Finci, zelf van Bosnische komaf, woonde vanaf 2001 een groot aantal van de zittingen bij die het tribunaal in Den Haag hield om misdadigers van de Joegoslaviëoorlogen te vervolgen. Het viel hem op dat wat er werd gezegd over de politieke achtergronden van bepaalde oorlogshandelingen regelmatig de verhalen weerspiegelde die hemzelf ter ore kwamen, toen hij nog in het oorlogsgebied verbleef.
Bijvoorbeeld over een bombardement op de Markale (markt) van Sarajevo op 5 februari 1994 door Servische eenheden, waarbij 68 slachtoffers vielen. Finci probeerde die dag met een bus de stad te verlaten en ontdekte hoe verschillend mensen dachten over de toedracht van het bombardement. Een geüniformeerde man vertelde hem huilend dat de bevolking van Sarajevo die ochtend zichzelf zou hebben aangevallen.
Zulke narratieven hoorde Funci opnieuw tijdens zittingen van het tribunaal. Niet alleen aanklagers en verdachten gaven elkaar tegensprekende verklaringen, maar ook vonnissen bevatten dikwijls uiteenlopende, en soms ronduit onverzoenlijke, interpretaties van gebeurtenissen. Hoewel het Joegoslaviëtribunaal, dat in 2017 is ontbonden, een ongeëvenaarde verzameling bronnen heeft opgebouwd, slaagde het er dus niet in de waarheid boven tafel te krijgen.
