Home ‘Voor ons kan niks, voor hen alles’

‘Voor ons kan niks, voor hen alles’

  • Gepubliceerd op: 3 juli 2012
  • Laatste update 23 okt 2023
  • Auteur:
    Maurice Blessing
  • 15 minuten leestijd
‘Voor ons kan niks, voor hen alles’

De massale naoorlogse arbeidsmigratie had ingrijpende gevolgen voor met name de Nederlandse autochtone arbeider. Toch is de laatste nooit bij het migratiebeleid betrokken geweest, ook niet indirect via zijn ‘natuurlijke’ belangenbehartiger: de vakbond. Migratiebeleid was vooral een zaak van onderhandelende ambtenaren en lobbyisten.

De geschiedenis van de naoorlogse arbeidsmigratie in Nederland laat zich het best omschrijven als een kroniek van de aangekondigde onvrede.

Nederland is in de zomer van 1945 koud bevrijd of de directies van de Limburgse mijnen kondigen aan buitenlandse arbeidskrachten te willen gaan werven. Vóór de oorlog was immers al één op de drie ‘Limburgse’ mijnwerkers uit het buitenland afkomstig – voornamelijk uit Duitsland, Polen, Joegoslavië en Italië. En omdat de komende jaren, vanwege de voorgenomen Wederopbouw, de vraag naar kolengestookte energie waarschijnlijk groter zal zijn dan ooit en ook de vraag naar Nederlandse arbeidskrachten naar verwachting flink zal toenemen, lijkt het de mijndirecteuren niet meer dan logisch als vanouds buitenlandse arbeiders te gaan rekruteren.

De Algemene Mijnwerkersbond reageert als door een wesp gestoken. In het septembernummer van bondsperiodiek Ons Orgaan verkondigt de redactie dat Nederlandse kompels in het verleden slechts hinder hebben ondervonden van hun buitenlandse collega’s. ‘Zij zijn het geweest die hier het jaagsysteem in de hand hebben gewerkt door hun ploeteren wat ze deden, door hun overwerk en Zondagsdiensten, want zij waren het die hier kwamen en niets bezaten. Zij waren het die de goede posten of de betere baantjes innamen en zodoende nog meer in de gelegenheid kwamen onze mensen te jagen. Ja, zij waren het ook die op de noodlottige 10e Mei 1940 ons land mee verraden hebben.’

Het is achteraf gemakkelijk deze passage uit het ledenblad van de Algemene Mijnwerkersbond af te serveren als niet meer dan een abjecte uiting van vreemdelingenhaat. Zo kapittelen de auteurs van een recent overzicht van de Nederlandse migratiegeschiedenis Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie (zie kader) de redactie van Ons Orgaan vanwege haar ‘“eigen volk eerst”-achtige houding’.

‘Zij waren het die de goede posten of de betere baantjes innamen’

Enige xenofobie lijkt de auteur van het stuk inderdaad niet vreemd te zijn. Maar dat wil niet zeggen dat de mijnwerkers geen gegronde redenen hadden om, anno 1945, de aangekondigde buitenlandse wervingsactiviteiten van de mijndirecties met wantrouwen te bejegenen.

Na het uitbreken van de zware economische crisis van de jaren dertig (een periode die men zich vlak na de oorlog nog goed moet hebben herinnerd, al was het maar omdat de toenmalige economische situatie er op het oog zoveel overeenkomsten mee vertoonde) waren Nederlandse werkgevers aanvankelijk doodgemoedereerd doorgegaan met het aannemen van jonge buitenlandse arbeidskrachten.

Deze waren over het algemeen meegaander waar het onbetaald overwerk betrof, en bereid voor een lager weekloon te werken dan lokale werknemers. Die hadden immers meestal een familie te onderhouden – niet zelden inclusief AOW-loze (schoon)ouders. De centrale overheid moest eraan te pas komen om deze import van goedkope en kneedbare buitenlandse arbeidskrachten in tijden van nationale massawerkloosheid een halt toe te roepen. De vakbonden hadden daarin een belangrijke, alarmerende rol gespeeld.

Dat er bij de aanvankelijk felle afkeuring van de buitenlandse wervingsplannen door de Mijnwerkersbond meer speelde dan vreemdelingenhaat, blijkt ook uit de opmerkelijke draai die de Mijnwerkersbond maakte toen eind jaren veertig de verwachtingen van de mijndirecties bewaarheid werden. De krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt werd zo groot dat de mijnen de almaar groeiende vraag naar steenkool nauwelijks nog konden bijbenen. De Bond verzette zich op dat moment niet langer tegen het aantrekken van buitenlandse arbeiders, mits ze hetzelfde betaald kregen als autochtone kompels en slechts voor een strikt gelimiteerde periode werden aangesteld.

