Home Cultuur als laatste bindmiddel

Cultuur als laatste bindmiddel

  • Gepubliceerd op: 22 februari 2022
  • Laatste update 01 nov 2022
  • Auteur:
    Philip Dröge
Cultuur als laatste bindmiddel

Niet lang na de Tweede Wereldoorlog vertrekt diplomaat Oscar Mohr naar Indonesië om er de Nederlandse cultuur te promoten. Hij mag via een nieuwe organisatie, Sticusa, veel geld uitgeven om de kunstzinnige elite in te palmen. Toch rijst al snel de vraag wat de inspanningen van Sticusa nu eigenlijk opleveren.

Het is voorjaar 1949. Terwijl steeds meer kolonialen uit Indië een enkele reis richting Nederland boeken, zet één Nederlander juist koers naar Batavia. Oscar Mohr is gelukkig gewend om tegen de stroom in te roeien. Hij vaart af op het moment dat duidelijk is dat Nederland en Indonesië binnen afzienbare tijd gaan scheiden. De grote vraag is hoe de verhoudingen daarna zullen zijn. Blijven de twee landen op de een of andere manier verbonden? Nederland wil zo veel mogelijk invloed houden in de archipel. Het liefst ziet de regering een soort gemenebest ontstaan, waarbij de twee naties onder één staatshoofd zullen vallen, koningin Juliana. Maar wil Indonesië dat wel?

Op dat schaakbord van grote politieke belangen is Indië-vaarder Mohr een opmerkelijke pion. Geboren in Sint-Petersburg uit een Nederlandse vader en een Russische moeder, heeft hij als kind de revolutie van 1917 meegemaakt. Op aandringen van zijn vader is hij in Delft gaan studeren, maar de academische wereld interesseerde hem maar matig. De kunsten wel, Mohr schrijft en acteert als student. Na het afbreken van zijn studie komt de pasgetrouwde jongeman als journalist bij een groot dagblad terecht. Daar neemt hij ontslag als Nederland capituleert.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Schilderij door Sindoe Soedjojono, een van de contacten van Oscar Mohr, 1947.

Tijdens de oorlog speelt hij een riskant dubbelspel door een ‘Zwitsers’ persagentschap op te richten, dat tussen echte berichten door ondermijnend nepnieuws verspreidt en als dekmantel dient voor verzetsactiviteiten. De Duitsers ontdekken het dubbelspel, arresteren Mohr en zetten hem op transport naar het concentratiekamp Natzweiler. Hij overleeft wonder boven wonder, om daarna in het bevrijde Nederland als voorlichter bij het ministerie van Buitenlandse Zaken te gaan werken.

Prins Bernhard

Daar komt verzetsheld Mohr op de radar van niemand minder dan premier Louis Beel. Die kan zo’n slimme duizendpoot wel gebruiken voor een bijzonder project dat hij is begonnen: de Stichting Culturele Samenwerking, kortweg Sticusa. Terwijl op Java de kogels van de onafhankelijkheidsoorlog door de lucht vliegen, moet Sticusa ‘culturele uitwisseling’ op gang brengen tussen Indonesië en de voormalige kolonisator.

Behalve Beel zet nog een lid van de Nederlandse elite zijn schouders onder de stichting: prins Bernhard. Hij bemoeit zich actief met Sticusa, hoewel hij niet bekendstaat als grote cultuurminnaar. Ook de andere oprichters zijn hoge functionarissen, politici en academische bestuurders; maar er zit geen enkele kunstenaar of schrijver tussen. Met de steun van al die machtige mensen bemachtigt Sticusa een subsidie van de overheid van een miljoen gulden per jaar. Het Prins Bernhard Fonds maakt daarnaast nog enkele duizenden guldens over naar de stichting.

Een miljoen is dan een fors bedrag, zo’n 5 miljoen euro in huidige koopkracht. Zeker in het armlastige naoorlogse Nederland, waar minister van Financiën Piet Lieftinck elk tientje drie keer moet omdraaien. De stichting is desondanks niet bepaald zuinig. Zo komt er een bestuur van liefst zeven personen en een raad van advies met nog eens zeven leden; de dagelijkse leiding is in handen van twee goedbetaalde directeuren, die op hun beurt weer veertien personeelsleden aansturen. Die werken in een kantoor in Amsterdam-Zuid dat de stichting voor 91.000 gulden op de kop tikt en gelijk flink verbouwt.

