Volgens Donald Trump maakt de ontvoering van Nicolás Maduro de weg vrij voor Amerikaanse bedrijven om massaal te investeren in het land. Precies zo begon ooit de oliewinning in Venezuela, dat de grootste bewezen oliereserves ter wereld heeft. Het Brits-Nederlandse oliebedrijf Koninklijke/Shell had in de beginjaren een dikke vinger in de pap.
De oliewinning in Venezuela begon in een context vol binnenlands geweld en buitenlandse machtspolitiek. Dictator Juan Vincente Gómez was in december 1908 aan de macht gekomen na een staatsgreep. Nederlandse oorlogsbodems hadden met Amerikaanse instemming de Venezolaanse kust geblokkeerd om regime change te forceren. Mede dankzij dat sterke staaltje ‘kanonneerbootdiplomatie’ verdween de wispelturige president Cipriano Castro van het toneel.
Dat maakte de weg ook vrij voor buitenlandse investeringen in de ontluikende Venezolaanse oliewinning. Castro wilde daar niets van weten, maar zijn vicepresident Gómez wel. Zo lang hij concessies verleende, hadden Den Haag en Washington geen problemen met het dictatoriale regime dat Gómez in navolging van zijn voorganger vestigde.
Oliewinning kost pijn en moeite
Het Amerikaanse General Asphalt mocht als eerste aan de slag, maar verslikte zich in de kosten die gemoeid waren met het geologisch onderzoek. Daarom nam Koninklijke/Shell – een fusie van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij en de Britse Shell Transport & Trading Company – de concessies in 1913 over. Een jaar later vonden boorploegen ten oosten van het Maracaibomeer interessante hoeveelheden olie. Maar de winning en het transport kostten veel pijn en moeite, door het ondoordringbare oerwoud en zijn oorspronkelijke bewoners, malaria en het feit dat olietankers het ondiepe meer niet konden bevaren.
Ondoordringbare oerwouden en malaria maakten de oliewinning moeilijk
Het echte succes liet tot medio jaren twintig op zich wachten. Na de ontdekking van de Barrosos-bron, die wel 100.000 vaten per dag leverde, groeide Venezuela snel uit tot het belangrijkste productieland voor Koninklijke/Shell. Er kwam een ware oil rush op gang, omdat talloze Amerikaanse oliebedrijven ook een graantje wilden meepikken. De mannen van Koninklijke/Shell baalden als een stekker toen Lago – een dochtermaatschappij van een van de Amerikaanse concurrenten – veel succes oogstte met onderwaterboringen ín het Maracaibomeer, want die kans hadden zij laten liggen. Maar Venezuela bood meer dan genoeg olierijkdom voor beide concerns. In 1928 werd het land de grootste olie-exporteur ter wereld.
Raffinaderijen op Aruba en Curaçao
Al die olie werd niet in Venezuela geraffineerd, maar op de Nederlandse Antillen. Koninklijke/Shell had in 1918 een grote raffinaderij geopend op Curaçao, pal naast Willemstad op het schiereiland Isla. Lago volgde zes jaar later dat voorbeeld en bouwde een raffinaderij op Aruba.
Het wankele bestuur in Venezuela speelde een belangrijke rol in het besluit om raffinaderijen op Curaçao en Aruba te bouwen. Gómez was een loyale zetbaas, maar er werd vrijwel permanent aan de stoelpoten van de dictator gezaagd. Of zoals een functionaris van een Amerikaanse oliemaatschappij het in 1928 verwoordde: ‘President Gómez heeft niet het eeuwige leven en er is altijd een risico dat een nieuwe regering, wellicht met radicalere neigingen, zal proberen om de oliewinning te nationaliseren.’
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vervulden de Isla- en Lago-raffinaderijen een cruciale rol voor de geallieerde oorlogsinspanningen. Ze groeiden uit tot de twee grootste olieraffinaderijen ter wereld en leverden met z’n tweeën misschien wel driekwart van de totale geallieerde brandstofbehoefte.
