• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 12/2017

    Voorpublicatie De geschiedenis van de Joden – Simon Schama

    Door: Simon Schama

    Iedereen moest gelijke rechten en plichten krijgen, vonden de Franse revolutionairen. Maar gold dat ook voor de Joden? Daarover heerste grote verdeeldheid. Zelfs de Joden onderling konden het er niet over eens worden.

    Aan de vooravond van de Franse Revolutie, in 1786, verscheen De kreet van de burger tegen de Joden van Metz. De auteur bediende zich van een pseudoniem, maar was hoogstwaarschijnlijk Jean-Baptiste Aubert-Dubayet, een cavalerieofficier die in de garnizoensstad was gelegerd. In zijn vileine werkje beschreef hij hoe pelotons onschuldige jonge soldaten in de garnizoensplaats werden besprongen door horden Joden die hun dolgraag het bedrag wilden lenen dat ze nodig hadden om het stijlvolle leven te bekostigen dat van een cavalerieluitenant werd verwacht.

    Nadat ze zo het spinnenweb van de woekerpraktijken in waren gelokt, gaven ze zichzelf over aan een feest van luxueuze losbandigheid en werden ze hulpeloze slachtoffers van de meedogenloze Jood. Op die manier zou de bloem der mannelijke bevolking van Frankrijk, die aan de grenzen van de staat was gelegerd, voor zelfzuchtig gewin worden uitgebuit, en daardoor werd het koninkrijk beroofd van zijn verdediging. Maar wat gaven de Joden om de eer en het leger van Frankrijk? Het was alom bekend dat ze alleen loyaal waren aan zichzelf.

    Eerder, in 1779, publiceerde François Hell, een jurist uit de Elzas, een boek over de Joden in zijn streek. Ook hij wist hoe hij met zijn beschuldiging dat de Joden uitbuiters waren van de zwakken in de samenleving een gevoelige snaar kon raken. In zijn sentimentele verhaal figureerden eerlijke gezinnen die werden geruïneerd doordat ze door Joden werden verlokt schulden aan te gaan: de zware jongens tegen de slovende goeierds. Moeders moesten uit bedelen gaan, baby’s lagen dood in de wieg. Nu waren de Joden niet meer letterlijk moordenaars en bloedzuigers, zoals in de middeleeuwse verhalen over ontvoerde kinderen, maar indirect waren ze dat nog wel: ze maakten zich schuldig aan economisch vampirisme.

    Deze modernisering betekende niet dat François Hell de beschuldigingen van vroeger overboord had gezet, want die hadden nog steeds een plek in de judeofobie van zijn tijd. Hell herhaalde het christelijke cliché dat de Joden voor eeuwig waren veroordeeld rond te zwerven als misdadigers voor wie vergeving onmogelijk was, omdat ze de Verlosser hadden omgebracht; zij en hun nageslacht hadden daadwerkelijk bloed aan hun handen.

    Hell zou zelf een van de volkstribunen van de ware natie worden. Hij had zitting in de Assemblée des notables over belastinghervormingen van 1787 en werd verkozen in de États-Généraux, die kort daarna de Assemblée Nationale werd.
     

    =

    Het was een spannende tijd. Het lot van Frankrijk zou worden bepaald door het antwoord op de vraag wat de natie precies inhield en hoe die gereorganiseerd kon worden. In eerste instantie moest deze nieuwe ‘natie’ politiek en wettelijk worden opgebouwd. Uit het archaïsche rommeltje aan veelsoortige publieke lichamen, juridische regelingen en rechtsbevoegdheden moest een samenhangende, homogene natiestaat worden getimmerd met alle kracht die er maar nodig was om het karwei te klaren. Dus zou de traditionele autonomie van de Joodse gemeenschap, mochten ze daar halsstarrig aan vasthouden, hoe dan ook een hindernis vormen voor hun integratie in de zo recent verenigde patrie. De taal was een ander cruciaal aspect bij de vorming van een nieuw Frankrijk. In 1789 sprak een grote meerderheid van de gewone mensen die in er woonden geen Frans, maar Bretons, het Provençaalse Occitaans of een van de talloze volkstalen die van Vlaanderen tot aan de Pyreneeën werden gesproken. In dat opzicht waren de Jiddischsprekenden in het oosten van het land dus geen uitzondering, maar door de hardnekkige excentriciteit van hun taal en verschijning waren de Joden een testcase, zowel voor de beloofde homogeniteit van de revolutionaire natie als voor haar vermogen om zelfs zulke niet erg veelbelovende exemplaren van de menselijke soort te ‘hervormen’.