Sticusa wil de ‘heilzame westerse cultuurwaarden’ uitdragen

Er komen in de eerste jaren nog meer personeelsleden bij; een tweede kantoor in dezelfde dure buurt kost een jaar na oprichting nog eens 51.000 gulden. Een hoop geld, maar dan heb je ook wat. De stichting wil volgens een communiqué ‘geraken tot harmonische ontwikkeling in democratische zin, van de onderlinge samenwerking op cultureel terrein’ tussen Nederland, de Antillen, Suriname en vooral Indonesië.

Dat is het officiële verhaal. Binnen de muren van het deftige nieuwe onderkomen zijn de oprichters een stuk paternalistischer, racistischer en dwingender. Bestuurder Clemens Meuleman schrijft zijn medebewindvoerders dat het noodzakelijk is de ‘Indonesische partner van Nederlands denken, weten en handelen te doen kennisnemen’. Wij bezitten namelijk ‘heilzame westerse cultuurwaarden’ en die moeten zij omarmen.

Hoe? Sticusa wil bijvoorbeeld het Nederlands promoten. De stichting koopt als een van haar eerste daden duizenden exemplaren van de biografie van koningin Wilhelmina, om in Indonesië te verspreiden. Misschien kan het Nederlands dankzij Eenzaam, maar niet alleen zelfs de lingua franca van de taalkundig zeer diverse archipel worden. In ruil voor dat prachtige geschenk zal Nederland de ‘waardering, eerbied en dankbaarheid van het [Indonesische] volk oogsten’, schrijft Meuleman. Maar, zo meldt hij erbij, Nederland blijft dan ook de meest logische handelspartner van het land. Wie zegt dat cultuur geen rendement kan hebben?

Vaste gasten: schilder Baharoedin, schrijver Asroel Sani en componist Amir Pasariboe.

Verscheurd land

Om het plan van Sticusa uit te voeren moet er een vestiging komen in Batavia. Daar komt Mohr om de hoek kijken. Met zijn belangstelling voor cultuur en zijn bewezen moed is hij de aangewezen persoon om dat buitenkantoor te gaan leiden. Voorjaar 1949 scheept hij in, na twee instructiegesprekken met prins Bernhard. Wat die koninklijke briefing precies behelst is niet vastgelegd, maar de instructie was klaarblijkelijk te omvangrijk voor één gesprek. Zijn gezin zal nareizen.

Mohr betrekt na aankomst een oud postkantoor aan het Molenvliet, de trekvaart van het oude Batavia naar de overheidswijk Weltevreden. Het gebouw is na de oorlog compleet uitgewoond door Britse troepen, maar Mohr gaat er desondanks met goede moed aan de slag. In het door strijd en bezetting verscheurde land gaat hij op zoek naar Indonesische kunstenaars die ondanks alle dood en verderf van de voorgaande jaren met hem willen praten over samenwerking.

Mohr is niet bang uitgevallen. Batavia is verre van veilig, Indonesische strijders plegen aanslagen, ook in de koloniale hoofdstad. Bovendien reist hij niet lang na de tweede Nederlandse militaire campagne – toen nog ‘politionele actie’ – naar Yogyakarta, de provisorische hoofdstad van de Republiek Indonesië. Geen plek waar je op dat moment veel Nederlanders vindt. Maar Mohr is charmant en hij heeft oprechte belangstelling voor de Indonesiërs en hun cultuur. Zijn doorzettingsvermogen en innemendheid hebben effect; hij ontmoet schrijvers, kunstenaars en zelfs politici.

Bij Sticusa maken Indonesische kinderen kennis met westerse kunst.

