De Nederlander Andries Sternheim werkte jaren voor de Frankfurter Schule, maar hoorde er nooit helemaal bij. Dat kostte hem zelfs zijn leven.
In de ideeëngeschiedenis van de twintigste eeuw neemt de zogenoemde Frankfurter Schule nog altijd een belangrijke plaats in. De denkers die verbonden waren aan het Institut für Sozialforschung, dat in 1924 in Frankfurt was opgericht, trachtten het gedachtegoed van Marx en Freud te combineren. Ze deden sociaal-economisch én psychologisch onderzoek. Bekende vertegenwoordigers waren onder meer Max Horkheimer, Theodor Adorno en Walter Benjamin. Minder bekend is dat ook een Nederlander een rol heeft gespeeld binnen dit instituut, Andries Sternheim.
Al zou Sternheim er altijd een vreemde eend in de bijt blijven, wat hem uiteindelijk fataal werd. Evenals de bekendste leden van de Frankfurter Schule was Sternheim Joods, maar hij groeide niet op in een bourgeois milieu waarin studeren de norm was. Hij moest op zijn veertiende gaan werken in de diamantindustrie, werd actief in de vakbeweging en wist zich door zelfstudie te ontwikkelen tot serieus intellectueel. Hij werd hoofd van de bibliotheek- en documentatieafdeling van het in Amsterdam gevestigde Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV) en mengde zich binnen de SDAP in allerlei debatten over economie en maatschappij.
In 1931 werd Sternheim hoofd van de vestiging van het Institut für Sozialforschung in Genève. Hij leverde bijdragen aan verschillende studies van het instituut en was een pionier op het gebied van een nieuwe discipline als de vrijetijdssociologie. In tegenstelling tot andere leden van de Frankfurter Schule zag Sternheim het gezin niet als een autoritair en onderdrukkend instituut, maar als een plek waar de basis werd gelegd voor een democratische levenshouding. Door zijn achtergrond keek hij vaak anders, en vooral veel praktischer, tegen dingen aan dan de uiterst verfijnde Duitse intellectuelen. De buitengewoon snobistische Adorno kon hem niet luchten of zien en beschouwde Sternheim als ‘een product van de diepste neurotische domheid’.
Horkheimer hield Sternheim lange tijd de hand boven het hoofd. Maar toen de vestiging in Genève in 1938 werd gesloten, gaf hij hem geen toestemming om naar New York te komen, waar sinds 1933 de hoofdvestiging van het instituut was gevestigd. Horkheimer en Adorno lieten, met de smoes dat er geen geld was, de nog in Europa verblijvende medewerkers in de steek. In 1943 werden Sternheim en zijn gezin in Auschwitz vermoord. Met dit grondig gedocumenteerde en bijzonder leesbare boek heeft de socioloog Bertus Mulder alsnog een klein, maar fraai monument voor hem opgericht.
Andries Sternheim (1890-1944). Vergeten binnen de Frankfurter Schule
Bertus Mulder
404 p. Noordboek, € 29,90

