Home De Franse Revolutie in de geschiedschrijving

De Franse Revolutie in de geschiedschrijving

  • Gepubliceerd op: 10 februari 2004
  • Laatste update 21 apr 2021
  • Auteur:
    Femke Deen
  • 17 minuten leestijd
De Franse Revolutie in de geschiedschrijving

De Franse Revolutie is in Frankrijk nog steeds een icoon waar niemand aan mag komen. Het nobele volk zette rechtmatig de decadente koning en zijn hofkliek af; daarna verlichtte en bevrijdde Frankrijk de rest van Europa. Maar de idealen van de Revolutie werden door de adel lang niet altijd met hoongelach ontvangen. En in Nederland vonden de Franse revolutionairen zelfs een voorbeeld.

Een snikkende vrouw legt haar hoofd op een houten blok, nog glibberig van het bloed. Een scherp gesuis – en tjak, de guillotine glijdt door vlees en bot. Een bloeddorstige menigte schreeuwt in triomf om nóg een hoofd van een edelman – of vrouw. In de BBC-serie The Scarlet Pimpernel redt de sullige Engelse aristocraat sir Percy Blakeney, alias de Scarlet Pimpernel, menige aristocraat van een wisse dood onder de guillotine. Hij smokkelt de edelen uit Frankrijk, waar de zonen en dochters van de Franse Revolutie huishouden onder de adel.

Honderden toneelstukken en musicals werden er gemaakt over de Scarlet Pimpernel, een creatie van de Engelse barones Orczy, en diverse keren werd haar boek uit 1905 bewerkt voor film en televisie. Ook in Frankrijk, het land van de Revolutie, werd de Scarlet Pimpernel opgevoerd. Maar, schrijft de barones in haar autobiografie uit 1947, het begrip ‘dichterlijke vrijheid’ werd daar wel heel ruim opgevat. Eén regisseur ging zelfs zover dat in geen enkele scène van het toneelstuk de guillotine mocht voorkomen. Het Franse patriottisme verdroeg de Scarlet Pimpernel niet, constateerde de barones.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ruim vijftig jaar later is de Franse Revolutie, vooral in Frankrijk, nog steeds een historisch icoon waar eigenlijk niemand aan mag komen. Hoewel onder historici de afgelopen decennia een soms felle strijd woedde over oorsprong en nut van de Revolutie, staan veel van de mythes rond de omwenteling nog altijd fier overeind.

Dat merkten ook twee Nederlandse historica’s die zich bezighouden met de Revolutie: Caroline Hanken, bezig met een boek over émigrés – edelen die ten tijde van de Revolutie naar het buitenland vluchtten, en Annie Jourdan, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, van wie in januari het boek La Revolution, un exception Français? verscheen. Zij betoogt dat de Franse Revolutie niet de enige inspirator was voor de omwentelingen in andere West-Europese landen. Beiden stuitten tijdens hun onderzoek op de mythevorming rond de Franse Revolutie. En beiden weten dat het nog steeds controverse oproept als aan die verhalen wordt getornd, zowel binnen het historische vakgebied als erbuiten.

 

Lege schatkist

 

Over het algemeen wordt de Franse Revolutie gezien als een scharnierpunt in de geschiedenis. Zeker in Frankrijk. De Revolutie maakte een einde aan het Ancien Régime, de absolute monarchie die met name onstond door toedoen van de beroemde Zonnekoning Lodewijk de Veertiende (1643-1715). De Revolutie luidde de geboorte in van de moderne democratische natiestaat, is het algemene idee. En het nobele volk wierp daarbij rechtmatig de decadente koning en zijn hofkliek omver.