    De kwestie was een paar jaar eerder aangezwengeld, toen een jonge advocaat uit Metz, Pierre-Louis Lacretelle, een opdracht aanvaardde van Joden die winkels wilden openen in de steden in Lotharingen. Volgens hen was het aloude verbod op het drijven van detail- en groothandel, opgelegd door de gilden, tenietgedaan door een koninklijk edict uit 1767 waarin ‘vreemdelingen’ werden aangemoedigd rendabele ondernemingen te beginnen. Daarom waren ze alvast van start gegaan en hadden ze hun bedrijven geopend. De plaatselijke politie pakte hen streng aan, maar ze weigerden toe te geven. In plaats daarvan gingen ze naar Lacretelle en vroegen hem om voor hen te pleiten in het parlement van Nancy. Lacretelle, die publiciteit rook, nam de zaak aan.

    =

    Hij betoogde dat de Joden wel français moesten zijn, aangezien hun ondernemingen al sinds lang in het koninkrijk waren gevestigd. Daarom vielen ze binnen het kader van de wet, die was bedoeld om ‘ijver en talent’ aan te moedigen. Niemand betwistte de Joodse reputatie als het ging om vlijt, intelligentie en vindingrijkheid, maar Lacretelle was uitgekookt genoeg om te weten hoe ver hij kon gaan voordat hij op sceptische vijandigheid zou stuiten. Net als vele anderen die zich uitgaven voor vrienden van de Joden, erkende hij dat ze aan een geldverslaving leken te lijden, ongeacht hoe dat geld werd verdiend, maar hij betoogde dat dat moest worden gezien als het onvermijdelijke gevolg van hun geschiedenis van onderdrukking.

    De remedie was de opheffing van alle beperkingen die aan hun woonplaats waren gesteld, om het omgekeerde van gettovorming op gang te brengen. In plaats van bij elkaar te leven, moesten de Joden zich verspreiden over de steden en landelijke regio’s van Frankrijk. Als ze maar eenmaal in contact zouden staan met de ‘rechtschapenheid’ van de Fransen, zouden ze zelf ook rechtschapen worden.

    Maar échte Fransen? Tot op zekere hoogte, messieurs les juges. ‘Als we hen niet als landgenoten kunnen verwelkomen,’ betoogde Lacretelle, ‘laten we hen dan in elk geval als mensen verwelkomen.’ Het opvallende voorbehoud dat de advocaat van de Joden zelf maakte bleef niet onopgemerkt door de rechters van het parlement, die weinig aarzeling hadden om de zaak van de Joden af te wijzen. Lacretelle publiceerde zijn pleidooi echter in het populaire tijdschrift Causes célèbres. Hij was een beroemdheid geworden. Met de Joden kon je er altijd van op aan dat je publiciteit zou krijgen.
     

    =

    Tien jaar later leverden de inzendingen voor een prijsvraag over wat er gedaan zou kunnen worden om de Joden ‘nuttiger en gelukkiger’ te maken, uitgeschreven door de Société royale des sciences et des arts in Metz, een nieuwe lijst op van hindernissen in verband met de combinatie Jodendom en burgerschap. De meest kritische inzenders bleven maar hameren op de verstokte oneerlijkheid van de Joden en het feit dat ze woeker dreven, terwijl de vriendelijkere de Joden weliswaar beschreven als ellendig uitschot, maar wel aannamen dat dat allemaal zou veranderen met hun ‘regeneratie’, vooral als ze verplicht werden naar niet-Joodse scholen te gaan.

    Maar er waren ook mensen die dachten dat er iets wezenlijks aan het Jodendom zelf was – uiteraard niet aan het ‘pure’ Jodendom uit het Oude Testament, maar aan de Talmoedische versie die daarvoor in de plaats was gekomen – wat ervoor zorgde dat de Joden altijd vreemdelingen zouden blijven.
     