Zijn gesprekspartners willen op termijn best nadenken over samenwerking op cultureel gebied, schrijft Mohr aan het hoofdkantoor in Amsterdam, maar ze vinden het nog veel te vroeg voor concrete plannen. Beide landen zijn immers nog verwikkeld in een heftige strijd.

Ondanks die ontnuchterende boodschap vindt het verslag van Mohr uit Yogyakarta gretig aftrek in Nederland. Sticusa-directeur Johan Logemann – tegelijk minister van Buitenlandse Gebiedsdelen – wil alle details over de sfeer en politieke situatie in de stad horen, zo schrijft hij. Mohr is daarmee ook een inlichtingenman geworden, iemand die een zeldzame blik in het andere kamp heeft geworpen.

Gelijkgestemde geesten

Mohr is nog geen halfjaar bezig, als Indonesië in december 1949 onafhankelijk wordt. Het verandert voor hem weinig aan zijn opdracht: contacten leggen met de culturele elite van het nieuwe land. Daarbij krijgt hij hulp van zijn nagereisde vrouw Daisy, die in Semarang is geboren. Het pand aan het Molenvliet – vanaf dat moment de Jalan Gajah Mada – is ook hun woonhuis. Hun vier kinderen groeien er op, terwijl de veiligheidssituatie in de stad steeds maar verslechtert. De nieuwe Indonesische politiemacht is klein, slecht uitgerust en corrupt.

Maar de dapperheid van het echtpaar Mohr heeft effect, het voormalige postkantoor wordt een clubhuis voor Indonesische intellectuelen, kunstenaars en politici. Vooral de progressieve garde weet het gebouw te vinden. Schrijver Pramoedya Ananta Toer komt er geregeld, evenals schilders Henk Ngantung en Baharuddin Marasutan. Ze komen exposities inrichten, klassieke muziek luisteren, dans- en gamelanvoorstellingen geven of boeken lenen uit de zeer goed gesorteerde bibliotheek – waar de vele exemplaren van de biografie van Wilhelmina ook liggen te verstoffen. Vaak speelt er iemand op de vleugel. Mohammed Roem, de Indonesische minister van Binnenlandse Zaken, bezoekt die muziekavonden vaak.

Zo komt er daadwerkelijk een dialoog tussen Oost en West op gang. De Indonesiërs lijken vooral de kosmopolitische atmosfeer en de goede faciliteiten van het culturele centrum te waarderen. Als bonus heeft Mohr budget om reizen naar Nederland aan te bieden. Wie zich onderscheidt als ‘cultuurdrager’, mag zich bij de voormalige kolonisator een paar maanden verdiepen in de kunsten. Enkele Indonesische kunstenaars (maar ook een lokaal politicus) gaan naar Nederland. Daar exposeren ze en ontmoeten ze gelijkgestemde geesten uit het culturele leven. Die kans hadden ze anders waarschijnlijk nooit gekregen.

Op Sumatra heeft Oscar Mohr een ontmoeting met de belangrijke culturele leider Muhammad Sjafei.

Net als in Amsterdam is het ook in Jakarta al snel erg druk. Schrijvers Henk van Galen Last en Hans Koningsberger versterken het echtpaar Mohr. Schilder Willem Pol heeft een atelier achter het gebouw. Er zijn twee Nederlandse assistenten, een secretaresse en een bibliothecaresse. Zoals een oud-medewerker later over al deze mensen schrijft: ‘geen flauw idee wat ze uitvoerden’, maar iedereen kreeg wel ‘een heel behoorlijk salaris’. Daarnaast zijn er acht Indonesische personeelsleden voor het koken, klusjes en vervoer.

De oplopende kosten van de vestiging Jakarta zorgen wel dat de relatie tussen Mohr en zijn bazen in Nederland ondanks alle successen snel verslechtert. Opmerkelijk, omdat de kantoren in Amsterdam veruit de grootste kostenposten zijn. Het wreekt zich dat Mohr weliswaar een uitstekende diplomaat is, maar een slechte administrateur; de boekhouding is een puinhoop. De Centrale Accountantsdienst van Financiën stuurt uiteindelijk zelfs een controleur naar Jakarta.