Vóór 1789 was de Franse bevolking verdeeld in drie standen: de geestelijkheid, de adel en de derde stand: de burgers en boeren. De eerste twee standen waren uitgesloten van belastingbetaling, de derde niet. Door de toename van de internationale handel ontstond binnen de derde stand een groep zelfbewuste, rijke burgers: de bourgeoisie. En die vond het steeds minder vanzelfsprekend dat zij opdraaide voor de belastingen zonder dat ze zelf iets over al dat geld te zeggen had. Daarbij kwam dat Frankrijk aan het eind van de achttiende eeuw vrijwel failliet was. De derde stand alleen kon de leeggeplunderde schatkist niet meer vullen. Pogingen van koning Lodewijk de Zestiende om ook de adel te laten betalen, stuitten op weerstand. De adel eiste in ruil daarvoor de macht terug, die haar was ontnomen tijdens het autoritaire bewind van Lodewijk de Veertiende.

 

 

De onrust was groot, zowel binnen de derde stand als onder de adel

 

 

De onrust was dus groot, zowel binnen de derde stand als onder de adel. Onder druk van de edelen, daarbij gesteund door de bourgeoisie, besloot Lodewijk in 1789 de Staten-Generaal bij elkaar te roepen. Dit oude, feodale parlement, waarin alle drie de standen waren vertegenwoordigd, was al sinds 1614 niet meer actief geweest. Tijdens de vergadering eiste de derde stand, die twee keer zoveel vertegenwoordigers had als de andere twee, een stemming per hoofd. De koning ging daar niet mee akkoord, en de afgevaardigden riepen zichzelf uit tot de Nationale Assemblee, het representatieve orgaan voor het Franse volk.

 

De steun voor de Nationale Assemblee groeide enorm, en hoewel hij probeerde het gebouw van de Assemblee te sluiten, was Lodewijk later gedwongen het orgaan te erkennen. De Assemblee was nu het parlement van Frankrijk. In augustus ontsloeg Lodewijk Necker, de minister van Financiële Zaken. Geen slimme zet, want Necker had juist het vertrouwen van het volk weten te winnen. Een paar dagen later bestormde een woedende menigte, onrustig door een mislukte oogst en een strenge winter, de Bastille, op zoek naar wapens en munitie. Soldaten van de Garde Française, speciale ordetroepen, weigerden het volk met geweld terug te dringen. Dat was het startschot voor volksopstanden door heel Frankrijk. Kastelen en abdijen werden geplunderd, en de eerste edelen vluchtten het land uit.

 

 

De steun van de Nationale Assemblee groeide enorm en Lodewijk was gedwongen het orgaan te erkennen

 

 

Over deze edelen, de émigrés, gaat het boek dat historica Caroline Hanken op dit moment aan het schrijven is. Enkele jaren geleden publiceerde ze een boek over koninklijke maîtresses aan het Franse hof in de zeventiende en achttiende eeuw, en ze raakte toen geïntrigeerd door de Franse adellijke vluchtelingen. Met dit onderwerp, merkte Hanken, stuitte ze op een beeld dat nog stevig in het collectieve geheugen ligt verankerd: dat van de adel die alleen bezig was met zichzelf en met opgetrokken neus neerkeek op het gepeupel.

Dat beeld is voor een groot deel onjuist, merkte Hanken. Neem de edelen die meevochten tijdens de Amerikaanse Revolutie, en daar onder de indruk raakten van de gelijkheidsidealen van de opstandelingen. Zij kwamen terug en namen die idealen mee. ‘Ze wilden niet direct de monarchie omverwerpen,’ zegt Hanken, ‘maar ze pleitten wel voor meer politieke vrijheid.’ Het bleef vooral bij discussies in de salons in Parijs, waar veel werd gesproken over economische hervormingen. ‘Politiek zoals wij die nu kennen bestond toen niet in Frankrijk. Er waren geen partijen – hoogstens hoffacties die door intriges de ministers en de koning probeerden te beinvloeden.’ Een aantal van de idealistische edelen sloot zich later aan bij de Assemblee.

