Home Dossiers Slavernij Na de schipbreuk werden de witte opvarenden gered. De slaven bleven achter

Na de schipbreuk werden de witte opvarenden gered. De slaven bleven achter

Precies 250 jaar geleden werden in de Indische Oceaan zeven vrouwen en een baby gered van een onherbergzaam eiland. Het bleken slaven te zijn. Ze waren door de Fransen achtergelaten op het eiland en werden daarna vergeten, vijftien jaar lang.

Luchtfoto van het eiland Tromelin, sinds 1954 met landingsbaan, april 2013.
Luchtfoto van het eiland Tromelin, sinds 1954 met landingsbaan, april 2013. ANP

Frank Renout

Journalist

Gepubliceerd op: 27 augustus 2026

Update 18 augustus 2026

Tula monument op Curaçao.
Dossier Slavernij Bekijk dossier

In 1851 zag de Britse kapitein Hyde Parker plotseling land. Hij gooide, staand op zijn houten tweemaster HMS Pantaloon, het anker uit en voer met een sloep naar wat hij in de verte had gezien. ‘Het eiland is omringd door een rif of een koraalplateau van wel 150 yard (137 meter, red.) breed,’ schreef kapitein Parker in een brief die leest als een dagboek en die in 1852 werd gepubliceerd. ‘De bodem is rotsachtig. Hier kan geen schip langsvaren zonder averij op te lopen. Behalve bij één klein stukje aan de noordkant van het eiland. Daar zijn geen rotsen of stenen, daar ligt zand. Maar de stroming is heel sterk. Schepen lopen gevaar.’

Hyde Parker ging het eiland op. Veel zag hij in eerste instantie niet. Zand ja, heel veel zand. Struiken. En zwermen vogels. Maar na wat stappen te hebben gezet was hij, volgens zijn eigen dagboekbrief, verbaasd. ‘We zien de resten van iets dat gebouwd was met blokken koraal. Het waren vijf ruimtes. En vlakbij liggen nog twee andere vierkante ruïnes.’ Lopend naar de westkant van het eilandje zag hij twee ankers in zee liggen. Hij kon er niet in de buurt komen. Beukende golven hielden hem tegen. Vlakbij lagen acht verroeste kanonnen. ‘Het zijn verouderde modellen, loodzwaar.’ Het begon de kapitein te dagen. De ankers en de kanonnen: dat moesten de resten zijn van een schip dat hier was vergaan. En die ruïnes: dat moesten de resten zijn van huizen, gemaakt door schipbreukelingen. ‘Ik zie niets om het wrak te kunnen identificeren. Ik vermoed dat het zo’n vijftig jaar oud is. Misschien zelfs wel ouder.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van nu. Je leest al voor €4,99 per maand.

Het was inderdaad nog ouder. Het verlaten eilandje waar Hyde Parker rondliep was Tromelin, in de Indische Oceaan, zo’n 500 kilometer ten westen van Madagascar. Daar had 90 jaar eerder, in 1761, een driemaster schipbreuk geleden. De overlevenden kwamen op dit eilandje terecht. Pas vijftien jaar later werden de laatste schipbreukelingen van het eiland gered. Waarom toen pas? Omdat iedereen ze was vergeten.

Fataal besluit

Wie een verre zeereis maakt, slaat volop levensmiddelen in. Dus toen het Franse schip L’Utile in november 1760 het ruime sop koos en wegvoer uit de Atlantische havenstad Bayonne met meer dan 140 bemanningsleden, was het volgeladen met gezouten varkensvlees, sardines, erwten, bonen en bakkeljauw. Verse waar was ook aan boord: 206 levende kippen en 32 levende schapen. Er was genoeg water ingeslagen voor vier maanden op zee. En kapitein Jean de la Fargue had er persoonlijk op toegezien dat er genoeg wijn aan boord was: 47 houten vaten van elk meer dan 200 liter.

L’Utile was een driemaster en maakte deel uit van de Franse Oost-Indische Compagnie, La Compagnie française des Indes Orientales. Het moest handelswaar vervoeren naar, en vooral uit, de koloniën. Het schip zeilde van Frankrijk naar het zuiden en via Kaap de Goede Hoop naar de Indische Oceaan. Daar legde het eerst aan bij het eiland Mauritius, dat toen nog Île de France heette, en daarna bij Madagascar, voor de kust van Mozambique.

