Het lerarenoverschot in de jaren tachtig was een gevolg van beleid dat eind jaren veertig begon. Vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog was er een tekort aan basisbehoeften: woningen, voedsel, scholen en arbeidskrachten. Dat probleem werd versterkt door de babyboom: het aantal kinderen in Nederland nam na de oorlog explosief toe.
Het leidde tot overvolle klassen. Onderwijzers hadden hun handen vol aan klassen van 50 leerlingen of meer. Een onderwijsinspecteur beschreef in het Emmer Dagblad van 1956 de tucht en strakke touwtjes waar een onderwijzeres mee te maken had. ‘Er heerst een gespannenheid, alleen dankzij haar krachtig gestel kan zij het volhouden.’ De overheid zag zich genoodzaakt gepensioneerde docenten en getrouwde vrouwen in te vliegen om het grote lerarentekort op te vangen.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Van tekort naar overschot
In 1950 trad Jo Cals (KVP) aan als staatssecretaris, en twee jaar later als minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Hij wilde het onderwijzerstekort oplossen door het beroep aantrekkelijker te maken. Jonge mannelijke onderwijzers kregen uitstel of zelfs een vrijstelling van de dienstplicht. Ze konden aan het werk blijven als de schoolleiding dat nodig vond. De overheid was ook een stuk guller met de studiefinanciering. Studenten konden hogere beurzen en leningen zonder rente krijgen om een studie in het onderwijs te bekostigen.
Toch liepen onderwijzers in de jaren zestig financieel achter op andere hoogopgeleiden. De salarissen in het kleuter- en lager onderwijs waren volgens de vakbonden te laag. Onderhandelingen met het kabinet leverden in 1964 een akkoord op: onderwijzers konden voortaan een maximumsalaris verdienen na 22 jaar dienst, in plaats van 27 jaar. Daarnaast kregen leerkrachten er een aantal salaristreden bij; jonge onderwijzers zagen hun maandsalaris met 20 tot 40 gulden toenemen.

Theo Knippen, secretaris van de Algemene Nederlandse Onderwijzers Federatie (ANOF), maakte zich in 1968 al zorgen over dit populariseringsbeleid. In een interview met Tubantia zei hij: ‘De overheid begon een geweldige reclameactie. Van: “Kom bij het onderwijs” en “Achter elke geslaagde Nederlander staat een onderwijzer”. Het resultaat was verbluffend, aan de onderwijzersopleiding steeg het aantal studenten van twaalf- tot dertigduizend. En dat zijn meer dan genoeg studenten om het aantal lege plekken op te vullen, er dreigt nu zelfs over een paar jaar een overschot.’
Klassen werden kleiner
Dat punt werd begin jaren zeventig bereikt. Door een drastische daling in het aantal geboortes, zouden er in de toekomst veel minder leerkrachten nodig zijn om alle kinderen te onderwijzen. Om grote werkloosheid in het basisonderwijs te voorkomen, smeekten de onderwijsvakbonden de overheid om iets aan de grote klassen te doen. Door de klassen te verkleinen zouden scholen meer leraren nodig hebben.
Er werd geluisterd. Onderwijsminister Jos van Kemenade (PvdA) publiceerde in november 1974 de nota ‘Groepsgrootte in het onderwijs’. Een ambitieus plan, waarmee in acht jaar tijd de klassengrootte van 36 naar 24 leerlingen moest worden verlaagd. Duobanen in het onderwijs deden hun intrede, de leeftijd voor vervroegd pensioen werd verlaagd om jonge werkloze onderwijzers een kans te geven en scholen kregen extra geld om leerkrachten voor anderstalige kinderen aan te nemen.
‘Er moest worden bezuinigd’
Maar het leverde weinig op. In 1979 werd er een enquête gehouden onder 4500 pas afgestudeerden aan de Pedagogische Academie. Daaruit bleek dat twee derde van de respondenten geen baan kon vinden. Na een zoektocht van een jaar gold dit nog steeds voor 50 procent van de ondervraagden. Een groot deel van de afgestudeerde onderwijzers kwam in de werkloosheidswet (WW) terecht.
Bovendien waren de maatregelen niet goedkoop. De plannen kostten in de eerste drie jaar 350 miljoen, terwijl de staatsschuld opliep. Zo ging het niet langer, vond de in 1982 aantredende minister Deetman (CDA). ‘In mijn eerste week werd ik meteen hard geconfronteerd met de feiten,’ zegt hij tegen Historisch Nieuwsblad. ‘Een structureel tekort van 1,1 miljard, bovenop de miljoenen bezuinigingen die al moesten plaatsvinden. Elke week lagen er nieuwe tegenvallers op mijn bureau.’

Deetman zag weinig in de plannen van zijn voorgangers. ‘Die grote maatregelen, sorry hoor. Puur mensen aan het werk houden. Het is heel jammer als ministers denken: bezuinigen komt wel, maar nu niet.’ Deetman sloeg een andere weg in en kondigde al snel een flinke bezuiniging aan in het basisonderwijs. Hij verlaagde de lerarensalarissen en vergrootte de klassen tot 32 kinderen per klas. Op dat moment waren al 18.000 leerkrachten werkloos.
Heel onderwijsland was woedend op Deetman. Tienduizenden leraren legden van 15 tot en met 19 november 1982 het werk neer en trokken naar het Malieveld. Daar hielden ze spandoeken omhoog met teksten als ‘Deetman, je snapt er geen reet van’. Maar de minister liet zich niet vermurwen. ‘Iedereen wilde de werkloosheid in Nederland wel oplossen, maar er moest ook worden bezuinigd. Sociale zekerheid kon niet ongemoeid blijven, er moest worden ingegrepen. Het probleem zat in de mentale omslag. Men dacht in het onderwijs: bij ons wordt niet bezuinigd, not in my backyard. Ik vind dat je veel standpunten mag innemen, maar dat niet.’
Deetmans beleid liet zijn sporen na: de aanmeldingen voor de lerarenopleidingen kelderden. Het Algemeen Dagblad schreef op 8 maart 1983: ‘Door het teruglopen van het aantal leerlingen en de bezuinigingen neemt de werkgelegenheid in het onderwijs sterk af. Jongeren zien over het algemeen ook geen brood meer in een opleiding tot onderwijzer, omdat ze anders toch werkloos worden. De belangstelling voor een baan in het lager onderwijs is ingestort.’ Met salarisverhogingen en subsidies voor zij-instromers probeert de overheid die belangstelling nu weer aan te wakkeren.
