In de negentiende eeuw kwam de zorg voor verwaarloosde kinderen op gang, aanvankelijk vooral in particuliere kring. Groot probleem was de macht van de ouders, die hun kinderen konden terughalen wanneer zij maar wilden.
Net op het nippertje wist de liberale minister van Justitie Cort van der Linden in 1901 zijn kinderwetten door de Kamer aanvaard te krijgen. Het progressief-liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius moest enkele maanden later plaats maken voor een kabinet onder leiding van Abraham Kuyper. Kuyper was geen fan van het beleid van de regering die zichzelf ‘het kabinet der sociale rechtvaardigheid’ had genoemd. Onder zijn leiding zouden de kinderwetten waarschijnlijk niet levensvatbaar zijn geweest. Toch waren deze hard nodig.
De sociale nood was hoog aan het einde van de negentiende eeuw. Op zoek naar werk trokken veel arbeiders naar de grote steden, maar daar troffen ze geen beter leven. Voor een mager loontje moesten mannen, vrouwen en kinderen lange dagen maken in de fabrieken. Bij elke kleine economische tegenslag werden deze mensen meteen werkloos. Grote gezinnen woonden onder slechte omstandigheden in krappe woningen. In deze situatie waren veel ouders niet in staat om hun kinderen goed op te voeden. ‘Arme kinderen, vaak in ontucht en dronkenschap geteeld, opgegroeid in pestholen der zonde; op straat gejaagd om geld thuis te brengen, door de ouders verzwadderd, letterlijk in een hel groot geworden,’ schreef dominee en CHU-politicus J.Th. de Visser in 1930.
Verbeterhuizen
Het was niet alleen uit onbaatzuchtige interesse dat de hogere klassen in Nederland zich bezig hielden met deze verwaarloosde kinderen. Ze maakten zich flink zorgen over de jeugdcriminaliteit in Nederland. Dat was niet onterecht, de misdaad onder jongeren nam ernstig toe. In 1893 bijvoorbeeld zaten 2086 kinderen van tien tot zestien jaar in gevangenissen en huizen van bewaring. Ze hadden zeker niet allemaal zware misdaden gepleegd – in 1878 veroordeelde
Dat er een verband was tussen verwaarlozing en criminaliteit van kinderen zag de heersende klasse wel in. De verantwoordelijkheid hiervoor werd bij de ouders gelegd. Er was weinig vertrouwen in
En dat kon in de vele kindertehuizen. Overal in Nederland werden gestichten geopend. Ook vanuit rooms-katholieke hoek was er interesse voor
Eind negentiende eeuw waren er inmiddels honderden particuliere tehuizen. Wettelijk gezien hadden zij echter geen bestaansrecht. Het geld voor de instellingen moest uit de liefdadigheid komen. Een ander probleem waar de vrijwilligers van de particuliere verenigingen, kerken en tehuizen tegenaan liepen, waren de ouders. De ouderlijke macht over kinderen was bijna onbeperkt. ‘Hoe dikwijls moest niet, als gevolg van het optreden van ouders die zich na jaren hun ouderschap herinnerden, bij voorkeur als de kinderen aan geld verdienen toe waren, een plaatsing in een inrichting ontijdig worden beëindigd,’ klaagt een kinderbeschermer uit die tijd. Men drong aan op wetgeving om de macht van de ouders zo nodig te beperken.
In 1896 stelde de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen een commissie in die onderzoek moest doen naar de hulp aan verwaarloosde kinderen in Nederland. Een van
Tuchtschool
Ondanks de maatschappelijke roep om betere kinderbescherming, stonden de politieke partijen in eerste instantie niet te springen om het probleem aan te pakken. De schoolstrijd, waarin religieuze groepen financiering voor eigen scholen eisten, was nog niet achter de rug. Zowel de katholieken als de gereformeerden hadden principiële bezwaren tegen overheidsbemoeienis bij kinderopvoeding. Men vond dat de overheid zich op het gebied van pedagogische normen en waarden op de vlakte diende te houden. Ook heropvoeding moest in eigen kring opgelost worden. Socialisten en progressieve liberalen waren juist voor een bijdrage van de staat.
De grootste bezwaren uit confessionele hoek wist Cort van der Linden te omzeilen door een onafhankelijk College van Toezicht, Bijstand en Advies voor het Rijks- Tucht- en Opvoedingswezen te beloven. Dit orgaan van deskundigen moest voorkomen dat de overheid te veel macht en invloed zou krijgen. En uiteindelijk gaven de voordelen van de kinderwetten de doorslag. Nu zou er een instrument komen waarmee ouders uit de ouderlijke macht gezet konden worden. Zo werd langdurige heropvoeding mogelijk zonder dat ouders deze konden verstoren. Bovendien was de beloofde subsidie een interessant lokkertje voor particuliere instellingen en de daaraan verbonden religieuze organisaties.
Op 1 december 1905 traden de kinderwetten eindelijk in werking. Dit duurde zo lang omdat er allerlei nieuwe instellingen opgericht moesten worden om de wetten te kunnen uitvoeren. De wetten bestonden uit drie delen: de burgerlijke kinderwet, de kinderstrafwet en de kinderbeginselenwet. De burgerlijke kinderwet maakte inbreuk op de van oudsher bijna onaantastbare vaderlijke macht. Tot dan toe kon men een onwaardige ouder zijn kinderen alleen ontnemen als deze met of tegen zijn kinderen een strafbaar feit gepleegd had. In de nieuwe wetten hadden vaders niet alleen rechten maar ook plichten. Zo hadden ze de plicht om hun kinderen goed te verzorgen en op te voeden. Als ouders zich hier niet aan hielden, konden hun kinderen afgenomen worden. Moeders hadden nog geen juridische macht.
Ook het kinderstrafrecht veranderde. Niet de daad maar de dader stond voortaan centraal. Straf moest volgens Cort van der Linden een opvoedende kracht hebben. Het nieuwe strafrecht moest tegelijkertijd ’tuchtmiddel en opvoedmiddel’ zijn. Langdurige celopsluiting kwam in het nieuwe gevangenisstelsel voor jongeren niet meer voor. In plaats daarvan zou er een nieuwe opvang komen: de tuchtschool.
Door het kind te helpen kon de maatschappij meteen beschermd worden tegen de stijgende criminaliteit. Bovendien kon het door de langdurige dwangopvoeding niet meer terugkeren naar het verderfelijke milieu waar het vandaan kwam.
Na de invoering van de wetten werden in het hele land nog meer voogdij-instellingen opgericht. Met de subsidies van de overheid kon de jeugd in de eigen kring worden opgevoed. De meeste kinderen die aan de ouderlijke macht werden onttrokken, kwamen hier terecht. Alleen die jongeren die zich in de particuliere gestichten misdroegen of die in hoge mate ‘pervers’ dan wel ‘achterlijk’ waren, zaten in een rijksopvoedingsgesticht.
Pleeggezinnen
De particuliere instellingen bevonden zich vaak ver buiten het corrumperende stadse leven. De gebouwen stonden midden in de natuur, niet alleen omdat het buitenleven een heilzame werking zou hebben maar ook om te voorkomen dat de pupillen met verkeerde invloeden in aanraking konden komen. Het wonen in een instelling was geen pretje voor de kinderen. Het was onmogelijk om in de sombere, kille panden en de ongezellige woonruimtes een thuis te zien.
Godsdienst en (vak)onderwijs vormden belangrijke onderdelen in het leven van de jongeren. Hun vrije tijd werd vooral gevuld met zingen, lezen en wandelen. Contact met familie werd zoveel mogelijk beperkt. Om de kwalijke invloed van familieleden te verminderen, waren er strenge voorschriften rond bezoek. Ook werd de briefwisseling met de buitenwereld nauwkeurig in de gaten gehouden.
Een aantal organisaties gaven de voorkeur aan opvang in pleeggezinnen. Dominee Scheltema, oprichter van de Maatschappij tot Opvoeding van Weezen in het Huisgezin, wilde een eind maken aan de gestichten, die hij ‘doodskisten der levenden’ noemde. Toch werd er noodgedwongen vaak voor opvang in tehuizen gekozen. Dit kwam ook doordat er een gebrek aan geschikte gezinnen was. Arbeidersgezinnen bijvoorbeeld, voldeden bijna nooit aan de hoge eisen die werden gesteld.
Ook leidde het plaatsen van kinderen in pleeggezinnen regelmatig tot problemen. Zo schreef W.A. Ort in
Maar ondanks de wat kille tehuizen en misstanden in pleeggezinnen, waren de kinderwetten een enorme verbetering ten opzichte van de oude situatie. De mogelijkheid om vaders uit de ouderlijke macht te ontzetten bleek
Dit artikel is exclusief voor abonnees