Dwarsdoorsnede van een Frans slavenschip. Tekening door Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre, eind achttiende eeuw.
Dwarsdoorsnede van een Frans slavenschip. Tekening door Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre, eind achttiende eeuw.

Op dat laatste eiland nam kapitein De la Fargue een eerste opmerkelijk besluit. In strijd met de regels kocht hij er persoonlijk 160 slaven. Die wilde hij op Île Rodrigue, ten oosten van Madagascar, voor de dubbele prijs verkopen. Hij zou er in één klap rijk mee worden.

Zo gezegd, zo gedaan. Op 22 juli 1761 werden de zeilen van L’Utile opnieuw gehesen en zette het schip koers naar Île Rodrigue. De 160 slaven  zaten in het ruim. Opgesloten. Omdat de kapitein bang was voor een slavenopstand op zee, had hij alle luiken van het ruim dicht laten timmeren. Eenmaal op zee nam De la Fargue een tweede opmerkelijk én dit keer ook fataal besluit. Hij negeerde de aanwijzingen van zijn eigen stuurman en zette een andere koers in. En om half 11 ’s avonds op 31 juli 1761 kwam L’Utile hardhandig in aanvaring met het koraalrif van Tromelin.

‘De golven waren enorm en we werden heen en weer geschud,’ staat in het logboek dat scheepsschrijver Hilarion Dubuisson de Keraudic bijhield. Hij was aan boord van L’Utile en gaf met zijn logboek een getuigenis uit de eerste hand. ‘De houten balken braken onder onze voeten. We gooiden ballast en kanonnen overboord. Daarna brak het schip in tweeën. Iedereen probeerde zich vast te klampen aan drijvende wrakstukken.’

Het woord ‘iedereen’ was niet helemaal op zijn plaats. De slaven zaten nog steeds opgesloten in het ruim. De meesten konden geen kant op. Het schip verdween onder water en zo’n 80 van de 160 slaven verdronken. De anderen konden zich bevrijden toen het schip in tweeën brak en ze in zee belandden. De Keraudic eindigde ook in de golven. Hij greep een plank vast. ‘Een zwarte slaaf wilde die plank ook pakken om niet te verdrinken, maar ik schopte hem weg. Daarna hoorde ik een stem van iemand die om hulp riep. Het was een matroos. Ik draaide mijn plank zodat hij hem kon vastpakken.’

Waar bleven de doden?

Na de schipbreuk strandden er ongeveer 80 slaven op het eiland. Maar 15 jaar later waren er nog maar 7 en een baby over. Waar de stoffelijke overschotten van de tientallen overleden slaven zijn gebleven is onbekend. Op het eiland zijn slechts stoffelijke resten gevonden van twee mensen. Maar het is nooit duidelijk geworden of dat opvarenden van L’Utile waren of wellicht schipbreukelingen van een latere datum.

Geen eten en drinken

Pas tegen de ochtend, toen het licht werd, kwam er land in zicht, schrijft De Keraudic. Het was Tromelin, een zandvlakte die uit het water stak. De eerste overlevenden van L’Utile waren er al naartoe gezwommen. ‘Iedereen ging meteen aan het werk om voorraden en wrakstukken van het schip te verzamelen. We maakten een tent en legden daar ons eten en drinken in. Sommige zwarten stierven omdat we ze niets gaven.’ Het opsluiten, wegschoppen en uithongeren: het was nog maar een voorbode van het lot dat de slaven zou treffen. Maar dat wisten ze nog niet, die eerste dagen op een zanderige heuvel midden in de oceaan.

Tromelin is het topje van een vulkaan die verder helemaal onder water ligt, tot op 4500 meter diepte. Het eiland ligt midden in orkaangebied. Daardoor is er geen hoge begroeiing en mijdt de scheepvaart het gebied. Het stormt er zo goed als elke dag. De zuidkant is laaggelegen en staat regelmatig onder water. Blokken koraal worden er het land op gestuwd. De noordkant ligt hoger en biedt daardoor enige beschutting. Daar hoopt het zand zich op dat de wind vanuit het zuiden wegblaast. Tromelin werd ontdekt in 1722. Toen voer er een schip van de Franse Oost-Indische Compagnie langs, de Diane. De kapitein noteerde in zijn logboek de exacte locatie van het eilandje dat hij zag, maar niet herkende. Daarna werd Tromelin nooit meer gezien, geregistreerd of bezocht, tot de drenkelingen van L’Utile er bijna 40 jaar later, in 1761, strandden. De overlevenden van de scheepsramp waren ook de eersten die na hun redding geïmproviseerde plattegronden tekenden van Tromelin. Het was klein, bleek toen: 1750 bij 700 meter.

Het anker van L’Utile in de branding van Tromelin. Op de achtergrond een Frans onderzoeksschip.
Het anker van L’Utile in de branding van Tromelin. Op de achtergrond een Frans onderzoeksschip.

L’Utile had zo’n 300 mensen aan boord toen het schipbreuk leed. Van de 140 bemanningsleden konden er 123 naar Tromelin zwemmen, de andere 17 verdronken. Van de 160 slaven verdronk de helft. Tijdens de eerste drie dagen op het eiland stierven nog eens 28 slaven: waarschijnlijk omdat ze van de bemanningsleden geen eten en drinken kregen.

Aanvankelijk was er genoeg voorraad. Drenkelingen zwommen, zodra de storm ging liggen en de zee kalm werd, naar het wrak van L’Utile om voorraden en materialen op te halen. Zo werd Tromelin voorzien van onder meer boter, meel en vlees. Er werden zelfs nog acht vaten rode wijn veiliggesteld. Met hout en ijzer van het scheepswrak werden op het eiland beschutting, bestek en gereedschap gemaakt.

De naam Tromelin

Het eilandje Tromelin werd al snel na z’n ontdekking Île de Sable genoemd: zandeiland. Toen de slaven er na een verblijf van 15 jaar werden gered, gebeurde dat met het schip La Dauphine, onder leiding van Jacques Marie Boudin de Tromelin. Het eiland werd vervolgens naar deze marine-officier vernoemd.

Een maquette toont de opgravingen op Tromelin. Nantes, oktober 2015
Een maquette toont de opgravingen op Tromelin. Nantes, oktober 2015.

De overlevenden sloegen hun kamp op aan de relatief veilige noordkant van het eiland. Ze maakten vuur, bouwden er zelfs een soort van ijzersmederij en sloegen met succes een waterput. ‘Op de vijftiende dag hadden we een oven gemaakt. We bakten ons eigen brood,’ schreef De Keraudic. Die oven bestond uit blokken koraal die op het zand waren opgestapeld, met daarbovenop stenen van de scheepsoven van L’Utile.

Maar het bleef een onbewoond eiland. Ver weg van de bewoonde wereld. En redding leek niet in zicht. Kapitein De La Fargue was sinds de schipbreuk volledig van slag. Zijn L’Utile was verwoest, hij bevond zich midden in de oceaan en ver van huis, en zijn droom om in één klap rijk te worden met de verkoop van slaven was in duigen gevallen.

De Voorzienigheid

De tweede man van L’Utile, luitenant Barthélémy Castellan du Vernet, nam daarom de leiding over. Hij bouwde met anderen een vlot om van het eiland weg te komen. Het bestond uit drie drijvende delen met daaroverheen een soort brugplateau. Allemaal gemaakt met het hout en ijzer van L’Utile. Zeil van het oude kapotte en gezonken wrak werd het zeil van de nieuwe ‘reddingsboot’. Twee maanden nadat ze op het eiland waren beland, was het vlot klaar voor vertrek. Het kreeg zelfs een naam: La Providence, De Voorzienigheid. Er was alleen één probleem: er was niet genoeg materiaal om een gróót vlot te maken. Niet groot genoeg in ieder geval om de bijna 200 resterende mensen op Tromelin allemaal mee te nemen, bepaalde Castellan du Vernet. De keuze was snel gemaakt. Alle 122 nog levende witte bemanningsleden mochten op La Providence stappen. De zwarte slaven moesten achterblijven. Het was alwéér een teken dat sommige levens meer waard waren dan andere.

Keukengereedschap dat op Tromelin is opgegraven. Nantes, oktober 2015
Keukengereedschap dat op Tromelin is opgegraven. Nantes, oktober 2015.

De luitenant liet voor drie maanden voedsel achter voor de naar schatting 50 slaven van Madagascar die op Tromelin bleven. En hij beloofde: we komen jullie zo snel mogelijk redden. Daarna vertrokken de witte bemanningsleden. Met La Providence zeilden ze naar het westen en na vier dagen kwam Madagascar in zicht. Kapitein De la Fargue overleefde die reis niet. Luitenant Castellan du Vernet ging na aankomst op Madagascar terug naar Frankrijk.

En de slaven op Tromelin en hun beloofde redding? Daar dacht niemand meer aan. Ze werden opgesloten, uitgehongerd en achtergelaten, en nu ook: vergeten. Tientallen slaven bleven achter op het eiland met alleen wat proviand. Wat ze toen nog niet wisten is dat ze er ook jarenlang zouden moeten blijven en moesten overleven op die vrijwel kale zandvlakte.

Over hoe ze dat deden is weinig bekend. Scheepsschrijver De Keraudic mocht mee op La Providence, dus zijn dagboek eindigde met zijn eigen redding.

Slavenhandel aan de West-Afrikaanse kust. Schilderij door François Auguste Biard, circa 1833
Slavenhandel aan de West-Afrikaanse kust. Schilderij door François Auguste Biard, circa 1833.

Pas na ruim twee eeuwen, in 2006, nam een groep Franse archeologen het initiatief om naar Tromelin af te reizen en onderzoek te doen. Dat leverde informatie op over het leven van de achtergebleven slaven. Het eerste wat de archeologen zagen was zand, nog steeds heel veel zand. En dat bleek een groot voordeel. Want onder die zandlaag van ongeveer 40 centimeter waren allerlei voorwerpen en bouwsels in uitstekende staat bewaard gebleven, als een soort mini-Pompeï. Het tweede voordeel: in ruim 200 jaar waren maar weinig mensen op Tromelin geweest. Enkele meteorologen hadden er een weerstation gebouwd, maar de restanten van de slaven hadden ze intact gelaten. De archeologen begonnen te graven. Aan de noordkant van het eiland, hoger en meer beschut dan de zuidkant, waren bijna 250 jaar geleden huisjes gebouwd, zagen ze. Een eerste serie huisjes lag in een cirkel, maar dat moet weinig beschutting hebben geboden tegen de dagelijkse stormen. Later werden daarom nieuwe huisjes gebouwd, in een rij naast elkaar, bijna als een windkering. De archeologen vonden tijdens de vier missies die ze deden op het eiland in totaal 1664 voorwerpen, of delen van voorwerpen. Meestal ging het om ijzeren materialen van L’Utile die door de slaven waren gebruikt, of waren bewerkt of omgesmolten tot gereedschap of keukengerei. De onderzoekers zagen dat de slaven vogels, vissen en schildpadden aten. Soms werden ze gebakken, soms werd er soep van getrokken. Van de vleugels van vogels waren kleren gemaakt. Omdat Tromelin een belangrijke broedplaats voor vogels was, waren er ook volop eieren. De Keraudic had eerder al genoteerd dat ‘een matroos tijdens één maaltijd 64 eieren at, zo groot als die van een kip’.

Baby Mozes

Tientallen slaven wisten zo te overleven. Pas in 1772, dus elf jaar na de schipbreuk, stuurde de luitenant van L’Utile, Castellan du Vernet, een brief naar de Franse overheid. Waarom dat zo lang op zich liet wachten is onduidelijk. ‘We moeten terug naar het eiland om te zien of er nog enkelen van de onfortuinlijke zwarten in leven zijn die we toen helaas hebben moeten achterlaten.’ Het antwoord liet drie jaar op zich wachten. In 1775 werd een schip richting Tromelin gestuurd. Het slaagde erin om in de buurt van het eiland te komen. Twee bemanningsleden stapten op een bootje om aan land te gaan. Hun sloep sloeg stuk op het koraalrif. Eén van de twee bemanningsleden zwom terug naar het schip, de ander zwom verder, naar Tromelin. Maar de kapitein van zijn schip wilde blijkbaar geen risico nemen: hij maakte rechtsomkeert, voer weg en liet zijn bemanningslid achter op het eiland bij de slaven.

De man maakte later nog een vlot. Van het zeil van L’Utile was niets meer over, dus naaide hij vleugels van vogels aan elkaar als geïmproviseerd zeil. Hij nam zes slaven mee aan boord, ging de zee op, en daarna is er nooit meer iets van ze vernomen.

De haven van Port Louis op Mauritius, begin negentiende eeuw.
De haven van Port Louis op Mauritius, begin negentiende eeuw.

Een jaar later, in 1776, hadden de bewoners van Tromelin meer geluk. De Fransen ondernamen een nieuwe reddingspoging, er werd opnieuw een schip gestuurd, en dit keer lukte het wel. Maar voor de meesten was het toen te laat. De Fransen gingen aan land op het eiland en zagen nog maar zeven vrouwen en een baby van acht maanden oud. Van de baby, een jongetje, waren de moeder en oma nog in leven. De ruim 40 andere slaven die er vijftien jaar eerder waren achtergelaten, waren in de loop der jaren allemaal overleden. De overlevenden werden meegenomen naar Mauritius. Ze lieten alles – hun huisjes, hun oven, hun gereedschap – van het ene op het andere moment achter. En in de eeuwen erna zou dat allemaal beetje bij beetje bedekt en bewaard blijven dankzij die steeds dikker wordende zandlaag. De zeven vrouwen en de baby werden na aankomst op Mauritius ‘vrijverklaard’. Ze mochten gaan waar ze wilden. De oma, de moeder en het jongetje trokken in bij de plaatselijke Franse bestuurder. ‘Ik was getroffen door hun lot en bood ze asiel aan in mijn eigen huis. Dat hebben ze met blijdschap geaccepteerd,’ schreef bestuurder Jacques Maillart du Mesle in een brief in 1776.

Eén keer nog, in 1911, was er een vermeend bericht van één van de nazaten van de geredde slaven. Op Mauritius zou de achterkleindochter wonen van één van de vrouwen die vijftien jaar lang wisten te overleven op het onbewoonde eiland. De baby van Tromelin werd op de dag van zijn redding in opdracht van Maillart du Mesle gedoopt. De bestuurder gaf het jongetje de naam Mozes – naar de Bijbelse figuur die werd gevonden terwijl hij als baby in een rieten mandje op de Nijl dreef.

Meer weten:

  • Tromelin, l’île aux esclaves oubliés (2010) door Max Guérout en Thomas Romon.
  • Tromelin, mémoire d’un île (2019) door Max Guérout is ook online te lezen op books.openedition.org.
  • Les esclaves oubliés de Tromelin (2015) door Sylvain Savoia is een graphic novel.

Dossier slavernij

De verkoop van een slaaf
De verkoop van een slaaf
Interview

‘Vrijgekochte slaven toonden veerkracht’

In De schat van de vrijheid, het nieuwe boek van Ellen Neslo, maakt haar verre voorouder Paulina de laatste eeuw van de slavernij mee: als slavin op de plantage en als vrijgekochte vrouw in Paramaribo. ‘Ze werd geboren zonder enige rechten, maar wist haar bestaan uiteindelijk zelf vorm te geven.’ Het boek De schat van...

Lees meer
Marron door Stedman
Marron door Stedman
Nieuws

Kalender over het koloniale en slavernijverleden van Nederland uitgebracht

Antiracismebeweging Nederland Wordt Beter heeft een historische kalender over het koloniale en slavernijverleden van Nederland gelanceerd. Op vergetenbladzijden.nl staan namen van personen en gebeurtenissen uit dit deel van de geschiedenis. Bezoekers kunnen ze aanvullen. ‘Het begon als een idee voor een scheurkalender,’ vertelt Jerry Afriyie, oprichter van Nederland Wordt Beter. ‘Maar het werd veel meer...

Lees meer
‘Het Witte Huis wil deze geschiedenis wegpoetsen en doen alsof het niet gebeurd is’
‘Het Witte Huis wil deze geschiedenis wegpoetsen en doen alsof het niet gebeurd is’
Interview

‘Het Witte Huis wil deze geschiedenis wegpoetsen en doen alsof het niet gebeurd is’

Het Witte Huis eist dat een National Park de iconische slavernijfoto The Scourged Back uit zijn tentoonstelling verwijdert, meldt The Washington Post. Volgens historicus Karwan Fatah-Black is de redelijkheid verdwenen uit het Amerikaanse beleid. Trump wil dat musea afbeeldingen en informatiebordjes met betrekking tot het Amerikaanse slavernijverleden weghalen omdat ze een ‘destructieve ideologie’ zouden promoten. ‘Al bij zijn...

Lees meer
Slavernij
Slavernij
Interview

‘Leerkrachten willen het slavernijverleden wel bespreken, maar weten vaak niet hoe’

Het onderwijs moet meer aandacht besteden aan het Nederlandse slavernijverleden en de gevolgen ervan. Dat vinden veel partijen in de Tweede Kamer, van de VVD tot de SP, zo bleek vorig week in een debat. Goed idee, of is er al genoeg aandacht? En wat is de beste manier om het slavernijverleden in de klas...

Lees meer
Loginmenu afsluiten