Historicus Desley de Graaf onderzocht homoseksualiteit op VOC-schepen en de strafrechtelijke vervolging daarvan. ‘De VOC maakte haar hele bestaan een probleem van de “afwijkende” seksuele identiteit van sommige van haar werklui.’
Met zijn onderzoek The Men in One Hammock won De Graaf de IHLIA Scriptieprijs, een tweejaarlijkse onderscheiding die wordt uitgereikt voor het beste queer-historische onderzoek. Hij analyseerde meer dan honderd sodomiezaken die tussen 1625 en 1787 in Batavia voor de rechtbank werden gebracht.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Seksuele ontmoetingen aan boord van VOC-schepen waren lastig: het was een drukke omgeving waarin geleefd en gewerkt werd. Mannen moesten opzoek naar privacy op een plek waar die enorm schaars was. ‘Hier waren allerlei manieren voor,’ vertelt De Graaf. ‘Zo wachtten mannen tot het donker was of zochten ze rustige plekken op, zoals de sloep. Twee mannen klommen zelfs samen in de mast van een schip, om zo aan de drukte te ontkomen. Dat laatste is me erg bijgebleven. Het laat de zoektocht naar en tegelijkertijd de onmogelijkheid van privacy zien, tot het absurde aan toe.’
Als deze pogingen tot intimiteit mislukten en de mannen gesnapt werden, kon het gebeuren dat ze voor de rechtbank moesten verschijnen. Dat gebeurde alleen als iemand hen rapporteerde. Volgens De Graaf bestond er waarschijnlijk wel enige mate van tolerantie. ‘We hebben geen zicht op de zaken die door niemand werden aangegeven.’ In de tijdspan van bijna 200 jaar die de historicus onderzocht, vond hij in Batavia slechts 112 sodomiezaken. Waar ook minder zicht op is, zijn de zaken die aan boord van schepen werden berecht. ‘Dit gebeurde wanneer de hogere officieren de zaak dermate ernstig vonden, dat hij onmiddellijk afgehandeld moest worden. Zulk soort rechtspraak op zee produceerde helaas geen rechtstukken.’
Als homoseksuele mannen toch werden aangegeven, waren er volgens De Graaf drie mogelijke uitkomsten. ‘Als ze geluk hadden, werden de schuldigen verbannen en terug naar Nederland gestuurd. In de boekhouding werd dan alleen genoteerd dat een persoon “veroordeeld” was. Zo iemand kon zonder al te veel gevolgen terugkeren in de Nederlandse maatschappij. Dat is opmerkelijk, want in Nederland werd homoseksualiteit gezien als een kwaad dat uitgeroeid diende te worden. De aangeklaagden die er slechter vanaf kwamen, werden naar een strafkamp gestuurd waar ze zelden levend uitkwamen. Of ze werden – ten derde – direct ter dood veroordeeld. In de zeventiende eeuw gebeurde dit door middel van verdrinking of verbranding. Pas in de achttiende eeuw werd ophanging gebruikelijk.’
Oudere daders werden zwaarder gestraft
Een belangrijke ontdekking van het onderzoek was de overmatige vervolging van Nederlanders, die vaker en harder gestraft werden. ‘In de vroegmoderne tijd werd homoseksualiteit vooral gekoppeld aan buitenlands zijn; het werd gezien als iets dat van buitenaf kwam. Waarom dan juist Nederlanders bij de VOC onevenredig vaak het doelwit waren van veroordeling, is iets waarover we alleen kunnen speculeren. Mijn theorie is dat er sprake was van een religieus of militair superioriteitsgevoel,’ aldus De Graaf. Zondig seksueel gedrag kon de religieuze reputatie van het koloniale programma schaden. Nederlanders mochten hier dus absoluut niet mee geassocieerd worden.
Aangezien de Raad van Justitie zelden haar uitspraken toelichtte, kan De Graaf niet concreet zeggen op basis waarvan de mannen vervolgd werden. Maar er zijn wel patronen te ontdekken. ‘Zo speelde leeftijd een rol in het strafproces: oudere veroordeelden werden vaker zwaarder gestraft. En hoge officieren kwamen juist bijna altijd weg met “zondige” seksuele uitingen.’
Ook werd er een rangschikking gemaakt in het seksueel handelen van de aangeklaagden. ‘Als er sprake was van zaadlozing, of de waarschijnlijkheid hiervan, werd de straf zwaarder. Ook werd de man die de passieve rol innam in de geslachtsgemeenschap vaker en zwaarder gestraft dan de man die de actieve rol had.’
Noodhomoseksualiteit
Er is nog weinig onderzoek gedaan naar sodomiezaken binnen de koloniale context. Door zich hier wel in te verdiepen, hoopt De Graaf nieuwe inzichten over de geschiedenis van homoseksualiteit aan het licht te brengen en aannames van historici aan de kaak te stellen. Zo gaan veel historici uit van de situationele homoseksualiteit-theorie, ofwel van noodhomoseksualiteit. Het onderzoek van De Graaf ontkracht deze veronderstelling. ‘Noodhomoseksualiteit stelt dat mannen die zich binnen een “totale institutie” bevinden homoseksuele relaties aangaan uit seksuele wanhoop. Het gaat dan om een intensieve omgeving die afgezonderd was van de buitenwereld met weinig privacy en rigide leefregels, waarin alleen mensen van hetzelfde geslacht samenleven.’
Maar de helft van de rechtszaken die De Graaf onderzocht gingen over geslachtsgemeenschap op schepen die aan wal lagen, waar de zogenoemde regels van totale institutie niet golden. Er waren bijvoorbeeld bordelen of andere mogelijkheden voor seksuele relaties met vrouwen. Volgens De Graaf is de situationele homoseksualiteit-theorie sowieso problematisch: ‘Die gaat uit van de seksuele geaardheid van historische figuren, zonder er met zekerheid iets vanaf te weten. We moeten nog meer te weten komen over de belevingswereld en de persoonlijke verhalen van deze mannen. Maar hoewel de vervolgden af en toe aan het woord komen, is daarover helaas weinig uit de bronnen op te maken.’