    =

    Er kwamen reacties van Joodse zijde op de beschuldigingen dat het rabbijns Jodendom asociaal en onethisch gedrag stimuleerde (om maar niet te spreken van haat jegens christenen), zoals het eloquente betoog van Israël Bernard de Valabrègue, specialist Hebreeuws bij de koninklijke bibliotheek, waarin hij geduldig trachtte de verlichte geesten van hun waanideeën te verlossen. Valabrègue wees erop dat de Talmoed oneerlijke praktijken en het drijven van woeker helemaal niet aanmoedigt, maar dat er integendeel juist heel nauwkeurig in wordt omschreven hoe men zich in zaken ethisch dient te gedragen, vooral als een van de partijen in een contract niet-Joods is.

    En hij getroostte zich veel moeite om zijn lezers te laten weten dat er binnen het Jodendom in het hiernamaals plaats was voor niet-Joden die de noachitische geboden onderschreven, de essentie van de tien geboden, zodat het juist een minder uitsluitende religie was dan het christendom, dat stelde dat de enige weg naar verlossing via Christus liep. Tegen al wie de Joden ‘deugdzaam’ wilde maken, betoogde Valabrègue dat in elke eerlijke en objectieve beschrijving van het Jodendom zou worden erkend dat het al alleszins de deugdzame religie en maatschappij was die de philosophes wilden stichten. Joodse gezinnen, hoe arm ook, waren ingetogen, loyaal, rechtschapen, menslievend en serieus. Wat kon er nog meer worden verwacht van een eerzame burger?
     
    De mogelijkheid Joden als burgers op te nemen in de gloednieuwe politieke natie werd aan het zicht onttrokken door het feit dat de Fransen zelf diep verdeeld waren over wat voor samenleving ze wilden creëren. Een grote en invloedrijke groep publicisten over economie zag het commerciële vermogen tot aanpassing van de Joden niet als een aanbeveling om goede Fransen te worden. Ze waren van mening dat ware economische waarde vooral werd vertegenwoordigd door grond, en nergens waren Joden te vinden die het land bewerkten. Anderen voerden aan dat de Joden pas ten tijde van de verwoesting van de Tempel van hun land waren gescheiden. Vóór die tijd waren er boeren geweest in Judea, en ook soldaten en ambachtslieden – stuk voor stuk eerzame beroepen. Pas door de diaspora en de christelijke onderdrukking waren ze gedwongen geweest geldschieter te worden. Sterker nog: er waren nog steeds Joden – in Ethiopië, Perzië, India en Palestina – die de kost verdienden als pottenbakker, leerbewerker, wever of goudsmid, en naar verluidt waren er in Polen en Litouwen zelfs veefokkers en herders.

    Maar in de jaren na 1780 was er heel wat fantasie voor nodig om hen te zien als landbouwers die zich bezighielden met bodemverbetering en investeerden in intensieve bemesting en zaaimachines. Als Joden met genoeg geld en de juiste contacten probeerden grond te kopen, stuitten ze op een storm van hevig verzet, omdat aan het bezit van grond rechten waren verbonden. Bijvoorbeeld het recht om priesters te benoemen.
     

    =

     
    Maar bij de verkiezingen van de États-Généraux in de winter van 1788-1789 leek alles mogelijk –, zelfs, heel misschien, de metamorfose van een langdurig onderdrukt en gedegenereerd volk tot stemmers. De vrienden van de Joden dachten dat het historische moment nabij was. In Bordeaux mochten vermogende Joden stemmen op kiesmannen, die op hun beurt afgevaardigden kozen van de derde stand van de stad. In het oosten streed de hoop om voorrang met de angst voor de tol die de gemeenschap zou moeten betalen voor haar toetreding tot de natie: het opgeven van haar autonomie. In beide gebieden hoopten de Joden dat er christelijke afgevaardigden gekozen zouden worden die hun belangen zouden vertegenwoordigen.

    Maar in het oosten vertelden de cahiers de doléances – klaagbrieven van burgers uit alle dorpen, steden en kantons – een ander verhaal: daar was het doel niet de Joden te bevrijden, maar van hen bevrijd te worden. Sommigen wilden dat er gesloten getto’s kwamen, anderen dat ze werden uitgewezen, en bijna iedereen eiste beperkingen op huwelijken en kindertal. Ook dat was de Franse Revolutie. En in februari 1789 werden de klachten, zoals al zo vaak was gebeurd, omgezet in fysiek geweld tegen de Joodse gemeenschappen. Dat maakte de noodzaak zich te verdedigen, zowel fysiek als op het politieke vlak, alleen maar dringender.