Twee immigranten in een Twentse spinnerij, 1969.
Twee immigranten in een Twentse spinnerij, 1969.

Niet dat de opstelling van de Bond overigens veel uitmaakte. Het naoorlogse immigratiebeleid kwam namelijk niet tot stand door middel van onderhandelingen tussen de sociale partners. Het waren uitsluitend de ambtenaren van de betrokken ministeries – met name Justitie en Sociale Zaken – die, achter gesloten deuren en op basis van een beproefd proces van interministerieel geven en nemen, het nationale vreemdelingenbeleid in elkaar polderden. Het is wat dat betreft veelzeggend dat Nederlandse overheidsinstanties tot 1967 uitsluitend per geheime circulaire over het te voeren vreemdelingenbeleid communiceerden.

Terwijl de ambtenaren van Justitie Nederland vanouds het liefst volledig ‘schoon’ willen houden, maken die van Sociale Zaken zich al kort na de oorlog sterk voor beperkte arbeidsmigratie. In 1949 trekt Sociale Zaken, met dank aan de mijnbouwlobby, aan het langste eind. In dat jaar sluit Nederland zijn eerste officiële wervingsverdrag met Italië.

De overeenkomst is toegespitst op de behoeften van de Limburgse steenkolenindustrie, en de eisen zijn buitengewoon streng – veel strenger dan in de buurlanden Duitsland en België. Italianen die in de Limburgse mijnen willen werken moeten tussen de negentien en dertig jaar oud zijn, fysiek in orde en vrijgezel, ze moeten kunnen lezen en schrijven, én ze mogen geen communistische sympathieën koesteren of een strafblad hebben – met die laatste twee voorwaarden wordt Justitie nog enigszins tegemoet gekomen.

De paar dozijn uitverkoren Italiaanse mijnwerkers in spe worden gehuisvest in voormalige dwangarbeiderkampen in Zuid-Limburg. Als de eerste lichamelijk en ideologisch onbevlekte Italiaanse arbeidsmigranten in het Limburgse heuvelland arriveren, reikhalzend uitkijkend naar het land van melk, honing en verregaande seksemenging dat hun in de officiële wervingsbrochures was voorgespiegeld, zit het prikkeldraad rond de omheiningen nog stevig op zijn plek.

Nederlandse politici en topambtenaren zullen vanaf dat moment tot vervelens toe blijven herhalen dat Nederland absolúút geen immigratieland is en dat ook nóóit is geweest, en dat gastarbeid slechts een zeer tijdelijk verschijnsel is, uit de meest nijpende doch niettemin vliedende noden der natie geboren en onveranderlijk aan de allerstrengste doch rechtvaardige voorwaarden verbonden.

Maar alle flinke woorden kunnen niet verhelen dat de aanvankelijk zo strenge voorwaarden voor arbeidsmigratie gestaag maar zeker worden afgezwakt en bijgesteld.

Eind jaren vijftig slaagt een bonte coalitie van Twentse textielbaronnen, Rotterdamse scheepsbouwers en Noord-Hollandse metaalindustriëlen erin Sociale Zaken te overtuigen van het nut om nog eens 2600 arbeidsvergunningen aan Italiaanse arbeidsmigranten te verstrekken. Het argument luidt dat de industrialiseringsplannen van de regering groot gevaar lopen als het immigratiebeleid niet snel wordt versoepeld.

in de zomer van 1976 reizen 300.000 Turken naar hun vaderland; op vakantie of om er weer te gaan wonen.
in de zomer van 1976 reizen 300.000 Turken naar hun vaderland; op vakantie of om er weer te gaan wonen.

Voor alternatieven als het verhogen van de productie per werknemer door diepte-investeringen zou op dat moment onvoldoende kapitaal beschikbaar zijn. Een ander voor de hand liggend alternatief, het stimuleren van Nederlandse vrouwen om zich in groteren getale op de arbeidsmarkt te begeven, lijkt bij geen van de betrokkenen te zijn opgekomen. Mogelijk jaagt de vestiging van buitenlandse arbeiders in een land met een nog altijd hoogst alarmerende woningnood de Nederlandse regeringen – waarin de confessionele partijen traditiegetrouw het belangrijkste machtblok vormden – minder schrik aan dan het ronduit afschuwelijke toekomstvisioen van aan het arbeidsproces wennende Nederlandse jongedames.

