Van de Italiaanse leider Benito Mussolini wordt vaak gedacht dat hij niet racistisch was. Het Italiaanse fascisme kende immers aanvankelijk geen rassenleer. Ook nam Italië in 1934 afstand van het Duitse antisemitisme. Toch had ook Mussolini antisemitische en racistische opvattingen.
Het Italiaanse fascisme kende oorspronkelijk geen biologisch gefundeerde rassenleer en antisemitisme. Het gaf aan nationalisme en het begrip ‘volk’ een overwegend cultuurhistorische invulling. De Italiaanse natie werd beschouwd als het resultaat van een historisch wordingsproces met een gedeelde cultuur en taal, en gezamenlijke tradities, opvattingen en zeden.
Dit standpunt lijkt vrij gematigd, maar de praktijk was dat niet. Zo voelden Mussolini’s fascisten een diepe minachting voor Slavische en gekleurde volkeren. Daarnaast had het nationalisme van de Italiaanse fascisten een uiterst agressief karakter. Strijd, oorlog en overheersing stonden centraal in de ideologie van het fascisme. Anderhalf jaar voor zijn aantreden als minister-president in oktober 1922 verkondigde Mussolini: ‘Het buitenlandse programma van het fascisme bestaat slechts uit één woord: expansiepolitiek.’
Hij liet in mei 1925 een wet aannemen die het doel had ‘de natie rijp te maken voor een oorlog’. Aan het eind van dat jaar verklaarde de Duce dat hij Italië beschouwde als ‘een natie in permanente staat van oorlog’. Zijn regime voerde op dat moment al enkele jaren oorlog in Afrika. De strijd vond voornamelijk plaats in de regio’s Tripolitana en Cyrenaika (in het tegenwoordige Libië) en in de Hoorn van Afrika (Eritrea en Italiaans Somaliland). Italië had in de Eerste Wereldoorlog zijn grip op deze voormalige koloniën verloren. Met excessief geweld – en grif gebruik van gifgas – werden deze gebieden heroverd. De koloniale oorlog in Noord-Afrika kreeg door de hoge aantallen slachtoffers begin jaren dertig zelfs genocidale dimensies.
Onderhuids antisemitisme
In 1932 maakte Mussolini in een interview de rassenleer van de nazi’s belachelijk. Hij stelde dat er geen ‘zuivere rassen’ meer bestonden en dat ‘ras’ voor ’95 procent gevoel’ is en geen biologische realiteit. De kracht en schoonheid van een natie ontstonden vaak uit ‘gelukkige vermenging’. Nationale trots had volgens Mussolini dan ook geen rassentheorieën nodig. De Duce benadrukte daarnaast dat antisemitisme niet bestond in Italië. Afgezien van het religieus gefundeerde antisemitisme van de Rooms-Katholieke Kerk kende het land inderdaad nauwelijks een traditie van Jodenhaat. Halverwege de jaren dertig was een op de drie volwassen Italiaanse Joden lid van de fascistische partij.
Om de buitenwereld ervan te overtuigen dat hij niets tegen Joden had en als openlijk statement tegen het rabiate antisemitisme van de nazi’s, had Mussolini in 1933 en 1934 ontmoetingen met de opperrabbijn van Rome en de zionistisch leider Chaim Weizmann. Ook in zijn privéleven leek hij lange tijd allesbehalve een antisemiet te zijn. In de schier eindeloze rij vrouwen met wie Mussolini het bed deelde, oefenden slechts twee daadwerkelijk intellectuele invloed op hem uit: de socialiste Angelica Balabanoff en Margherita Sarfatti, auteur van zijn eerste biografie uit 1924. Beide vrouwen stamden uit Joodse families. Niettemin koesterde Mussolini al vóór de Eerste Wereldoorlog reserves tegenover Joden, die vanaf het einde van de jaren twintig steeds meer naar voren kwamen. Hij verbrak zijn band met Sarfatti en verbood zijn dochter met een Joodse man te trouwen, waarbij hij Joden zelfs zijn ‘ergste vijanden’ noemde.

Mussolini’s antisemitische sentimenten bleven niet zonder gevolgen. De fascistische autoriteiten hielden Joden vanaf eind jaren twintig nauwlettend in de gaten. Bij enkele instanties en van sommige beroepen werd zelfs bijgehouden hoeveel van hen er werkzaam waren. Hoewel talrijke Joden nog nauwelijks iets merkten van het onderhuidse antisemitisme van het regime, ondervonden anderen al anti-Joodse pesterijen. De Duce hield ondertussen zijn antisemitische gevoelens verborgen wanneer hij dat om politieke redenen raadzaam achtte.
Zijn kritiek in 1932 op de nazi’s kwam dan ook niet zozeer voort uit een principiële afkeer van hun rassenleer en antisemitisme. Prestige en andere politieke overwegingen speelden een rol. Oorspronkelijk beschouwde Mussolini de Machtübernahme van de nazi’s als een verheugend bewijs van de aanstaande overwinning van het fascisme in heel Europa. De Duce liet Adolf Hitler in februari 1933 hulpvaardig weten ‘dat men bij antisemitische acties niet te abrupt moet optreden en voor een geleidelijke verwijdering van de Joden uit verantwoordelijke posities moet zorgen’. Het is twijfelachtig of de nazileider wat antisemitisme betrof om advies verlegen zat.
Op de Italiaanse universiteiten zat geen enkele Jood meer
Mussolini’s aanvankelijke bedenkingen over de nazi’s veranderden spoedig in openlijke vijandigheid. Naarmate Hitlers aanzien steeg, daalde het prestige van de Duce bij buitenlandse geestverwanten. Berlijn dreigde daardoor de plaats van Rome in te nemen als mekka van het internationale fascisme. Na de mislukte staatsgreep van autochtone nazi’s in Oostenrijk en hun brute moord op bondskanselier Engelbert Dollfuss, een protegé van Mussolini, op 25 juli 1934, dreigde de situatie op gevaarlijke wijze te escaleren. De Duce reageerde furieus en liet Italiaanse troepen naar de Brennerpas sturen om duidelijk te maken dat hij Duitse inmenging in Oostenrijk niet zou tolereren.
In de daaropvolgende anderhalf jaar gaf Mussolini herhaaldelijk uiting aan zijn afkeer van het Derde Rijk. Hij benadrukte ideologische verschillen tussen het universele ‘Latijnse’ fascisme en het racistische ‘Germaanse nationaal-socialisme’. Meer dan eens hekelde hij het nazisme als een krankzinnige ideologie die diepgeworteld was in het heidendom en de Middeleeuwen. Zijn kritiek op de nationaal-socialistische rassenleer was ondertussen niet vrij van een flinke dosis opportunisme.

Vanwege de ideologische werfkracht die uitging van Hitlers nationaal-socialisme richtte Mussolini’s regime in de zomer van 1933 de Comitati d’Azione per l’Universalità di Roma (CAUR; ‘Comités van Actie voor de Universaliteit van Rome’) op. Vanaf de oprichting benadrukte de CAUR dat er onoverkomelijke verschillen bestonden tussen het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme. De rassenleer en het pangermanisme van de nazi’s waren in strijd met de universele beginselen van het christendom en zouden onvermijdelijk leiden tot Duits expansionisme.
Het was de bedoeling dat de CAUR de aanzet zou zijn tot een fascistische internationale onder Italiaanse leiding. Spoedig bleek dat veel geestverwante partijen in het buitenland niet bereid waren om de ideologische suprematie van de Italianen in alle opzichten te erkennen. In toenemende mate toonden zij zich ontvankelijk voor het racisme en antisemitisme van de nazi’s. De internazionale fascista stierf in 1936 een stille dood door Mussolini’s openlijke toenadering tot Hitler.
Achter de schermen waren zijn avances al eerder gaande. In de zomer van 1935 maakte Mussolini duidelijk dat hij Hitlers antisemitisme deelde. De Duce stelde ‘dat Joden geen fascisten kunnen zijn’. Hij had hen daarom uit belangrijke posities verwijderd. Ook op de Italiaanse universiteiten zat geen enkele Jood meer.
Overigens bestond er tussen de universalistische, antiracistische en vreedzame pretenties van de CAUR en de buitenlandse politiek van het Mussolini-regime vanaf het begin een onoverbrugbare tegenstelling. In Noord-Afrika en de Hoorn van Afrika maakten de Italianen zich massaal schuldig aan oorlogsmisdrijven en andere wreedheden. Ook wilde de Duce per se dat Abessinië (Ethiopië) door oorlog en niet langs diplomatieke weg Italiaans bezit werd. De CAUR diende dan ook primair Mussolini’s machtspolitieke doeleinden. Met de Italiaanse toenadering tot nazi-Duitsland vanaf 1936 verviel het nut van deze organisatie.
Het biologische racisme en antisemitisme werden tot staatsdoctrine ‘verheven’
De uitzonderlijk wrede veroveringsoorlog van Italië tegen Abessinië in 1935 en 1936 en het wrede bezettingsregime daarna, kwamen voort uit een giftige symbiose van imperialisme en racisme. Mussolini’s manschappen schroomden niet om talloze krijgsgevangenen en onschuldige burgers af te slachten. Zijn generaals waren door hem gemachtigd een ‘systematische politiek van terrorisme en uitroeiing’ uit te voeren, zolang dit maar geheim bleef. De Duce zelf mijmerde over een ‘nieuw Abessinië zonder Abessijnen’.
Het fascistische regime voer vanaf 1936 in eigen land steeds meer een antisemitische koers. Het aantal ontslagen Joodse ambtenaren en werknemers nam sterk toe, beroepsverboden en economische restricties volgden, en de fascistische pers verspreidde een steeds giftiger antisemitische retoriek. Mussolini trad daarbij niet alleen op als initiator achter de schermen, maar ageerde nu ook openlijk tegen Joden. In Il Popolo d’Italia schreef hij eind 1936 dat antisemitisme onvermijdelijk ontstond wanneer ‘het Jodendom al te brutaal optreedt’. Een teveel aan Joden had volgens hem ‘automatisch een anti-Joodse stemming ten gevolg’.
In de Italiaanse koloniën Somalië, Eritrea en Abessinië bestond tezelfdertijd een strikte rassenscheiding op alle openbare plaatsen. De eerste koloniale rassenwet van 19 april 1937 maakte ook seksueel contact tussen Italianen en Afrikanen strafbaar. Het fascistische bewind ontnam daarnaast steeds meer rechten aan de zogenaamde ‘halfbloeden’. Mussolini beschouwde hen als een bedreiging voor de raciale integriteit van zijn volksgenoten.

Zijn weerzin tegen Joden vertaalde zich in een aanscherping van het antisemitische overheidsbeleid. Met de publicatie van het Manifesto della razza in juli 1938 werden het biologische racisme en antisemitisme tot staatsdoctrine ‘verheven’. De tekst was niet alleen door Mussolini geïnspireerd, maar ook door hem persoonlijk geredigeerd. Het manifest stelde dat er biologische rassen bestonden, dat Italianen tot het Arische ras behoorden en dat Joden daarom geen deel uitmaakten van het Italiaanse volk. Begin september maakte Mussolini’s regering bekend dat alle 20.000 Joden die na 1919 Italië waren binnengekomen, binnen enkele maanden het land verlaten moesten hebben.
In een toespraak diezelfde maand ontkende Mussolini nadrukkelijk dat het antisemitisme van de nazi’s was overgenomen. Het ‘Joodse probleem’ noemde hij slechts één aspect van een groter vraagstuk. Italianen moesten ‘een helder en streng rassenbewustzijn’ en superioriteitsbesef ontwikkelen dat noodzakelijk was om een imperium te behouden. Er zijn geen aanwijzingen dat de Italiaanse fascisten het biologisch racisme en antisemitisme aanvaardden onder druk van hun Duitse bondgenoten.
Anti-Joodse wetten van Mussolini
Mussolini speelde privé met de gedachteMussolini kreeg het idee om Joden te deporteren naar een afgelegen gebied in Afrika, bijvoorbeeld naar Somalië. Dat kwam overeen met wat Hitler destijds nog voor ogen stond als oplossing voor ‘het Joodse vraagstuk’: deportatie naar het Afrikaanse eiland Madagaskar.