    De combinatie van hooggespannen verwachtingen en paranoïde vrees leidde tot la Grande Peur, de Grote Angst. De verwachtingen waren aangewakkerd door het bijeenkomen van de verkozen États-Généraux en de omvorming daarvan tot een Assemblée Nationale, waarin de geestelijkheid en de adel niet meer apart vergaderden, maar zich bij de afgevaardigden van de derde stand voegden om een nieuwe, soevereine wetgevende macht te vormen. Maar in het late voorjaar en de vroege zomer van 1789 verspreidden zich door heel Frankrijk geruchten over een gewapende contrarevolutie, beraamd aan het hof, onder leiding van Marie Antoinette en de broers van de koning.

    In Parijs leidde dat tot een opstand, die op 14 juli eindigde met de bestorming van de Bastille. Maar in de provincie veranderden de geruchten in complottheorieën over de adel, die zijn macht niet kwijt zou willen en daarom hele legers brigands op de been zou hebben gebracht om goede vaderlanders uit te moorden. Hoewel velen beweerden die regimenten brigands te hebben gezien, waren ze geheel ontsproten aan de fantasie van de massa.

    Men dacht dat deze schimmen ’s nachts reden, samen met allerlei andere reactionaire krachten, onder wie in het oosten van Frankrijk uiteraard ook de Joden. Terwijl ze toch bezig waren met het verbranden van de juridische archieven van de heerlijkheden, gooiden gewapende bendes ook de registers van schulden aan de Joden in de vlammen. De toortsen die werden gebruikt om chateaus in lichterlaaie te zetten, werden ook naar de Joodse regio’s van de Sundgouw en Lotharingen gebracht. Huizen en synagogen werden geplunderd. De terreur was zo wijdverbreid dat circa duizend Joden uit de getroffen gebieden over de grens naar Basel vluchtten.
     

    =

     
    Tijdens al dit tumult sloofden de leiders van de Joodse gemeenschap zich uit om te laten zien dat ze goede vaderlanders waren, trouw aan hun patrie. Velen meldden zich aan om vrijwillig dienst te nemen in de burgermilitie – de Garde Nationale – die in Parijs en daarbuiten, in stad na stad en dorp na dorp, was uitgegroeid tot de gewapende beschermer en uitvoerder van het nieuwe regime. Maar omdat de status van de Joden nog onbeslist was, en ook omdat de achterdocht jegens ‘de natie binnen de natie’ diep zat, vooral jegens hen die een andere taal spraken, schrokken de meeste, zo niet alle compagnieën van de Garde nationale ervoor terug om Joden in hun gelederen op te nemen.

    Wie geen dienst mocht nemen in de Garde, compenseerde dat door dons patriotiques te doen, donaties voor het vaderland, en die waren hard nodig als Frankrijk de Revolutie gewapenderhand zou moeten verdedigen tegen vijanden in binnen- en buitenland. Er werden wagens vol kostbare schoengespen van de Joden afgeleverd bij de plaatselijke kasbewaarders, en de Joden werden geprezen om hun vaderlandslievendheid.

    Gedragen door het snelstromende tij van de retoriek in de Assemblée Nationale, wedijverden de afgevaardigden met elkaar om hun toewijding aan de pas ontdekte eenheid van de patrie in bloemrijke taal uit te drukken. Protestanten werden demonstratief omhelsd door katholieke priesters (door sommige althans), onbaatzuchtige voormalige aristocraten vierden met veel vertoon het einde van hun seigneuriale rechten. Spreek me voortaan alstublieft gewoon aan als citoyen! En naarmate augustus vorderde, bleef de Assemblée discussiëren over het traktaat dat niet alleen kenmerkend zou zijn voor het nieuwe Frankrijk, maar ook voor de nieuwe tijd, voor de herboren mensheid, door de wil van het volk bevrijd van de ketenen van de overgeleverde, onrechtvaardige traditie.

