Al die andere bezoekers keken de afgelopen eeuw naar een stuk door mensen gemaakt kristal van een paar tientjes. Maar voor mij blinkt een van de zeldzaamste objecten ter wereld: een diep in de aarde gevormd brokje koolstof dat misschien honderden miljoenen waard is. Of meer. Voor een uniek object als dit bestaat geen prijs.
De uitnodiging was verleidelijk. De Roze Diamant, ook bekend als de Grand Condé, is de komende paar maanden voor het publiek te zien. Daarna neemt een replica de plaats in de vitrine weer in. De tentoonstelling is in het paleis van Chantilly, het negentiende-eeuwse futuristische pronkjuweel net boven Parijs, misschien wel het meest uitzinnige bouwwerk van Frankrijk – een land dat grossiert in stenen uitroeptekens. Of ik zin had alvast een kijkje te nemen, op een dag voor journalisten, historici en gemologen, voordat het grote publiek de oorspronkelijke steen te zien krijgt? Natuurlijk. Want de Grand Condé en het gebouw dat hij volgens een oude bepaling nooit mag verlaten, zijn magisch. Ze druipen van de geschiedenis.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Royale hebbedingetjes
Diamanten zijn de tijdreizigers van deze wereld. De meeste zijn tussen 1 en 3 miljard jaar oud en vormden zich toen de aarde zich nog vormde. Mensen schatten ze al zo’n drieduizend jaar op waarde. Aanvankelijk kwam vrijwel elke diamant uit Centraal-India; pas vanaf de achttiende eeuw kwamen er meer vindplaatsen bij, in Brazilië, Zuid-Afrika en Siberië. Van meet af aan waren het royale hebbedingetjes. In de Middeleeuwen heette een diamant in het Latijn lapis regius: de steen van de koning. Velen geloofden dat die heldere, harde objecten vorsten tegen vergiftiging en ziekte beschermden, veelvoorkomende doodsoorzaken aan Europese hoven. Dus kregen ze een belangrijke plaats in koninklijke juwelencollecties. Een diamant op een kroon verwees ook naar onvergankelijkheid en goddelijk recht.

Er zijn diamanten in soorten en maten. Cruciaal voor de begeerlijkheid en dus de prijs is de zuiverheid: hoe helderder, dus hoe minder andere stoffen erin opgesloten zitten, hoe beter. En een van de zuiverste is de Grand Condé. In 1740 duikt hij voor het eerst op in een inventaris van de bezittingen van Louis-Henri van Bourbon, oud-premier van Frankrijk, ontdekten archivarissen van Chantilly onlangs. Mogelijk erfde hij de steen van zijn vader, die hem weer van koning Lodewijk XIII zou hebben gekregen; volgens diezelfde overlevering was het kleinood in Frankrijk terechtgekomen via ontdekkingsreiziger Jean-Baptiste Tavernier, die meer diamanten uit India naar Europa bracht. ‘Maar voor al die verhalen hebben we geen enkel bewijs gevonden,’ zegt Mathieu Deldicque, conservator van het museale gedeelte van Chantilly. ‘Overigens hebben we ook geen bewijs dat het niet zo is gegaan.’
Te zuiver voor onderzoek
Misschien kon de bètawetenschap meer antwoorden geven. Voor deze tentoonstelling liet het museum de diamant uitgebreid door wetenschappers onderzoeken. Dat gebeurde in Chantilly, want de steen mag het paleis niet uit: de laatste particuliere eigenaar, de hertog van Aumale, schonk hem eind negentiende eeuw aan de Franse staat onder die voorwaarde. Uit de analyses met de nieuwste apparatuur bleek dat de Grand Condé inderdaad een van de zuiverste exemplaren ter wereld is, en dat de diepe roze kleur niet komt door verontreiniging, zoals bij veel andere roze diamanten, maar door microscopisch kleine holtes er binnenin. Daardoor reflecteert de edelsteen licht van bepaalde golflengtes sterker dan andere en lijkt hij de kleur van zuurstokken te hebben. Hoe dat precies werkt, weten de gemologen ondanks alle technische hoogstandjes nog altijd niet.

Waar de diamant precies vandaan komt, kregen ze al het technische vernuft ten spijt ook niet vastgesteld. Normaal gebruiken gemologen voor herkomstbepaling spectrometrische analyse van verontreinigingen binnenin de diamant, maar de Grand Condé is zo zuiver dat die er vrijwel niet zijn. De schoonheid van de diamant verbergt zo de oorsprong. De Golconda-mijnen bij het huidige Hyderabad in India zijn de meest waarschijnlijke kandidaat; daar kwam in de zeventiende eeuw de overgrote meerderheid van de diamanten die in Europa werden aangeboden vandaan. Zeker is het alleen niet. We weten alleen dat de steen in de vlammen van de eeuwigheid is gesmeed.
De Pink Panther-diamant
Wat wél vaststaat: hoe de diamant in 1926 werd gestolen door twee gedemobiliseerde Franse piloten. Het was, zoals wel vaker bij onbetaalbare museale objecten, een opmerkelijk eenvoudige inbraak. Maar de dieven zaten met hun buit in hun maag, want elke juwelier bij wie ze de steen probeerden te slijten, herkende de Grand Condé en trok zich snel terug. De twee dieven verstopten hem daarop in een appel die ze op hun hotelkamer lieten liggen. Een hongerig kamermeisje beet erin, en de rest is tandheelkundige en penitentiaire geschiedenis. Het geeft de toch al fameuze diamant nog meer cachet. De tentoonstelling is niet voor niets exact een eeuw na de diefstal; overal op de expositie zijn verwijzingen naar de misdaad.

Het verhaal van de diefstal vormde in de jaren zestig en zeventig zelfs de inspiratie voor een reeks Hollywoodfilms. In de Pink Panther-serie draait alles om een roze diamant die telkens weer wordt gestolen. Heel bijzonder: er zit een afwijking in het binnenste – net als de holtes die nu zijn ontdekt door de wetenschap – die de vorm heeft van een prachtige panter. De onhandige Franse inspecteur Clouseau vindt de steen door puur geluk steeds weer terug. Het grote verschil met de echte Roze Diamant is de omvang: de Pink Panther lijkt op een flinke dennenappel, de Grand Condé zou een vermogende matrone makkelijk kwijtraken in haar juwelendoos. Zo is de realiteit vaak complexer en subtieler dan de producten van de menselijke fantasie.
De Roze Diamant is tot 3 januari 2027 te zien in het Musée Condé van het Château de Chantilly, 50 kilometer ten noorden van Parijs.