In praktijk bestond er een flinke discrepantie tussen de tirades van Mussolini in privékring over het deporteren en zelfs uitroeien van de Joden en het antisemitische beleid van zijn regime. Hij besefte dat er onder de bevolking bezwaren bestonden tegen de antisemitische maatregelen en meende dat zijn volksgenoten eerst verder geïndoctrineerd moesten worden. Tegelijkertijd gaf hij radicale antisemieten alle ruimte om hun Jodenhaat te prediken. Mussolini was bovendien de initiator van een antisemitische perscampagne en de drijvende kracht achter nieuwe anti-Joodse wetten en proclamaties.
In oktober 1938 vaardigde de Grote Raad van het Fascisme de Carta della razza (‘Verklaring over het ras’) uit, waarin werd gesteld dat het fascisme vanaf het begin had geprobeerd de kwaliteit en kwantiteit van het Italiaanse ras te verbeteren. Sinds de totstandkoming van het wereldrijk was de noodzaak van ‘een raciaal bewustzijn’ urgent geworden. Op grond van de Carta della razza gold iedereen met een of twee Joodse ouders als Jood, ongeacht de godsdienst die hij of zij beleed. Wie voortkwam uit een gemengd huwelijk, maar het Jodendom verwierp, werd daarentegen als Italiaan beschouwd. De achterliggende gedachte was klaarblijkelijk dat Italiaans bloed superieur zou zijn aan Joods bloed.

De Wet ter bescherming van het Italiaanse ras, die alle eerdere antisemitische verordeningen bundelde, trad op 17 november 1938 in werking, een week na de Reichskristallnacht. Onder de bevolking en zelfs binnen Mussolini’s eigen partij was er weinig enthousiasme voor deze antisemitische koers en vele Italianen schaamden zich er zelfs voor. De geheime politie rapporteerde dat er aanzienlijke sympathie voor Joden bestond. De Duce was desondanks vastbesloten om zijn rassenwet door te voeren.
Voor Mussolini was het discrimineren, marginaliseren en ontrechten van Joden niet genoeg. In 1940 besloot zijn regering dat binnen tien jaar het grootste deel van de Italiaanse Joden uit het land moest zijn verdreven. Joden die een gemengd huwelijk hadden of daaruit waren voortgekomen, zouden worden ‘geariseerd’. De Duce bepaalde in mei 1942 dat alle volwassen Joodse mannen en vrouwen dwangarbeid moesten verrichten. Zijn regering nam een jaar later het besluit dat alle Joden die tussen 1907 en 1925 waren geboren in concentratiekampen moesten worden geïnterneerd om daar te werken. De laatste twee beslissingen werden mede ingegeven door het platvloerse vooroordeel dat Joden geen fysiek werk zouden verrichten, maar liever parasiteerden op de arbeid van de vlijtige Ariërs.
Medeplichtig
Ofschoon zijn bondgenoot Hitler hem hierover nooit informeerde, staat vast dat Mussolini wist dat het naziregime in de zomer van 1942 was begonnen met het vernietigingsprogramma in de kampen. Op 17 augustus van dat jaar liet een hoge diplomaat bij de Duitse ambassade in Rome, prins Otto von Bismarck, in het geheim aan het Italiaanse ministerie van Buitenlandse Zaken weten dat Joden naar kampen in Polen werden gedeporteerd om daar te worden vermoord. Dezelfde dag verzocht de Duitse ambassadeur Hans Georg von Mackensen toestemming om 3000 Joden die naar de Italiaanse bezettingszone in Joegoslavië waren gevlucht, samen te drijven en de deporteren. Mussolini stemde daarmee in.
Twee weken eerder had Reichsführer-SS Heinrich Himmler hem tijdens een onderhoud toevertrouwd dat alle Joden uit het Groot-Duitse Rijk en de bezette gebieden zouden worden verwijderd, omdat ze overal de drijvende kracht waren achter ‘sabotage, spionage en verzet en ook achter bendevorming’. Himmler vertelde dat de Duitsers in Rusland ‘een niet onaanzienlijk aantal Joden’ hadden moeten doodschieten, omdat daar zelfs vrouwen en kinderen als koeriers optraden voor partizanen. Mussolini antwoordde onbewogen dat dit ‘de enige mogelijke oplossing’ was.