    Er was een ‘Verklaring van de rechten van de mens en de burger’ in de maak. Boniface Louis André de Castellane (een van de voormalige edellieden) had ronduit gezegd: ‘Niemand mag worden lastiggevallen vanwege zijn religieuze overtuigingen.’ Bravo. Dus geen vernederende, discriminerende belastingen meer, geen verboden beroepen, geen steden waar ze niet mochten wonen? Maar in Bayonne, Peyrehorade en Avignon, in Saint-Jean-de-Luz, Carpentras en Cavaillon, Sarrelouis, Bischheim, Wolfsheim, Nancy en Metz vroegen Joden met verschillende opvattingen, talen, gebruiken en manieren van Adon Olam zich nog steeds af wat het precies zou betekenen om burger te zijn. Zou er dan een nieuwe wereld aanbreken, en konden ze in die wereld nog wel Joods zijn?
     

    =

     
    Er werden vertegenwoordigers naar Versailles gestuurd, waar de Assemblée Nationale nog steeds bijeen was. Op 26 augustus, de laatste dag van het debat, formuleerde een afvaardiging van de ruim vijfhonderd Joden die in Parijs woonden met openhartige helderheid precies wat ze verwachtten en hoopten: ‘Wij willen onder dezelfde wetten vallen als alle Fransen, onder dezelfde politie en dezelfde rechtbanken, en daarom doen we in het belang van het algemeen en van onszelf, en in dienst van het openbaar belang, afstand van de rechten die we altijd hebben gehad om onze eigen leiders te kiezen.’ Het was een ogenblik van adembenemend optimisme en grote moed. De Joden van Parijs verklaarden dat ze bereid waren alle vertrouwde bescherming en beperking van hun oude zelfbestuur achter zich te laten voor de nieuwe abstracte wereld van het staatsburgerschap.
     

    =

    De Joodse gemeenschap reageerde verdeeld. Een deel van de Asjkenazim – de Joden uit Oost-Europa – wilde toch ook hun eigen privileges behouden. De leiders van de Sefardim – de Joden die oorspronkelijk uit Spanje en Portugal kwamen – waren geschokt, en vreesden dat het conservatisme van de Asjkenazim hun eigen vooruitzichten op gelijkwaardig burgerschap zou schaden. De Joden marcheerden niet arm in arm op naar het licht van de vrijheid; zoals gewoonlijk werkten ze met hun ellebogen, intussen verontwaardigd naar elkaar schreeuwend en priemend met hun vingers.

    Hun zelfbenoemde weldoeners in de Assemblée Nationale stelden zich kalm en verheven boven het twistzieke misbaar op. Voor hen draaide het meer om het principe dan om de mensen. Hoe gemengd de gevoelens van de Joden over deze kwestie ook waren, hun mogelijke burgerschap was de lakmoesproef voor het idee van democratische insluiting en afschaffing van het oude, slechte onderscheid op grond van religie waarop de Revolutie stoelde. De Revolutie, hielden de revolutionairen zichzelf steeds weer voor, was een exercitie in régénération, het afschudden van overgeleverde tradities en conventies alsof het een dode huid was. Voortaan kon niets meer legitiem worden genoemd enkel en alleen omdat het ‘altijd zo was geweest’.

    Het concept dat iets ‘altijd zo was geweest’ was een gevangenis. De muren daarvan waren tegelijk met die van de Bastille omvergehaald. En wie moest er dringender en met meer recht uit die gevangenis van gewoonte en vooroordeel worden bevrijd dan de Joden? Ze waren het permanente slachtoffer geweest van christelijk bijgeloof, voorbestemd om voor eeuwig te worden gestraft voor hun misdaad, om achtervolgd en thuisloos rond te zwerven, afgesneden van de rest van de mensheid door de wrede bullen van pausen en edicten van tirannen.

    Als er ooit een moment was geweest om die vooroordelen uit te wissen, om de Joden te herenigen met de familie der mensheid, dan was het nu. De vrienden van de Joden waren zich ervan bewust dat de afgevaardigden uit de oostelijke provincies zeer afkerig tegenover emancipatie stonden en dat ze er in augustus in waren geslaagd de kwestie of de Joden onder de rechten van de mens vielen op te schorten – naar ze hoopten voor de eeuwigheid. Alleen was het geen puur theoretische kwestie meer. Joodse huizen werden geplunderd, en mannen en vrouwen op straat aangevallen. Er moesten onmiddellijk maatregelen worden genomen om de Joden de bescherming van de nieuwe regering te bieden.
     

