• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 9/2007

    De invoering van de kinderwetten in 1901

    ‘Arme kinderen, opgegroeid in pestholen der zonde’

    Door: Floor Bal

    In de negentiende eeuw kwam de zorg voor verwaarloosde kinderen op gang, aanvankelijk vooral in particuliere kring. Groot probleem was de macht van de ouders, die hun kinderen konden terughalen wanneer zij maar wilden. De kinderwetten van 1901 maakten daar een eind aan.

    Net op het nippertje wist de liberale minister van Justitie Cort van der Linden in 1901 zijn kinderwetten door de Kamer aanvaard te krijgen. Het progressief-liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius moest enkele maanden later plaats maken voor een kabinet onder leiding van Abraham Kuyper. Kuyper was geen fan van het beleid van de regering die zichzelf 'het kabinet der sociale rechtvaardigheid' had genoemd. Onder zijn leiding zouden de kinderwetten waarschijnlijk niet levensvatbaar zijn geweest. Toch waren deze hard nodig.

    De sociale nood was hoog aan het einde van de negentiende eeuw. Op zoek naar werk trokken veel arbeiders naar de grote steden, maar daar troffen ze geen beter leven. Voor een mager loontje moesten mannen, vrouwen en kinderen lange dagen maken in de fabrieken. Bij elke kleine economische tegenslag werden deze mensen meteen werkloos. Grote gezinnen woonden onder slechte omstandigheden in krappe woningen. In deze situatie waren veel ouders niet in staat om hun kinderen goed op te voeden. 'Arme kinderen, vaak in ontucht en dronkenschap geteeld, opgegroeid in pestholen der zonde; op straat gejaagd om geld thuis te brengen, door de ouders verzwadderd, letterlijk in een hel groot geworden,' schreef dominee en CHU-politicus J.Th. de Visser in 1930.
     

    Verbeterhuizen

    Het was niet alleen uit onbaatzuchtige interesse dat de hogere klassen in Nederland zich bezig hielden met deze verwaarloosde kinderen. Ze maakten zich flink zorgen over de jeugdcriminaliteit in Nederland. Dat was niet onterecht, de misdaad onder jongeren nam ernstig toe. In 1893 bijvoorbeeld zaten 2086 kinderen van tien tot zestien jaar in gevangenissen en huizen van bewaring. Ze hadden zeker niet allemaal zware misdaden gepleegd - in 1878 veroordeelde de rechtbank van Goes een kind van vijf voor diefstal tot zevenenhalf jaar gevangenisstraf. Landloperij, bedelarij en diefstal waren de meest voorkomende vergrijpen. De overheid hield zich vooral bezig met jeugdige crimineeltjes. Zij werden opgevangen in een aantal rijksopvoedingsgestichten, de voormalige verbeterhuizen.

    Dat er een verband was tussen verwaarlozing en criminaliteit van kinderen zag de heersende klasse wel in. De verantwoordelijkheid hiervoor werd bij de ouders gelegd. Er was weinig vertrouwen in de opvoeding van kinderen in arbeidersgezinnen. Voor verwaarloosde kinderen bestond echter geen overheidszorg. Het waren voornamelijk particuliere stichtingen die zich hun lot aantrokken. Onder invloed van het Réveil, een beweging van christelijke opleving met een sterk sociale inslag, voelden veel gereformeerden zich genoodzaakt om in te grijpen. Maar om de kinderen te redden, moesten ze eerst opgevangen worden.

    En dat kon in de vele kindertehuizen. Overal in Nederland werden gestichten geopend. Ook vanuit rooms-katholieke hoek was er interesse voor de zorg van arme kinderen. Hiervoor werden aparte congregaties, zoals De Goede Herder, in het leven geroepen. 'Tegenover den greep naar het kind van den duivel met slangen in het haar, staat nu gelukkig de greep van den engel met rozen in de lokken. Zo zie ik althans het werk der kinderbeschermers tegenover dat van de kinderbedervers,' beschreef De Visser het werk van deze groep.

    Eind negentiende eeuw waren er inmiddels honderden particuliere tehuizen. Wettelijk gezien hadden zij echter geen bestaansrecht. Het geld voor de instellingen moest uit de liefdadigheid komen. Een ander probleem waar de vrijwilligers van de particuliere verenigingen, kerken en tehuizen tegenaan liepen, waren de ouders. De ouderlijke macht over kinderen was bijna onbeperkt. 'Hoe dikwijls moest niet, als gevolg van het optreden van ouders die zich na jaren hun ouderschap herinnerden, bij voorkeur als de kinderen aan geld verdienen toe waren, een plaatsing in een inrichting ontijdig worden beëindigd,' klaagt een kinderbeschermer uit die tijd. Men drong aan op wetgeving om de macht van de ouders zo nodig te beperken.

    In 1896 stelde de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen een commissie in die onderzoek moest doen naar de hulp aan verwaarloosde kinderen in Nederland. Een van de conclusies van het rapport was dat de vele liefdadige verenigingen op dit gebied samengevoegd moesten worden. Ook werd de overheid geadviseerd om preventief op te treden. Dit kon door het volgen van onderwijs te stimuleren, maar ook door bedelarij door kinderen streng aan te pakken.

    De invloed van het rapport op de kinderbescherming in Nederland was groot. Zo gingen de verschillende verenigingen in 1899 samen in de Nederlandse Bond tot Kinderbescherming. En veel van de aanbevelingen werden overgenomen in de kinderwetten.
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen