Anno 2018 zitten Nederlanders niet meer te wachten op oude fietsen.Door het te pas en te onpas gebruikte ‘Ik wil mijn fiets terug’ is in de loop der jaren een vertekend beeld ontstaan van de omvang van de fietsenroof door de Duitsers. In 1991 schreef het RIOD (voorloper van het NIOD) dat het om hooguit tussen de 100.000 en 150.000 fietsen ging. ‘Op de 4 miljoen fietsen die bij het uitbreken van de oorlog in gebruik waren, betekent dit “slechts” zo’n 3,5 procent. Het is dan ook niet zozeer het aantal geroofde fietsen dat zoveel commotie veroorzaakte als wel het feit dat iedereen de kans liep zijn zo geliefde vervoermiddel kwijt te raken. Het Parool gaf uiting aan de algehele verontwaardiging door op 25 juli 1942 te melden dat vrijwel geen andere daad van de bezetter “een zoo wilde woede, een zoo grote verbittering veroorzaakt had als deze massale rijwieldiefstal”.’ Je kunt je nu bijna niet meer voorstellen dat de Duitsers ooit dachten ze met Nederlandse fietsen de oorlog konden winnen. Het idee was dat hun soldaten, in geval van een landing van de geallieerden bij Scheveningen, zich daar op de fiets naartoe konden spoeden. Door gebrek aan benzine was een snelle, massale troepenverplaatsing per legerauto namelijk niet meer mogelijk. Die invasie kwam er niet en los daarvan verkeerde het merendeel van de gevorderde fietsen in zo’n slechte staat dat slechts een fractie bruikbaar was. Het eveneens nijpende gebrek aan rubber werd opgelost door fietsen houten banden te geven. Dit gebeurde zo vaak dat in juni 1943 hout voor fietsbanden niet meer onder het ‘Rijksbureau voor Hout’, maar onder het ‘Rijksbureau voor Rubber’ viel.
Je kunt je nu bijna niet meer voorstellen dat de Duitsers ooit dachten ze met Nederlandse fietsen de oorlog konden winnen.Al sinds pakweg 1880 bestond er in diverse landen belangstelling voor fietsen in het leger. Fietsende manschappen konden bijvoorbeeld de cavalerie vervangen. Maar eind negentiende eeuw was alleen de elite in staat zo’n ‘ijzeren ros’ te berijden. In Nederland schoot in 1886 daarom de overkoepelende organisatie van fietsclubs, ANWB, de minister van Oorlog te hulp en bood aan te helpen bij de introductie van de ‘snelwieler’ in het leger. Die hulp werd dankbaar aanvaard en gedurende een aantal jaren maakten door de ANWB geronselde vrijwilligers een bliksemcarrière in het leger. Daar kwam een eind aan toen het leger midden jaren negentig zelf soldaten leerde fietsen. Dat was best moeilijk. ‘Bij ’t opstijgen en rijden mag men nooit naar zijn rijwiel zien en dit is zeer belangrijk, want men zou al spoedig zijn nevenmenschen aanrijden,’ werd er gewaarschuwd.