    =

     
    In de laatste week van december lukte het de groep van sympathisanten om de kwestie van de Joden in de Assemblée Nationale aan de orde te stellen. En zelfs toen kwam de motie nog door de achterdeur binnen. Het verzoek om gelijke rechten en plichten voor de Joden was samengebundeld met de verzoekschriften van diverse andere groeperingen die vanwege de sociaal en moreel twijfelachtige aard van hun beroep ongeschikt werden geacht voor civiele en militaire overheidsfuncties. Op 21 december 1789 sloten de Joden dan ook aan in de rij van eisers, achter de acteurs en de beulen.

    Stanislas de Clermont-Tonnerre diende een motie in ter afschaffing van alle beperkende maatregelen die ‘niet-katholieken’ verhinderden om hun volledige burgerrechten uit te oefenen, waaronder het stemrecht en het recht een overheidsfunctie te kunnen bekleden. Hij beriep zich op de canon van de Verlichting – Milton, Spinoza, Locke, Voltaire – en wat die over het geweten te zeggen had, en hij bracht het morele geboortebewijs van het nieuwe Europa helderder onder woorden dan iemand eerder ooit had gedaan.

    Eeuwenlang was het christendom ontsierd door vervolgingen in naam van een geloofsleer. Katholieken en protestanten hadden elkaar afgeslacht in barbaarse pogingen elkaar hun gezindte op te leggen. En erger nog: christenen hadden Joden generatie na generatie gekweld, vernederd en veroordeeld tot eeuwigdurende straf voor de zonde van de kruisiging. In het ochtendgloren van vrijheid en menselijkheid zou daar nu een einde aan komen. De machtige hand van de staat zou zich voortaan onthouden van bemoeienis met de zielenroerselen van zijn onderdanen. Hij stelde voor niemand te vervolgen voor zijn godsdienstige overtuiging en het geweten vrij te laten.
     
    Zijn motie werd in stemming gebracht en afgewezen, maar met een zeer kleine meerderheid: 408 tegen 403 stemmen. Niettemin waren de Joden zeer uit het veld geslagen, en de teleurstelling bracht niet het beste in hen naar boven. De leiders van de Sefardische gemeenschap geloofden dat het de dubbelhartigheid van de Asjkenazim over de autonomie van de gemeenschap was geweest die hun een gunstige uitslag had gekost. Zij waren volledig bereid om hun oude gemeenschapsstatus in te ruilen voor een volwaardig burgerschap, maar werden benadeeld door de vasthoudendheid waarmee de Asjkenazim zich aan het oude bestel vastklampten. Na een laatste poging één front te vormen gingen de beide groepen voortaan hun eigen gang.

    De kwestie werd nogmaals besproken in de Assemblée. Op 28 januari 1790 werd bij stemming besloten dat de Sefardim uit Bordeaux en andere plaatsen in het zuidwesten en het zuidoosten volwaardige burgers zouden worden, en dat de zaak van de Asjkenazim terug werd verwezen naar de commissie. De lange campagne van de Sefardim om te worden erkend als Joodse burgers was geslaagd, maar dat hadden ze bereikt door hun broeders, de Asjkenazim, los te koppelen van de trein der vooruitgang. Daarmee versterkten ze alle stereotypen over nieuwe Joden en oude Joden, goede Joden en minder goede Joden, Joden die het vaderland steunden en Joden die alleen partij kozen voor elkaar. De Sefardim hadden een overwinning met een wrange bijsmaak behaald.

    Dit artikel is gebaseerd op een hoofdstuk uit De geschiedenis van de Joden Deel 2: Erbij horen, 1492 tot 1900 van de Britse historicus Simon Schama (880 p. Atlas Contact, € 49,99). In 2013 verscheen Deel 1: De woorden vinden, 1000 v.C.–1492 (448 p., € 34,95). Met deze boeken wil Schama de Joodse geschiedenis in de volle breedte laten zien, zo vertelde hij in een interview met Historisch Nieuwsblad in 2014. ‘Het beeld wordt altijd gedomineerd door de Holocaust en het Israëlisch-Palestijnse conflict. Het is lastig voor niet-Joden om erover te schrijven, er is altijd sprake van een zekere nervositeit. Ik wilde de geschiedenis van de Joden laten zien, maar niet bezwaard door de rook van de crematoria. Mijn boeken gaan ook over de rijkdom van hun cultuur.’