Ook bij andere gelegenheden toonde de Duce zijn onverschilligheid tegenover het lot van de Joden. Zo gaf hij in mei 1942 het bevel de geannexeerde Dalmatische kustgebieden ‘vrij van Joden’ te maken. Dit betekende dat duizenden Joden die daar bescherming zochten tegen de moordlustige milities van Kroatische fascisten, gedwongen werden uitgewezen. Boosaardig was zijn grap in november van dat jaar tegen een Italiaanse industrieel dat de Duitsers Joden ertoe bewogen ‘naar een andere wereld […] te emigreren’.

Zijn houding tegenover Duitse druk om Joden die onder Italiaans gezag vielen te deporteren naar vernietigingskampen, was niet altijd consistent. Na een bezoek van minister van Buitenlandse Zaken Joachim von Ribbentrop in februari 1943, gaf Mussolini zijn generaals in het door Italië bezette deel van Joegoslavië opdracht de Joden in Triëst te verzamelen met het oog op deportatie. Enkele dagen later bedacht hij zich. De generaals mochten nu alle excuses gebruiken die zij wilden; ‘zodat geen enkele Jood wordt overgedragen’. Mussolini’s tegenstrijdige houding lijkt vooral voort te komen uit irritatie over Duitse druk. Zijn biograaf Nicholas Farrell veronderstelt dat hij door Joden te beschermen ook de reputatie van de nazi’s in de bezette gebieden wilde ondermijnen.
De fascistenleider toonde op andere momenten dat hij niet bereid was de vervolgde Joden tegen een wisse dood te beschermen. In de Italiaanse bezettingszone in Zuid-Frankrijk, waar talrijke gevluchte Joden verbleven, benoemde hij een politieofficier die rechtstreeks aan hem rapporteerde en verantwoordelijk was voor het beleid ten aanzien van de Joden. Ongetwijfeld met zijn medeweten gaf deze gevolmachtigde half juli 1943 opdracht de aanwezige Joden uit te leveren aan de Duitsers.
Veel Italiaanse functionarissen in bezette gebieden saboteerden in 1942 en 1943 de bevelen om Joden aan de Duitsers over te dragen. Waarschijnlijk niet zozeer uit humanitaire overwegingen, maar uit het besef dat Italië de oorlog zou verliezen en de geallieerden strenge straffen voor oorlogs- en andere misdaden in het vooruitzicht hadden gesteld.
Mussolini verloor de macht over Italië in juli 1943. Slechts twee maanden later mocht hij leiding geven aan de Republiek van Salò, een fascistische rompstaat onder curatele van de nazi’s. Zijn antisemitisme werd nog meedogenlozer. Hij stond toe dat nazi’s de Endlösung der Judenfrage uitbreidden tot de Italiaanse Joden en ook dat een deel van zijn aanhangers ijverig meehielp bij het opsporen en overdragen van Joden aan de Duitsers voor deportatie naar vernietigingskampen. Het is zelfs zeer aannemelijk dat op het hoogste niveau afspraken waren gemaakt over deze lugubere taakverdeling. Vaststaat in elk geval dat Mussolini verscheidene malen persoonlijk opdracht gaf om de Joden over te dragen. Dat uiteindelijk 80 procent van de Italiaanse Joden de oorlog overleefde, was geen verdienste van hem. Zijn racisme en antisemitisme waren aanzienlijk radicaler dan lange tijd werd aangenomen.
Meer weten:
- Mussolini. De eerste fascist (2021) door Hans Woller toont dat zijn racisme en antisemitisme al vroeg diepgeworteld waren.
- Jews in Italy under Fascist en Nazi Rule 1922-1945 (2005) door Joshua D. Zimmerman (red.) over de vervolging van Italiaanse Joden.
- Universal Fascism (1972) door Michael Ledeen beschrijft pogingen van Italiaanse fascisten een fascistische internationale op te richten.