 

Zeepbel

 

Het grootste deel van de adel had volgens Hanken op het moment zelf geen idee dat er sprake was van een heuse revolutie. ‘Op het moment dat de Bastille werd bestormd, dachten veel edelen wel: wat erg. Maar ze trokken er verder geen conclusies uit.’ Later werd deze onwetendheid vaak geïnterpreteerd als een bewijs van de zelfingenomenheid van de adel. Hanken: ‘Men zei: kijk eens hoe blind ze waren in hun zeepbel; ze dansten op de rand van de vulkaan.’

Maar Hanken vindt dat die onwetendheid de adel niet te verwijten was. Zij verdiepte zich in talloze memoires en dagboeken van émigrés. ‘Als je op hun niveau meeleest, van dag tot dag, dan is dat verwijt niet aan de orde. Opstanden waren niet ongewoon. Dit keer had het oproer wel een meer politiek karakter, maar er waren maar een paar edelen die het gevaar daarvan inzagen. Een gravin schreef na afloop: we kenden de term “revolutie” niet. En dat was een zeer goedgeïnformeerde dame, die bijna dagelijks sprak met de minister van Binnenlandse Zaken, die op zijn beurt weer contact had met de politiecommissaris.’

Tijdens haar onderzoek merkte Hanken dat meer van de gangbare ideeën over de Franse Revolutie niet klopten. Het beeld van ‘de’ adel versus het volk, bijvoorbeeld. ‘Er was geen sprake van “de” adel. Binnen de stand waren veel verschillende soorten edelen. Je had heel arme edelen, die bijna niet van boeren te onderscheiden waren, en heel rijke, die zich voornamelijk bezighielden met de intriges van het hof.’ En er was adel die meedeed aan de Revolutie en adel die zich er fel tegen verzette.

 

 

De idealen van de Revolutie werden onder de émigrés lang niet in alle gevallen met hoongelach ontvangen

 

 

De idealen van de Revolutie werden onder de émigrés lang niet in alle gevallen met hoongelach ontvangen. Hanken las de memoires van Madame de la Tour du Pin, die voor de Revolutie op een gigantisch landgoed woonde en in de allerhoogste kringen verkeerde. Zij vluchtte naar Amerika, waar ze boerin werd. ‘Dat lijkt vreemd, maar ze beheerde in Frankrijk ook een landgoed, dus het was niet zo’n rare overgang. Ze voelde zich in Amerika veel gelukkiger dan in de modieuze salons van Parijs.’ Ze had er twee slaven, die ze na een paar jaar vrijkocht. ‘Dat vond ze heel belangrijk. Slavernij was niet goed; daar was ze heel stellig in.’

 

Dat de adel geen enkele relatie onderhield met andere klassen, is volgens Hanken ook een misvatting. Neem bijvoorbeeld de graaf die in de ban raakte van het mesmerisme. ‘Hij begon een praktijk en ging de arbeiders van zijn eigen landgoed genezen. Hij bracht ze dan in een soort slaaptoestand. Hij wilde er niet voor betaald worden; hij wilde goed doen. Hij waakte nachtenlang bij een jongetje dat onhandelbaar was. Op een gegeven moment kwamen er zoveel naar hem toe dat hij een oude boom op zijn landgoed bestraalde. Daar konden de mensen dan omheen zitten; dan had hij het niet zo druk.’

Wat Hanken wil zeggen: edelen waren geen onmensen. Ze vatte tijdens haar onderzoek sympathie op voor de schrijvers van de memoires. Al waren er ook bij die wél voldeden aan het clichébeeld van rijken die in een zeepbel leefden. De groep van dertig edelen die naar Amerika vluchtten en daar in de wildernis een dorp stichtten, bijvoorbeeld. ‘Ze probeerden er kostte wat het kost de Franse hofcultuur in stand te houden,’ vertelt Hanken. ‘Ze bouwden zelfs een huis voor Marie-Antoinette. Die zat toen nog gevangen, maar kon dan daar wonen als ze zou worden vrijgelaten. En ze gingen ook zover dat een van de vrouwen zich vier keer per dag verkleedde, zoals ze dat aan het of ook altijd deed. Terwijl ze gewoon in een primitief houten huisje woonde.’