Omdat de Venezolaanse olie onmisbaar was, toonde Washington welwillendheid ten aanzien van verzoeken vanuit Caracas om te mogen delen in de olieopbrengsten. Dat was namelijk tot dan toe niet het geval. Niet alleen de olie vloeide weg uit Venezuela, maar ook de winsten die bedrijven als Koninklijke/Shell daarmee boekten. Alleen een kleine kliek rond Gómez profiteerde mee.
Na de dood van de dictator in 1935 keerde de publieke opinie in Venezuela zich tegen de ‘uitverkoop van nationale rijkdom’. Toen de concessies van Koninklijke/Shell in 1943 moesten worden verlengd, kreeg de democratisch verkozen Venezolaanse regering met Amerikaanse rugdekking voor elkaar dat de winst voortaan fiftyfifty werd gedeeld. Bovendien moest het Brits-Nederlandse concern na de Tweede Wereldoorlog een raffinaderij op Venezolaanse bodem bouwen.
Venezolaanse olie-industrie werd verwaarloosd
Toch bleef de oliewinning winstgevend. Begin jaren zeventig nam de Venezolaanse regering echter een reeks wetten aan om de olie-industrie de facto te nationaliseren. Het belastingtarief ging naar 96% en de concessies – waarvan de eerste in 1983 afliep – zouden niet meer worden verlengd, maar overgaan in handen van de Venezolaanse staat. Buitenlandse oliemaatschappijen onderhandelden met Caracas over een exit-strategie. Ze hadden twee belangrijke troefkaarten in handen: technische know how en toegang tot de wereldmarkt. Uiteindelijk nam staatsbedrijf Petróleos de Venezuela S.A. (PdVSA) vanaf 1 januari 1976 alle bezittingen over van Koninklijke/Shell en de Amerikaanse oliemaatschappijen. Die verkochten voortaan de Venezolaanse olie door en werkten samen in joint ventures bij nieuwe projecten.
Shell aast al jaren op een groot gasveld voor de kust van Venezuela
Dat ging weer decennialang goed. Maar tot Amerikaans chagrijn trok de in 1999 verkozen president Hugo Chávez als zelfverklaarde anti-imperialist de touwtjes van PdVSA strakker aan. Met uitzondering van Chevron trokken alle Amerikaanse oliemaatschappijen zich terug uit Venezuela. Sindsdien is de Venezolaanse olie-industrie verwaarloosd. Daarbij speelt ook mee dat Venezuela onder Chávez’ opvolger Nicolás Maduro een reeks westerse sancties kreeg opgelegd. Tijdens zijn eerste ambtstermijn stelde Donald Trump een verbod in op de export van olie uit Venezuela. Na de ontvoering van Maduro hoopt hij dat de Amerikaanse oliemaatschappijen de draad weer willen oppakken. Het inmiddels puur Britse Shell aast al jaren op een groot gasveld voor de kust van Venezuela.
Olieraffinaderij verkocht voor een gulden
En de raffinaderijen op Curaçao en Aruba? De Lago-raffinaderij ging in 1985 op de fles, maar de Isla-raffinaderij werd in dat jaar door Koninklijke/Shell voor één gulden overgedragen aan de Nederlandse Antillen. In ruil kreeg het olieconcern vrijwaring van alle eventuele latere claims, ook die voor milieuschade. PdVSA huurde de Isla-raffinaderij vervolgens 34 jaar, maar keerde haar in 2019 de rug toe. Na het vertrek woedde een jarenlange juridische strijd tussen Curaçao en Venezuela over achterstallige betalingen en milieuschade.

De stalen skeletten van de sterk verouderde raffinaderijen ontsieren de skylines van de vakantie-eilanden. Op Curaçao resteert ook nog een smerig asfaltmeer en onder de rook van de Isla is het slecht toeven. Aruba wil het complex ontmantelen en saneren, maar Curaçao blijft wanhopig zoeken naar een nieuwe exploitant. Misschien heeft Donald Trump interesse?
Meer weten
- The Prize – The Epic Quest for Oil, Money, and Power (2009) van Daniel Yergin is het standaardwerk over Big Oil.
- Hoog Spel – De politieke biografie van Shell (2023) door Marcel Metze focust op de rol van Koninklijke Olie/Shell.