Het gebrek aan waardering zorgt dat Mohr besluit dat het na zijn driejarig contract genoeg is. Iemand anders mag de kar gaan trekken. Hij boekt de passage terug naar Nederland voor hem en zijn gezin. Maar enkele weken voor het schip vertrekt, krijgt Mohr een ontsteking aan zijn alvleesklier. Zijn toestand gaat snel achteruit en de man die de naziconcentratiekampen overleefde, sterft binnen enkele dagen. Zijn echtgenote begraaft hem in Jakarta. Bij de uitvaart zijn veel bekende Indonesische kunstenaars en politici aanwezig.

Verspilling en hoogmoed

Het hoofdkantoor in Amsterdam benoemt nog wel een opvolger, maar met de dood van Mohr is het hart uit Sticusa gerukt. Conflicten tussen Jakarta en Amsterdam volgen elkaar in snel tempo op. Over personeelszaken, geld, maar vooral ook de koers van de stichting. Het hoofdbestuur in Nederland wil de Indonesiërs ondanks hun onafhankelijkheid nog steeds paternalistisch tegemoet treden – ‘culturele penetratie bereiken’, zoals de directie dat weinig subtiel noemt. In de traditie van Mohr zoekt het personeel in Jakarta echter de dialoog met kunstenaars.

Tot overmaat van ramp raakt Sticusa bij beide regeringen steeds meer bekend als een communistisch bolwerk. Helemaal onterecht is dat niet. Kunstenaars als Ngantung en Pramoedya hebben inderdaad warme banden met de communisten én ze zijn vaak bij Sticusa te vinden; wat bekokstoven ze daar? Het is een sterk staaltje slechte timing: de Koude Oorlog is net begonnen en Indonesië ontwikkelt zich tot een van de belangrijkste slagvelden. De nieuwe president Soekarno heeft aanvankelijk zelf linkse sympathieën, maar ziet dat de communisten een bedreiging voor hem vormen en begint ze te vervolgen, aangemoedigd door de CIA.

Mohr is een uitstekende diplomaat, maar zijn boekhouding is een puinhoop.

Toch is het niet communisme dat de stichting de das omdoet; het is de ongelooflijke verkwisting die het einde van Sticusa inluidt. De Nederlandse pers en het parlement beginnen midden jaren vijftig vragen te stellen over de enorme kosten van de stichting, die inmiddels zijn opgelopen tot boven de 2 miljoen gulden per jaar. Wat levert al dat geld eigenlijk op? Op het mooie kantoor in Amsterdam begint het vreselijk te rommelen, ruzies binnen het bestuur lekken onvermijdelijk uit naar de pers en leveren smakelijke verhalen op over verspilling en hoogmoed.

Er is maar één oplossing: het kabinet-Drees III trekt in 1955 de stekker uit de stichting. De laatste Sticusa-medewerkers verlaten een paar weken later het pand in Jakarta, ze krijgen als dank een enkele reis Nederland. Het voormalige postkantoor zal enkele jaren later tegen de grond gaan om plaats te maken voor een winkelcentrum. De twee kantoren in Amsterdam-Zuid gaan onderdak bieden aan het nieuwe Nederlands Instituut voor Internationale Culturele Betrekkingen, dat ook een deel van het Sticusa-personeel overneemt. Dit instituut gaat echter vier jaar later alweer ter ziele.

Er komt wel een rechtsopvolger met de naam Sticusa, maar die bescheiden organisatie concentreert zich alleen op Suriname en de Antillen, plekken waar de wil van Nederland nog steeds wet is. Sticusa II blijft tot 1989 bestaan, tot ook deze incarnatie wegens hoge kosten en onduidelijke baten in een bezuinigingsronde ten onder gaat.

Meer weten:

Revolusi (2020) door David Van Reybrouck vertelt het verhaal van de Indonesische onafhankelijkheid aan de hand van ooggetuigen.

Indonesia: Peoples and Histories (2004) door Jean Gelman Taylor is een standaardwerk over de geschiedenis van het land.

Moederstad (2021) door Philip Dröge over het moderne Jakarta en het oude Batavia.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 3 - 2022