 

Klassenstrijd

 

Maar Marie-Antoinette zou nooit komen, en de Franse hofcultuur zoals hij was vóór de Revolutie, was voor altijd verdwenen. De ontwikkelingen in Frankrijk hadden elkaar in hoog tempo opgevolgd. In augustus 1789 nam de Assemblee de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger aan. Vrijheid en gelijkheid voor iedereen, was het uitgangspunt. Tal van hervormingen werden doorgevoerd. Land dat de Kerk toebehoorde, werd bijvoorbeeld genationaliseerd.

 

In 1791 mislukte een vluchtpoging van de koning en zijn vrouw, Marie-Antoinette – bij Varennes werden ze tegengehouden en ze werden teruggebracht naar Parijs. Een jaar later, in 1792, werd de Nationale Assemblee vervangen door de Nationale Conventie. Het eerste wat de Conventie deed was de monarchie omverwerpen, de republiek uitroepen en de koning aanklagen wegens verraad. In 1793 werd hij onthoofd.

De komst van de Conventie luidde de Terreur in, de periode waarin Robespierre een dictatuur leidde. Duizenden edelen en royalisten werden vermoord, onder wie Marie-Antoinette. Maar de Terreur richtte zich ook op revolutionairen. Er was weinig voor nodig om gevangengezet te worden of te worden geëxecuteerd. Aan de Terreur kwam uiteindelijk in 1794 een einde met de arrestatie en executie van Robespierre zelf. Toen in 1799 bekend werd gemaakt dat émigrés niet meer vervolgd zouden worden, huilden de edelen van vreugde, vertelt Hanken. Ze keerden zo snel mogelijk terug naar hun vaderland.

 

 

In 1799 werd bekend dat de émigrés niet vervolgd werden. De edelen huilden van vreugde en keerden zo snel mogelijk terug naar hun vaderland.

 

 

De memoires van de émigrés vormen een prachtige bron. ‘Ik las bijvoorbeeld de notities van een man die rond 1770 is geboren. Die heeft zoveel meegemaakt: de absolute monarchie van Versailles, de Revolutie, Napoleon, de Restauratie en ook nog de revoluties van 1830 en 1848. Hij heeft als een soort figurant door het historische decor gelopen. Hij zat er met zijn neus bovenop, en intussen probeerde hij er het beste van te maken.’ Dat deze documenten zo weinig bestudeerd zijn, begrijpt ze dan ook nauwelijks, hoewel ze wel een idee heeft over de reden. ‘Geschiedschrijving moest over het volk gaan, niet over de adel.’

Jarenlang waren marxistische historici namelijk de belangrijkste wetenschappers die zich met de Franse Revolutie bezighielden, vertelt Hanken. Ze gebruikten de Revolutie om hun eigen ideeën over klassenstrijd te ondersteunen: ze beschouwden haar als de voorloper van de proletarische revolutie. ‘De Franse Revolutie is een soort vat waar mensen hun ideeën in kunnen gieten.’ Conservatieven brengen er hun antirevolutionaire principes in, socialisten hun geloof in de maakbaarheid van de samenleving, neomarxisten de klassenstrijd. Hoewel de ideologische en politieke opvattingen van de historicus bij elk onderwerp een rol spelen, is dat bij de geschiedschrijving over de Franse Revolutie in extreme mate het geval.

 

Historici zijn het over de oorzaken van de Revolutie allesbehalve eens. En zelfs als er een nieuwe alomvattende theorie zou komen, zou het moeite kosten om het clichébeeld van de Revolutie in het collectieve geheugen te veranderen. Vooral voor de Fransen blijft de Revolutie een symbool van de moderne Franse staat, dat op allerlei manieren diep in het openbare leven ligt verankerd. ‘Het is te vergelijken met hoe in Nederland met de Tweede Wereldoorlog wordt omgegaan.’

