Joden en niet-Joden die vluchtten voor de Duitse bezetter en over de hele wereld verstrooid raakten, hebben na de Tweede Wereldoorlog weinig aandacht gekregen. Het proefschrift van Rosa de Jong brengt daarin verandering.
Enkele duizenden Joodse Nederlanders, niet-Joodse echtgenoten, verzetsmensen en Engelandvaarders vluchtten tot eind 1942 uit het bezette Nederland via Frankrijk naar Spanje en Portugal. Die landen eisten dat zij zo snel mogelijk doorreisden. Dus gingen zij aan boord van schepen met bestemmingen over de hele wereld. Historicus Rosa de Jong deed specifiek onderzoek naar vluchtelingen die terechtkwamen in Suriname, Curaçao en Jamaica.
De meeste vluchtelingen kochten zelf hun tickets, want Nederlandse diplomaten waren weinig behulpzaam. Eén keer betaalde de overheid in ballingschap de overtocht van Lissabon naar Suriname voor meer dan honderd mensen, maar die moesten wel een schuldbekentenis tekenen. ‘De regering maakte zich meer zorgen om de financiën dan om de vluchtelingen,’ zegt De Jong.
Dat gold ook voor de Nederlandse gouverneurs van Suriname en Curaçao, die probeerden onder hun verplichting om vluchtelingen op te vangen uit te komen. Ook als het eigen staatsburgers betrof. ‘Angst voor hoge kosten speelde een rol, maar ook antisemitisme en het zich toe-eigenen van macht in de “eigen” kolonie.’
Geweigerd
In november 1941 naderde de Cabo de Hornos de haven van Willemstad. Aan boord Joodse vluchtelingen uit Europa, die waren geweigerd door onder meer Brazilië en Argentinië. Ook de gouverneur van Curaçao, G.J.J. Wouters, hield de poort gesloten: opvangen zou te duur zijn. De minister van Koloniën in Londen, Charles Welter, die zelf onder internationale druk stond, drong erop aan de vluchtelingen wel toe te laten. Anders moest het schip terugkeren naar Europa en, zo telegrafeerde de minister, van de Joden die de nazi’s deporteerden kwam twee derde binnen enkele maanden om. Pas nadat Wouters van de minister garanties kreeg over de financiering, liet hij de vluchtelingen ontschepen – als ‘tijdelijke noodmaatregel’.

Na aankomst werden de vluchtelingen in kampen geïnterneerd. Op Jamaica waren de voorzieningen redelijk en werd er bijvoorbeeld koosjer eten bereid. Maar in het Surinaamse kamp sliepen vrouwen en mannen op gescheiden zalen en was er te weinig sanitair. Ook mochten de bewoners in de eerste weken niet buiten het kamp komen. Op Curaçao duurde het nog langer voordat zij werk mochten zoeken. ‘Maar de lokale bevolking was welwillend. Er werden hulpcomités opgericht en goederen ingezameld.’
Toen de vluchtelingen na de oorlog terugkeerden in Nederland, bleken ze vaak de enigen van hun families die hadden overleefd. ‘Ze beseften dat zij geluk hadden gehad. Mede daarom is er nooit veel aandacht geweest voor hun verhalen. Maar wat zij hebben ervaren – de ontberingen en onzekerheid tijdens de vlucht, de internering, de angst om de achtergeblevenen – loog er niet om.’
Beeld: Kamp Gibraltar op Jamaica, waar ook Joodse Nederlanders zaten, tijdens de oorlog.
