is moralistisch en mierzoet, maar een prima illustratie van de veranderde opvattingen over diefstal en verduistering.

    In een van de hoofdstukken vertelt de twaalfjarige Els aan de hoofdmeester dat haar vader, die boekhouder is, gevangenzit omdat hij geld van zijn baas heeft gestolen om de operatie voor zijn zieke vrouw te betalen. De meester reageert begripvol: ‘Je vader heeft zijn baas schade berokkend door wat hij deed. Hij vergreep zich aan het eigendom van een ander. Daarvoor moet hij nu boeten, maar als hij weer bij jullie terug is kan hij alles weer goedmaken.’

    Hij vervolgt: ‘Hij kan zijn fout weer goedmaken, want waar hij zich aan vergreep, dat was geld, niet iets wat lééft. Hij heeft zich aan iets vergrepen; had hij zich aan iemand vergrepen, dan zou het veel erger zijn. […] Als je je aan iemand vergrijpt, dan doe je hem schade aan zijn levende lichaam.’

    Ook hier blijkt dus dat diefstal en verduistering in de jaren vijftig al als minder ernstige misdaden werden beschouwd dan geweld. En verduistering vond men in die tijd ook nog eens minder erg dan diefstal, aldus strafrechtgeleerde C. Kelk van het Willem Pompe-instituut. ‘In verduisteringszaken ging het meestal om boekhouders; dat waren toen nog de enige mensen die direct met veel geld in aanraking kwamen. Dat waren vaak geen rijke mensen, en je kon het hun eigenlijk niet kwalijk nemen dat ze voor de verleiding zwichtten.’

    In De kinderen van de dief mag vader Van Stekelenburg dan ook terugkomen bij zijn baas – al heeft dat in dit geval ook te maken met het feit dat Els en haar broertjes en zusje met hun rechtschapen gedrag het hart van de baas hebben gestolen. ‘Als de beide mannen dan rustig tegenover elkaar zitten, vraagt de baas nogmaals aan vader of hij weer bij hem wil komen en hij vertelt, dat hij niet in de verste verte wist hoe moeilijk vader het gehad heeft.’

    Inmiddels zou dat niet zo snel meer gebeuren, meent Kelk. ‘Verduistering wordt nu weer erger gevonden dan diefstal. Het wordt gezien als een beschadiging van het vertrouwen.’


    Geen gelummel

    De mensen die eind negentiende eeuw werden gestraft met een gevangenisstraf, maar niet met eenzame opsluiting, werden niet geacht zomaar wat te lummelen in hun cel. Gearbeid moest er worden, en flink ook. De minister van Justitie, mr. M.W. baron Du Tour van Bellinchave, had daarom in 1887 een wet opgesteld die de dagindeling van de gevangene tot op de minuut vastlegde. Zo hoefde er geen tijd in ledigheid te worden doorgebracht. ‘Des duivels oorkussen’ moest op een afstand worden gehouden.

    ’s Zomers werd de gevangene stipt om zes uur gewekt door middel van een koperen bel die in de centrale hal hing; ’s winters mocht men een uurtje langer slapen. Er stond een halfuur gepland voor het wassen, aankleden en het in orde brengen van het ‘nachtleger’. Een volgende slag van de bel luidde de aanvang van de werkzaamheden in.

    Er was genoeg te doen: mannen konden kokosmatten vlechten, kleren maken of schoenen repareren. Voor vrouwen was er verstel- en breiwerk. Om acht uur luidde de bel alweer: de gedetineerde begaf zich naar de eetzaal voor een opkikkertje bestaande uit roggebrood en een kan heet water. Na een halfuur keerde men terug naar het werk, dat drie kwartier werd onderbroken ‘voor het nemen van beweging in de openlucht’.

    Van twaalf uur tot halftwee stonden rust en lunch gepland. Het middagmaal bestond veelal uit stijve gort met vet of dikke gortsoep met flinters vlees, ‘aardappelrats’ met vet of erwtensoep met vet. Het vet was belangrijk, als energiebron voor de arbeid. De porties waren dan ook precies vastgelegd: twee ons vet per persoon per week. Bij extra gestraften werd op de rantsoenen gekort, wat bij dergelijke afgemeten hoeveelheden al snel kon leiden tot ondervoeding, verzwakking en ziektes als tuberculose. De rusttijd kon men nuttig besteden aan schoolwerk en het lezen van stichtende lectuur.

    Aldus aangesterkt begon de gevangene om halftwee aan het middagprogramma: arbeid tot halfvijf. Na een halfuurtje rust begon om vijf uur de laatste dienst, die voor een kwartier onderbroken werd voor roggebrood met een kannetje koffie. Om halfnegen was de arbeid voor die dag gedaan en kon men gaan rusten, totdat om tien uur voor het laatst de bel luidde: tijd om te gaan slapen.

    Uit: Bajes aan het Spaarn. Honderd jaar Haarlemse inrichtingen door W.A. Spruit, een uitgave van Penitentiaire Inrichting Midden-Holland, locatie Haarlem (2001).