 

Napoleon

 

Annie Jourdan, auteur van La Revolution, un exception Français?, kan daarover meepraten. In 1990 was 85 procent van de Fransen nog trots op de Revolutie, vertelt ze. ‘De Fransen vonden “hun” revolutie veel ingrijpender dan de Amerikaanse, de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Engelsen.’ En Frankrijk zou de vrijheids- en gelijkheidsideeën naar andere West-Europese landen hebben gebracht. Jourdan: ‘Veel Fransen beschouwen hun land als bevrijder en hervormer van Europa.’

En dat is nu juist wat Jourdan betwist. L’Exception Français, zoals de Revolutie in Frankrijk wordt genoemd, was helemaal geen unieke gebeurtenis,’ zegt zij. ‘De patriottentijd in Nederland en de revolutie in Amerika hebben de Franse Revolutie zelfs beïnvloed.’ Deze constatering is op zichzelf niet nieuw. Maar in haar boek gaat Jourdan verder. Het onderwerp ‘mensenrechten’, bijvoorbeeld, waarvan algemeen wordt aangenomen dat het in West-Europa pas ná de Franse Revolutie op de agenda stond, was al jarenlang een veelbesproken discussiepunt. Eerst in Engeland, met de Bill of Rights, toen in Amerika en later in de Nederlandse patriottentijd.

 

Ook het beeld van de middenklassen die tijdens de Franse Revolutie voor het eerst de macht grijpen, klopt volgens Jourdan niet. ‘Dat was ook al eerder gebeurd: in Amerika en de patriottentijd.’ De Patriottenbeweging in Nederland (1780-1787) verzette zich tegen stadhouder Willem V. Verlichte en ontwikkelde burgers verlangden naar meer inspraak en medezeggenschap. De politieke rechten van het volk waren hier dus al een issue voordat de Fransen ermee kwamen, zegt Jourdan. ‘Het hing in de lucht. In Nederland was bijvoorbeeld de jurist Van der Mark al bezig met de soevereiniteit van het volk en de volledige vrijheid van man en vrouw.’ En hier, zegt de historica, bestond ook al het idee dat een representatieve democratie mogelijk was. ‘Je kunt niet zeggen dat andere landen de Fransen trouw navolgden.’

 

 

Verlichte en ontwikkelde burgers verlangden naar meer inspraak en medezeggenschap

 

 

Toch benadrukt Jourdan dat de Franse Revolutie erg belangrijk is geweest. ‘Daar kunnen we niet onderuit.’ Als voorbeeld noemt Jourdan de juridische verworvenheden die eruit zijn voorgekomen, het gratis en openbare rechtsstelsel en bijvoorbeeld de maatregel dat ook vrouwen het initiatief mochten nemen voor een echtscheiding. Maar, zegt ze erbij, ‘dat die ideeën verspreid konden worden, kwam wel weer door de de buitenlandse oorlog die de revolutionairen voerden, en vervolgens door Napoleon’.

In haar vergelijking van de structuren van drie revoluties – de Franse, de Amerikaanse en de patriottentijd – ontdekte ze dat Frankrijk zich niet echt onderscheidde van de andere twee. Niet alleen qua ideeën. Ook de wens om andere landen te ‘bekeren’ – Europa en Canada – was bijvoorbeeld in Amerika aanwezig. Dat het de Amerikaanse revolutionairen uiteindelijk niet lukte, had geografische en militaire redenen. De Franse Revolutie ging uiteindelijk met de eer strijken, zegt de historica. En ook Napoleon, die weer zoveel kon bereiken door de enorme hoeveelheid soldaten waaruit hij kon putten.


