In de Duitse herinnering aan de Eerste Wereldoorlog en de nasleep van de Tweede neemt hongersnood een voorname plaats in. Die herinnering is steeds voor politieke doeleinden gebruikt, stelt historicus Anne van Mourik.
Van Mourik onderzoekt in haar proefschrift hoe twee perioden van massale honger in Duitsland zijn blijven voortleven in de nationale herinnering. De eerste hongerperiode deed zich voor tijdens de Eerste Wereldoorlog, als gevolg van een geallieerde blokkade van de Duitse zeehavens. De keizerlijke regering greep de nood aan om propaganda te voeren tegen de Britten en hun ‘oneervolle’ strijdmethoden. Ook na de oorlog werd de herinnering aan de hongerblokkade levend gehouden, omdat ze een alternatieve verklaring bood voor de pijnlijke nederlaag. De nazi’s concludeerden dat Duitsland voor zijn voedselvoorziening nooit meer afhankelijk mocht zijn van het buitenland, maar eigen Lebensraum moest bezitten.
Direct na de ineenstorting van Hitlers regime heerste er opnieuw honger. De herinnering aan deze periode was verschillend in Oost- en West-Duitsland. Schoolboeken in de DDR gaven de schuld aan het kapitalisme, die in de Bondrepubliek vertelden dat het Wirtschaftswunder juist een einde aan de ellende maakte. Na de Duitse hereniging is het collectieve daderschap belangrijker geworden in educatie en zijn de hongerverhalen naar de achtergrond verdwenen. Met één uitzondering: de ontberingen van Duitsers die na de oorlog werden verdreven uit Oost-Europa worden vergeleken met het lot van hedendaagse vluchtelingen.
