Nicolaas Beets was decennialang de populairste Nederlandse literator. Zijn verhalenbundel Camera Obscura beleefde herdruk op herdruk. Maar rond 1884 zette een nieuwe generatie dichters – de Tachtigers – de aanval op hem in. Rick Honings beschrijft hoe zijn reputatie vanaf dat moment afbrokkelde en er zelfs gesproken werd van het ‘probleem-Beets’.
Het leek lang of de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw pas begon bij de vermaarde Tachtigers. Het was een mythe die deze generatie – waartoe Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos, Albert Verwey en Frederik van Eeden behoorden – zelf in het leven had geroepen. Goed, je had nog een figuur als Multatuli gehad, maar dat was een uitzondering die de regel bevestigde dat vóór pakweg 1880 de literatuur in Nederland een zaak was geweest van zalvende dominees, benepen burgermannetjes en andere ongeïnspireerde letterknechten.
Eind vorige eeuw begonnen met name Marita Mathijsen en Peter van Zonneveld tegen dit beeld te protesteren. Hun pioniersarbeid wordt tegenwoordig voortgezet door de in 1984 geboren Rick Honings, die samen met Van Zonneveld een prachtige biografie van Willem Bilderdijk schreef en nog tal van andere publicaties over de negentiende-eeuwse letterkunde op zijn naam heeft staan. En nu komt Honings met een monumentale biografie van Nicolaas Beets, de populairste literator van zijn tijd.
Beets werd in 1814 geboren in Haarlem als zoon van een apotheker. Het was de bedoeling dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden. Daarom werd hij voortijdig van de Latijnse school gehaald, maar uiteindelijk mocht hij toch in Leiden theologie studeren. Hoewel hij zijn studie op zijn 25ste afsloot met een dissertatie die het oordeel ‘summa cum laude’ kreeg, was de literatuur zijn grootste hartstocht. Al jong schreef hij gedichten en tijdens zijn studie publiceerde hij verhalen in dichtvorm die in de Middeleeuwen speelden. Hij was sterk beïnvloed door de romantische dichter Byron, wat veel tijdgenoten dubieus vonden omdat Byron gezien werd als een ‘gevaarlijke’ (lees: zedeloze) dichter. Maar na enige tijd werd Beets gegrepen door het realisme van Charles Dickens en ging hij ook proza schrijven. Dit resulteerde in 1839 in Camera Obscura, een humoristische verhalenbundel die hij publiceerde onder het pseudoniem ‘Hildebrand’.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Aanvankelijk leek het boek niet erg succesvol, maar uiteindelijk verschenen er tijdens zijn leven eenentwintig drukken van. Beets werd tot ver in de twintigste eeuw geroemd en herinnerd als de auteur van deze verhalen, waarin op liefdevolle wijze de spot werd gedreven met de Hollandse burgerij. Hoewel Beets onnoemelijk veel gepubliceerd heeft, klaagde hij weleens dat hij een ‘homo unius libri’ was, een man van één boek. Dit klopte niet helemaal, want tijdens zijn leven was hij ook populair wegens zijn preken, die jaarlijks werden gepubliceerd onder de titel Stichtelijke uren, en zijn vele dichtbundels. Die poëzie ging vaak over religieuze thema’s of voorvallen in de huiselijke kring, terwijl hij ook per strekkende meter gelegenheidsgedichten afleverde.
Nadat Beets eerst predikant in Heemstede was geweest werd hij in 1854 beroepen naar Utrecht, waar hij tien jaar later hoogleraar kerkgeschiedenis werd. Op dat laatste vakgebied presteerde hij nagenoeg niets, maar toen hij in 1884 zijn 70ste verjaardag vierde werd hij uitbundig gehuldigd als grootste dan wel meest geliefde literator van het vaderland. Ongeveer gelijktijdig opende de generatie van de Tachtigers de aanval op Beets en de andere ‘dominee-dichters’. Zo brak de 19-jarige Albert Verwey de staf over Beets, niet over de auteur van de Camera Obscura, maar over de dichter van zalvende, religieuze poëzie: ‘Met zijn gedichten in de hand wandelt hij door het hospitaal der lijdende mensheid, een ieder voorlezende wat tot zijn vrede dient.’ En volgens Verwey was dat niet de taak van de dichter, die is niet op aarde om mensen te troosten, te vermaken of te vermanen. Maar de dichter diende volgens de Tachtigers woorden te geven aan de ‘extase’ en te juichen ‘over alles wat schoon is, ene geestdrift, hoger en heiliger dan die voor enige Dortse God!’.
De revolutie van de Tachtigers was succesvol, want toen Beets in 1903 overleed werd zijn poëzie door de literatuurkritiek niet meer serieus genomen en werd vooral de auteur van de Camera Obscura herdacht. Later werd er zelfs gesproken over ‘het probleem-Beets’, namelijk de vraag hoe het mogelijk was dat iemand op zijn 25ste een geniaal boek schreef en zich daarna ‘een leven van gekroonde onbenulligheid liet welgevallen’. Aan het slot van zijn fraaie biografie, die ook schitterend geïllustreerd is, stelt Honings dat deze kritiek niet helemaal terecht is. Beets was van jongs af aan diep religieus en conservatief en kon zich een speels boek als de Camera veroorloven toen hij nog studeerde, maar daarna begon het echte leven. En dat leven in de negentiende eeuw was hard – Beets zelf verloor zijn eerste vrouw in het kraambed en ook verschillende kinderen – zodat een predikant de mensen moest troosten en steunen. En gemeten naar de maatstaven van die tijd was Beets poëzie soms verrassend goed. Naast een geweldige biografie is God, gezin en vaderland tevens een belangrijke bijdrage aan de cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis van het negentiende-eeuwse Nederland.
God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets, 1814-1903
Rick Honings
728 p. Prometheus, € 49,99