Ook andere mythen worden onderuitgehaald door Jourdans onderzoek in correspondentie en archieven. ‘Ik wilde weten hoe het Franse volk de Revolutie ervoer. Er wordt vaak aangenomen dat het volk de Terreur steunde. Maar uit politiearchieven blijkt dat helemaal niet.’ Jourdan vertelt over een groep schoenmakers die elke dag naar de revolutionaire rechtbank ging om te kijken of deze zijn werk goed deed. Uit documenten blijkt dat ze daar zelf weinig vertrouwen in hadden. ‘Er was weinig geloof in het rechtssysteem. Als mensen werden vrijgelaten, werden ze echt in triomf rondgedragen. Dat is wel een ander beeld dan dat van een volk dat de beulen op het hoogtepunt van de Terreur met volle overgave steunde.’

 

De vervolging van de adel is een zwarte bladzijde in de Franse geschiedenis

 

De vervolging van de adel is een zwarte bladzijde in de Franse geschiedenis, die volgens Caroline Hanken te gemakkelijk wordt goedgepraat. ‘Dat vind ik ook een raar aspect aan de viering van 14 juli. Er zijn toen heel wat onschuldige mensen doodgegaan. Maar daar is geen aandacht voor. Ook al zijn er steeds meer mensen die zich daarvan bewust zijn, toch overheerst blijkbaar nog steeds het idee dat het bloedvergieten noodzakelijk was.’

Ook in Nederland, zo blijkt. In NRC Handelsblad schrijft een filmrecensent over regisseur Eric Rohmer, van de film l’Anglaise et le Duc: ‘Geschiedenisleraar Rohmer is vol afschuw over de bandeloze terreur tijdens de Franse Revolutie. Dat is wat naïef. Die leverde wel ons moderne staatssysteem op en een aanzet tot het formuleren van de rechten van de mens. Er zijn ergere uitwassen om je druk over te maken.’

La Revolution, un exception Français? door Annie Jourdan. Flammarion, euro 24,00

De laatste kinderen van Versailles. Over de Franse adel en de revolutie van 1789 door Caroline Hanken verschijnt in 2005 bij uitgeverij Augustus.

Een Nederlander bestormt de Bastille

door Remco Visschers

Het einde van de patriottentijd (1780-1787) veroorzaakte een grote vluchtelingenstroom vanuit de Republiek naar het zuiden. Duizenden patriotten sloegen vanaf september 1787 op de vlucht na een militaire interventie van Pruisen, dat het stadhouderlijk regime te hulp schoot. De patriotse ontheemden vonden een onderkomen in Frankrijk, waar zij in 1789 getuige waren van de Franse Revolutie. Volgens Joost Rosendaal, universitair docent geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, waren de Nederlandse patriotten er niet alleen toeschouwers. Rosendaal promoveerde in december 2003 op Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795.

De Nederlanders die aan de vooravond van de Franse Revolutie in Frankrijk waren namen actief deel aan het revolutionaire leven, aldus Rosendaal: ‘Ze discussieerden in sociëteiten en genootschappen over misstanden in Frankrijk. Van de Parijse “Club de 1789” waren veel Nederlandse vluchtelingen lid. Ze zaten er zij aan zij met de grote namen van de Franse revolutie: Mirabeau, La Fayette, Brissot en Clavière.’

 

De Nederlanders die aan de vooravond van de Franse Revolutie in Frankrijk waren namen actief deel aan het revolutionaire leven

 

Rosendaal denkt dat de gevluchte patriotten in Frankrijk de geesten rijp maakte voor revolutie. Hij legt uit: ‘Ze benaderden Mirabeau in 1788 om een pamflet te schrijven over de patriotse zaak. Dat werd Aux Bataves sur le stadhoudérat (Aan de Bataven over het stadhouderschap), waaraan ook Nederlanders meewerkten. Mirabeaus pamflet bevatte een conceptverklaring van de universele rechten van de mens. De artikelen in dit document vertonen overeenkomsten met een patriots program uit 1785, het Leids Ontwerp.’

Rosendaal ziet hierin de invloed van de patriotten: ‘Mirabeau was later een van de grote auteurs van wat over het algemeen wordt beschouwd als de eerste verklaring van de rechten van de mens. De Déclaration des Droits de l’Homme, waar Frankrijk zo prat op gaat, is dus deels geïnspireerd op de ideeën van de patriotten.’

