Gholamreza Takhti is een legende in Iran. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd deze worstelaar – ‘met de nek van een waterbuffel’, zoals de legende gaat – landelijk kampioen. Hij won medailles bij wereldkampioenschappen en op de OIympische Spelen. Worstelen was dé volkssport in Iran en Takhti was razend populair onder de Iraniërs. Toen hij zich aansloot bij het politieke verzet tegen het bewind van de toenmalige sjah, gaf dat de onderdrukte oppositie een flinke steun in de rug.
Maar het liep niet goed af: de worstelaar overleed in 1968. Hij was toen 37 jaar oud. Zijn lichaam werd gevonden in een hotelkamer in Teheran. Volgens de autoriteiten had hij zelfmoord gepleegd. De oppositie zei dat hij was gemarteld en vermoord door de geheime dienst; de worstelaar zou een gevaar zijn geworden voor het bewind.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
De reden dat Takhti op handen werd gedragen, had mede te maken met wie hij was als persoon. Hij was vriendelijk en genereus, eervol en moedig. Dat waren essentiële deugden in de antieke Perzische samenleving, zegt de Iraans-Belgische politicoloog Caroline Azad. ‘Er zijn weinig geschreven bronnen bewaard gebleven. Maar de dichter Ferdowsi schreef rond het jaar 1000 in zijn beroemde Boek der Koningen (de Shahnameh) al over waarden als hoffelijkheid en ridderlijkheid in Perzië. In de Perzische cultuur stonden moed, eer, loyaliteit, maar ook fysieke kracht en het verdedigen van je land centraal.’
Dat was terug te zien in de zogeheten Zourkhaneh, de Huizen van Kracht: eeuwenoude sportzalen met achthoekige arena’s. Er werden ritmische oefeningen gedaan en er werd geworsteld. Respect stond centraal. Worstelwedstrijden werden soms zelfs voortijdig afgebroken om te voorkomen dat een van de deelnemers een vernederende nederlaag zou lijden.
Worstelen wordt in Iran al duizenden jaar gedaan. Op een beschilderde schaal uit 800 v.Chr. – de zogenoemde Arjanschaal – zijn sporters te zien die aan acrobatiek, gymnastiek en worstelen doen. Van de Zourkhaneh is niet precies bekend wanneer ze ontstonden. De Franse juwelier, schrijver en ontdekkingsreiziger Jean Chardin was in de zeventiende eeuw een van de eerste westerlingen die de sportarena’s in Iran bezocht en beschreef.

Sporters en worstelaars hadden als deugdzame Iraniërs ook een voorbeeldfunctie buiten de arena. Ze hielpen wijkbewoners, gaven geld aan de armen en traden op als officieuze politiemensen. Dat gaf hun soms macht en invloed. Worstelaar Gholamreza Takhti nam die rol vol overtuiging op zich – met fatale afloop.
Met Zourkhaneh-sporter Shaban Jafari liep het voorspoediger af. Hij was betrokken bij de staatsgreep in 1953 waarna de sjah alle macht in handen kreeg. Jafari zou als sportman zo veel invloed en aanzien hebben gehad, dat zelfs de CIA hem benaderde – wat Jafari altijd heeft ontkend. Toen de sjah in 1979 werd verdreven, vluchtte hij wel naar de Verenigde Staten, waar hij politiek asiel kreeg.
Korte broeken
In de twintigste eeuw veranderde de Iraanse samenleving en daarmee ook de rol van sport, stelt Caroline Azad. ‘Iran groeide uit tot een regionale grootmacht en moderniseerde.’ Vanaf de jaren twintig kwam er sportonderwijs en werden sportorganisaties en -clubs opgericht. Teheran gebruikte sport als soft diplomacy. ‘Iraanse sporters deden het internationaal goed en in sommige disciplines waren steeds meer vrouwelijke sporters uit Iran te zien. Daarmee kon het bewind laten zien hoe vooruitstrevend, modern en geëmancipeerd het was.’
In de jaren zeventig verloor worstelen aan populariteit: het werd iets van vorige generaties. Buitenlandse oliebedrijven waren naar Iran gekomen, Iraanse jongeren en militairen studeerden in het buitenland. Hierdoor werd Iran meer en meer beïnvloed door de (westerse) buitenwereld en door buitenlandse sporten. ‘Al in het begin van de twintigste eeuw gingen Britten in Iran naar olie boren en zij namen hun gewoonten en gebruiken mee. Inclusief voetbal,’ zegt Azad.

Deze nieuwe sport veroverde de harten van de Iraniërs. Maar niet zonder slag of stoot. ‘De Britten voetbalden in korte broeken. Dat stond haaks op de traditionele Iraanse kleding die meer bedekte van het lichaam.’ Iraanse mannen die meevoetbalden, werden door Iraanse sjiieten nogal een als ongelovigen bestempeld en soms met stenen bekogeld. Een ayatollah stuurde ooit een boze brief aan de regering om te klagen dat een moskeeterrein werd gebruikt als voetbalveld.
‘De vrouwenemancipatie, de blotere kleding: het lag gevoelig,’ zegt Azad. Het waren allemaal bewijzen van moreel verval, vonden de geestelijken. Door de modernisering leek Iran te verwestersen, zeiden ze. Voetbal zou wel eens meer jongeren aan kunnen trekken dan de moskee, was de angst.
Na de islamitische revolutie van 1979 kregen conservatieve geestelijken het voor het zeggen. Er kwam repressie. Vrouwenrechten werden ingeperkt. Geloof ging boven sport. Illustratief was dat op een voetbalveld in Teheran voortaan het vrijdaggebed werd georganiseerd. ‘Maar toen het land in de jaren negentig, na de oorlog met Irak, met zijn economische wederopbouw begon, vroeg de bevolking om meer sportactiviteiten.’ Met succes. Wedstrijden kwamen op gang en Iran deed weer mee aan internationale toernooien. Maar: onder streng toezicht. De overheid nationaliseerde voetbalclubs. De benoemingen van managers, trainers en spelers werden van bovenaf geordonneerd of gecontroleerd. Veel (ex-)leden van de Revolutionaire Garde kregen topfuncties bij sportorganisaties. ‘Sport werd gebruikt als bron van inkomsten en om invloed uit te oefenen.’
Vrouwenvoetbal
Soms was voetbal geschikt om politieke appeltjes te schillen. In 1998 versloeg het nationale voetbalelftal van Iran het elftal van de Verenigde Staten. ‘Onze tegenstander proeft weer eens hoe bitter de smaak van een nederlaag is,’ zou ayatollah Khamenei destijds triomfantelijk hebben gezegd.
Voor vrouwen in Iran lag het ingewikkelder. Ze mochten niet voetballen en ook geen mannenvoetbal kijken, vanwege de blote mannenbenen. Maar, zegt Azad, het broeide wel. ‘Sommige vrouwelijke voetballers van vóór de islamitische revolutie droegen hun passie voor de sport over aan hun dochters. En die eisten het recht op om te voetballen.’ De sjiitische machthebbers gaven aanvankelijk geen strobreed toe. Maar jonge vrouwen bonden ook niet in. ‘Ze gingen daarom niet in het openbaar voetballen, maar in het geheim en in kleine groepjes. Zo is het zaalvoetbal voor vrouwen in Iran ontstaan. Dat kan je zien als een vorm van verzet tegen de machthebbers.’
Uiteindelijk gingen de conservatieve leiders overstag. In 2005 werd een officieel landelijk vrouwenelftal samengesteld, bestaand uit de beste zaalvoetbalsters. Dat leidde nog wel tot internationaal gebakkelei over de kledingvoorschriften op het veld, maar de stap was gezet: Iraanse vrouwen mochten het gras op.
De afgelopen jaren waren het vooral vrouwelijke sporters die zich regelmatig kritisch uitspraken over de islamitische machthebbers. Een volleybalster werd vervolgd omdat ze lesbisch was en vluchtte naar de Verenigde Staten. Een vrouwelijke voetbalfan ging verkleed als man een stadion in, werd daarvoor gearresteerd en pleegde zelfmoord. Wedstrijdklimster Elnaz Rekabi deed in 2022 mee aan kampioenschappen in Zuid-Korea zonder hijab, terwijl dat volgens Iraanse regels verplicht is. Ze emigreerde vorig jaar naar Spanje. Voetbalsters van het nationaal elftal weigerden begin dit jaar het Iraans volkslied mee te zingen tijdens de Azië Cup in Australië en vroegen daar politiek asiel aan. Twee van hen kregen afgelopen zomer de Australische nationaliteit.
Azad: ‘De vrouwelijke sporters die zich verzetten, verwijzen vaak naar de symbolen en deugden uit vroegere Perzische tijden: eergevoel, moed, loyaliteit en verzet. Om hun eigen Iraanse identiteit te benadrukken, die niet dezelfde is als die van de machthebbers.’
Caroline Azad
is als Iraans-Belgische politicoloog verbonden aan de Université Libre de Bruxelles. Ze woonde van 2012 tot 2016 in Iran als journaliste en lerares Frans. Azad publiceerde een boek over vrouwelijke Iraanse voetballers, dat verscheen bij de Franse uitgeverij Harmattan: Femmes d’Iran, football et résistances (2024).
