In de laatste uitzending van de Grote Geschiedenis Quiz toonde een filmfragment hoe Marokkaanse aspirant-migranten in de jaren zestig als schapen werden gekeurd door botte Nederlandse ambtenaren. Het filmpje bevestigt de breed gedragen opvatting dat de eerste generatie Marokkaanse migranten bestond uit willoze, domme krachten, die voor een appel en een ei naar de polder werden gelokt.
Het is de vraag of dit beeld ook klopt. Zo had Mohammed Haddada, geboren in 1937 in het Noord-Marokkaanse Amtiba, geen ambtelijke interventie nodig om – als een van de eerste Marokkaanse gastarbeiders – zijn geluk in Nederland te beproeven. ‘Ik had een kleine smederij,’ vertelt Haddada, met behulp van een tolk. ‘Maar die was te klein om er mijn gezin van te onderhouden.’
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Toen zijn vader in 1965 stierf, besloot hij naar Europa te gaan. ‘Ik wilde in twee jaar tijd voldoende verdienen om in het dorp een grote smederij op te zetten. Ik wist niets van Holland, behalve dat het een democratie was en je er geld kon verdienen.’ Hij zei ’tot ziens’ tegen zijn vrouw en vertrok, met een flinke voorraad brood voor onderweg.
In het centrum van Amsterdam vond hij een goedkoop Surinaams pension. ‘We slenterden wat rond en probeerden werk te vinden. Als je in die tijd als buitenlander op straat liep, werd je gewoon aangesproken: “Zoek je soms werk?”‘ Bij het vrouwelijk publiek viel Haddada in de smaak. ‘Zwart haar, daar bleven ze op straat voor staan. Ik voelde me erg aantrekkelijk.’
Haddada had geen koppelbaas of wurgcontract. Werk was er genoeg, maar de bakkerij was hem te heet en een bierbrouwerij viel niet te rijmen met zijn geloof. ‘Uiteindelijk vond ik een baan als lasser. In dat werk ben ik blijven hangen tot mijn pensioen. Ik verdiende in het begin 92 gulden per week – een brood kostte veertig cent. Wat ik overhield, stuurde ik naar Marokko.’
Werk vinden was geen probleem
Ook Abdelkader Amrani (1954) ging op eigen initiatief naar Nederland toen zijn vader zijn school niet meer kon betalen. Ontevreden met zijn werk in een levensmiddelenwinkel in het gehucht Bab Berret, besloot hij in 1972 naar Nederland af te reizen. ‘Ik wilde verder in het leven,’ vertelt Amrani. ‘Een kennis was naar Nederland gegaan en had daar een huis gekocht. Ik had dus in elk geval onderdak.’ Hij vertrok met 3000 dirham (een jaarsalaris) van zijn familie, twee broeken en een overhemd.
Werk vinden was ook voor Amrani geen probleem. Hij kreeg een baan in een abattoir in Amsterdam-Oost. Zo kwam hij ook in aanraking met varkensvlees – onrein volgens zijn religie. ‘Ik vond dat geen probleem. Ik moest nu eenmaal geld verdienen.’ Het werk beviel hem; het was makkelijk en verdiende goed. Toen hij na enkele jaren vanwege gezondheidsklachten moest stoppen, ging hij als schoonmaker aan de slag in het Anne Frank Huis.
Drie dagen gehuild
Terwijl Haddada en Amrani uit het Noord-Marokkaanse Rif-gebergte uit economische noodzaak naar Nederland kwamen, speelde dit minder bij Arabische migranten uit het welvarender Atlantische kustgebied. Zo had de vader van Ahmed Lakehal (1952) een goedbetaalde baan als opzichter op de landerijen van een voormalige Franse colon. Lakehal studeerde literatuur in Kenitra.
In de zomer van 1974 kwam een neef uit Nederland op bezoek. ‘Hij vroeg of ik niet in Nederland wilde studeren,’ vertelt Lakehal. ‘Ik had geen idee wat me te wachten stond.’ Toch ging hij mee. ‘Ik was zeventien jaar, en nieuwsgierig.’ Pas onderweg realiseerde hij zich de consequenties. ‘Ik heb drie dagen in die auto zitten huilen.’
Het was een eenzaam begin voor Lakehal, die inmiddels chef-kok is in een restaurant. ‘De Nederlanders waren vriendelijk, maar spraken nauwelijks Frans. Ik ben zo snel mogelijk met een cursus Nederlands begonnen.’ Hij kreeg een baan bij de slagerij van Albert Heijn, vond een eigen woning en werd lid van een voetbalclub. ‘Op een gegeven moment zie je: ik ben hier een toekomst aan het opbouwen. Toen mijn vader in 1978 overleed, wilde ik niet meer terug. Er was toen geen racisme en de Nederlanders toonden respect voor je godsdienst.’
‘Holland’ was ‘een paradijs’ dat verloren is gegaan, vinden ze alle drie. Nederland is duur en crimineel geworden. Er zijn ook te veel buitenlanders, verzucht Haddada. ‘Drieënveertig nationaliteiten alleen al in Amsterdam, dat is toch veel te veel?’ Hij verwijt de jongere generatie haar naam te grabbel te gooien. ‘Maar wat wil je? Vroeger gaf je je kinderen een klap als ze iets fout deden; nu komt de politie aan je deur om te vertellen dat dat niet mag.’