De activiteit van de Nederlanders bleef echter niet beperkt tot ideeën. De patriotten stortten zich ook op de revolutionaire praktijk. ‘Een bekend voorbeeld is de Amsterdammer Leendert Makketros,’ vertelt Rosendaal. ‘Deze koopman was een van de bestormers van de Bastille.’

Ten slotte konden de Franse revolutionairen profiteren van Nederlands geld. Vermogende patriotten zorgden voor de verspreiding van het revolutionaire gedachtegoed door de financiering van kranten. Rosendaal: ‘In 1793 verscheen Le Batave, een invloedrijke radicale krant. Zowel de financiers als de redacteuren van Le Batave waren Nederlanders.’

In Frankrijk is iedere hervorming een minirevolutie

door Olivier van Beemen/Parijs

Frankrijk bleef ook na de bestorming van de Bastille een revolutionair land. Terwijl Nederland sinds de Grondwet van Thorbecke in 1848 slechts nog moderniseerde via hervormingen, vonden in Frankrijk vanaf het begin van de negentiende eeuw nog acht revoluties plaats, die het land drie keer omtoverden tot Republiek (1848, 1871 en 1946), twee keer tot koninkrijk (1815, 1830), twee keer tot keizerrijk (1804, 1852) en één keer tot autoritaire staat (1940). Het zijn er zelfs tien, als men de volksopstand in 1871 in Parijs (la commune) meetelt en de massale studenten- en arbeidersopstanden in mei 1968.

En nog steeds telt de Franse samenleving talloze revolutionairen. Trotskisten en communisten kregen bij de presidentsverkiezingen van 2002 gezamenlijk bijna 15 procent van de stemmen. De radicaalste linkse partij, de Ligue Communiste Révolutionnaire, die bij die verkiezingen een score behaalde van bijna 5 procent, schrapte pas eind vorig jaar het streven naar een proletarische dictatuur uit zijn statuten. Nog regelmatig roepen dergelijke partijen, gesteund door de vakbonden, op tot algemene stakingen, een term die zeker in Nederland een soort revolutionaire bijklank heeft.

Ook bij meer gematigden bestaat de behoefte aan ingrijpende vernieuwing die verdergaat dan een hervorming. Vooral na de overwinning van de rechts-extremist Jean-Marie Le Pen ten koste van de socialist Lionel Jospin in de eerste verkiezingsronde twee jaar geleden, klonk een luide roep om een nieuw staatsbestel. De Conventie voor de Zesde Republiek (C6R), een jaar eerder opgericht door een aantal socialisten, kreeg meer aandacht en leden dan ooit tevoren.

 

De esprit révolutionnaire is zichtbaar in de politiek van alledag

 

En de esprit révolutionnaire is zelfs zichtbaar in de politiek van alledag. Terwijl Nederlandse politici overleggen met werkgevers en werknemers alvorens een belangrijke maatregel te nemen, kondigt de Franse regering nieuw beleid simpelweg aan, en hoopt dat de weerstand mee zal vallen. Ontevreden vakbonden roepen dan meestal op tot acties, waardoor het land dagen-, zo niet wekenlang platligt.

Elke belangrijke hervorming, zoals vorig jaar die van het pensioenenstelsel, lijkt daardoor voor buitenstaanders op een soort minirevolutie, waarbij gemakkelijk politieke slachtoffers kunnen vallen. Midden jaren negentig overkwam dat toenmalig premier Alain Juppé, die toen ook al de pensioenen wilde hervormen, met een maandenlange volksopstand tegen hem en zijn regering als gevolg. Bij tussentijdse verkiezingen in 1997 werd hij genadeloos weggestemd.

Ook dit jaar staat nog een aantal minirevoluties op het programma, onder meer in het onderwijs en het stelsel van sociale zekerheid. De guillotine is afgeschaft in het hedendaagse Frankrijk, maar de geest van de Bastille heeft de Fransen niet verlaten.