• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 7/2005

    Een bruine wetenschap

    Uit liefde voor het volk. Volkskundigen op zoek naar de Nederlandse identiteit 1918-1948 door Barbara Henkes

    Door: Albert van der Zeijden

    Het heeft de Nederlandse volkskunde nooit ontbroken aan kleurrijke figuren. Van de serieuze Leidse hoogleraar Jan de Vries (1890-1964), die tijdens de oorlog in nazistisch vaarwater belandde en leider werd van de Kultuurkamer, tot en met de geïnspireerde christen-socialist P.J. Meertens (1899-1985), onvergetelijk geportretteerd als meneer Beerta in Voskuils Het Bureau.


    In haar biografische portrettengalerij Uit liefde voor het volk heeft Barbara Henkes daar nog twee andere figuren aan toegevoegd: de door Willem Frijhoff ooit als charlatan getypeerde D.J. van der Ven (1891-1973), die zich onderscheidde door het organiseren van folkloristische optochten en daarmee de volkscultuur tot een kermisattractie maakte; en de niet minder kleurrijke Nico de Haas (1907-1995), die samen met zijn vriend Cas Oorthuys begon als arbeidersfotograaf met een grote sympathie voor de Sovjet-Unie, maar in de oorlog in zijn hang naar antiburgerlijkheid SS’er werd en de belangrijkste man achter het populaire, rijk geïllustreerde nazistische volkscultuurblad De Hamer.

    Bijna allemaal hebben ze in de gevangenis gezeten. De meesten vanwege hun politieke overtuigingen, die na de oorlog werden veroordeeld als ‘fout’; Meertens omdat hij in 1940 gearresteerd werd op beschuldiging van homoseksuele contacten met twee jongens, terwijl hij zich nota bene vanaf 1934 had ingezet als bezoeker en toezichthouder voor het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen! De Vries en Van der Ven kregen een publicatieverbod opgelegd; De Haas nam een andere naam aan en dook onder in Duitsland, waar hij zich pas in 1977 weer bekendmaakte.

    Gezien het bovenstaande is het niet verwonderlijk dat de volkskunde na de oorlog het imago kreeg van een ‘bruine’ wetenschap, die zich voor het karretje liet spannen van de Duitse Kulturraumforschung, waarbij Nederland en België ook in culturele zin bij Duitsland werden ingelijfd. Een foute wetenschap met pseudo-wetenschappers die op basis van verkeerde uitgangspunten wetenschap bedreven.

    In haar boek rekent Barbara Henkes af met deze simplistische tegenstelling tussen goed en fout. Niet alleen in politiek opzicht blijkt de scheidslijn tussen goed en fout niet eenduidig te trekken, ook de relatie tussen wetenschap en politiek blijkt complex. De nu als politiek ‘goed’ beschouwde Meertens blijkt bijvoorbeeld ook zijn dilemma’s gehad te hebben en zelfs nog een tijdje lector te zijn geweest voor de Kultuurkamer. Omgekeerd blijken De Vries en Van der Ven minstens zo vaderlandslievend als Meertens; zo hielden ze direct na de Duitse inval patriottische lezingen voor de Nederlandse troepen.

    Wat ze allemaal met elkaar gemeen hadden, is dat hun wetenschappelijke standpunten bijna onlosmakelijk verbonden waren met politieke keuzes en vice versa. Toch was het geen één-op-éénrelatie. Meertens was bijvoorbeeld een groot bewonderaar van de Duitse cultuur, maar tijdens de oorlog wist hij echter op tijd afstand te houden. De Vries legde in zekere zin de omgekeerde weg af. In zijn wetenschappelijke studies over de Germanen wees hij vaak naar Scandinavische wortels en zette hij zich af tegen een ‘verduitsing’ van het Germaanse verleden. Toch belandde hij uiteindelijk in het Duitse kamp.

    Alles blijkt ingewikkelder dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Henkes laat zien dat die ene grote keuze voor of tegen het nazisme in de praktijk veel beter is te interpreteren als een continu proces van kleine handelingen en beslissingen, ingegeven door afwisselend emotionele, politieke, wetenschappelijke en soms zelfs opportunistische overwegingen, die nu eens de ene en dan weer de andere richting uit gingen.

    Toch blijft er één paradox over. Als Henkes gelijk heeft dat inderdaad niet gesproken kan worden van één grote beslissing voor of tegen het nazisme, waarom dan toch deze beslissing zo centraal blijven stellen, zoals ze in haar boek doet? Blijft ze dan zelf niet, ongewild, ook in de ban van goed en fout?

    Het is slechts in retrospectief dat deze ene keuze werd uitgelicht en sommige volkskundigen letterlijk in de beklaagdenbank kwamen en zich moesten verantwoorden in de Bijzondere Rechtspleging na de oorlog. Het is begrijpelijk dat de schijnwerper na de oorlog juist op dit aspect werd gezet, maar het doet onvoldoende recht aan de kleine en grote beslissingen die de wetenschappers onder druk van de oorlog doorlopend moesten nemen.

    Albert van der Zeijden is medewerker van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur.