Tussen 1972 en 2000 bezetten werknemers 177 Nederlandse bedrijven, schrijft historicus Ad Knotter in het tijdschrift BMGN/LCHR. Hoewel ze vaak steun kregen van de vakbonden, namen in de regel de werknemers zelf het voortouw. Ze stuurden de bedrijfsleiders naar huis, vergrendelden de deuren en installeerden zich met soep en stretchers. Meestal wilden de bezetters het net zolang volhouden tot de directie een aangekondigde ontslagronde of bedrijfssluiting zou terugdraaien.
Er waren in de jaren zestig al sporadisch bedrijfsbezettingen in Nederland geweest, maar het actiemiddel werd pas echt populair vanaf 1972. De aanzet werd gegeven in Glasgow, waar arbeiders van een failliete scheepswerf op eigen houtje de productie draaiende hielden en de Britse regering uiteindelijk met een reddingsplan kwam. Het voorbeeld inspireerde de Bredase afdeling van het Nederlands Katholiek Vakverbond om op te roepen tot een bezetting van de kunstvezelfabriek van ENKA, toen moederconcern AKZO in april 1972 sluiting aankondigde.
Bijna vijfhonderd medewerkers verschansten zich in de fabriek. Zij kregen steunbetuigingen van hun collega’s uit andere vestigingen. Na zes dagen en nachten konden de bezetters juichen: AKZO besloot de fabriek in Breda toch open te houden. De directie was namelijk bang dat de onrust zich als een olievlek zou uitbreiden en bovendien herstelde de markt voor kunstvezels net op tijd.
De overwinning van de ENKA-werknemers zorgde voor een golf van bezettingen van andere bedrijven, vooral in Noord-Brabant. In 58 procent van de gevallen kregen de bezetters hun zin. Althans, op de korte termijn. De de-industrialisering van de economie was onstuitbaar; ook voor ENKA Breda viel in 1982 alsnog het doek. Daarna gold de bedrijfsbezetting steeds meer als een achterhaald actiemiddel.