Indirect worden de vakbonden nu wel bij de plannen betrokken. Ze krijgen de mondelinge toezegging dat de nieuwe lichting Italiaanse arbeiders slechts twee jaar in Nederland mag werken, voor exact hetzelfde loon als de arbeiders in vaste dienst. Maar de toezeggingen blijken in de praktijk weinig waard. De gestelde maximumtermijn wordt door de werkgevers continu opgerekt, met het argument dat het een dwaze vorm van kapitaalvernietiging is om werknemers telkens te vervangen zodra ze zijn ingewerkt.

En hoewel de arbeidsmigranten inderdaad hetzelfde loon krijgen uitbetaald als hun Nederlandse collega’s, roepen de extraatjes die ze daarbovenop ontvangen (zoals een toelage voor voeding en huisvesting in de – overigens vaak spartaanse – pensions en kosthuizen, de bijdragen aan speciaal voor de buitenlanders georganiseerde ‘recreatieve activiteiten’, de extra vakantiedagen en het extra vakantiegeld voor het jaarlijkse bezoek aan de familie in Italië) onvermijdelijk afgunst op.

Uit deze periode zijn dan ook de eerste ontevreden geluiden vanaf de werkvloer overgeleverd over de veronderstelde bevoordeling van buitenlandse werknemers. Zo herinnert Herman Bode, voormalig arbeider in de Hengelose fabrieken van Stork en Hazemeyer en later vicevoorzitter van vakcentrale FNV, zich begin jaren negentig dat de komst van de eerste buitenlandse metaalarbeiders in Nederland al tot opgetrokken wenkbrauwen leidde bij hun autochtone collega’s. Enkele jaren eerder waren er in die sector immers nog gedwongen ontslagen gevallen. Bovendien konden ‘vaste’ arbeiders toen nog in principe binnen twee weken de laan uit worden gestuurd. De tijdelijke contracten voor gastarbeiders sloten zo’n korte opzegtermijn uit.

‘Voor buitenlandse arbeiders werden allerlei dingen gefinancierd die aan de neus van Nederlandse werknemers voorbijgingen,’ aldus Bode. ‘“Voor ons kan niks,” zeiden Nederlandse arbeiders, ‘“en voor hen kan alles.”’ Dat de vakbonden de extraatjes voor buitenlandse arbeiders in het openbaar bleven verdedigen, ondanks de overduidelijke weerstand die daar onder de eigen achterban tegen heerste, verklaart hij als volgt: ‘We zaten toen nog in de sfeer van: samen verantwoordelijk voor Nederland. Een economie met blijvende werkgelegenheid op gang houden, dat was ons doel.’

‘Voor buitenlandse arbeiders werden allerlei dingen gefinancierd die aan de neus van Nederlandse werknemers voorbijgingen’

De werkelijkheid ligt echter een stukje ingewikkelder – deskundigen spreken in dit opzicht wel van ‘het vakbondsdilemma’. Dat komt in het kort op het volgende neer. Enerzijds weten vakbondsbestuurders donders goed dat arbeidsmigratie op de korte termijn negatief uitpakt voor hun onderhandelingspositie bij de werkgevers, met name waar dit de belangenbehartiging betreft van die leden die voor een relatief lage beloning fysiek zwaar en ongezond handwerk verrichten. Deze veelal on- of laaggeschoolde werknemers kunnen immers het gemakkelijkst en goedkoopst worden vervangen door buitenlandse arbeidskrachten.

Aan de andere kant zijn vakbondsbestuurders zich altijd bewust geweest van het feit dat arbeidsmigratie door de bank genomen een positieve invloed uitoefent op de winstcijfers van het bedrijfsleven. Dit betekent dat er dankzij de instroom van goedkope arbeidskrachten ook wat valt te halen – een situatie die zich in het Nederland van de jaren zestig en begin jaren zeventig ook daadwerkelijk heeft voorgedaan.

Dit besef dat arbeidsmigratie zowel negatief als positief kan uitpakken voor de positie van de vakbeweging leidde ertoe dat bestuurders zich het liefst op de vlakte hielden waar dit het onderwerp immigratie betrof. Dat de achterban duidelijk kritischer oordeelde over het fenomeen ‘gastarbeider’ dan het leidende kader, was een reden te meer om dit gevoelige onderwerp zowel intern als in het openbaar zo veel mogelijk te negeren.

Slechts zeer incidenteel traden de bonden met een standpunt over immigratie naar buiten. Zo uitten zij in 1965, in een brief aan KVP-premier Cals, hun zorgen over de groeiende toestroom van ‘spontane’ arbeidsmigranten. Hiermee werden de arbeidsmigranten bedoeld die volledig op eigen houtje naar Nederland afreisden, zonder van de officiële wervingskanalen gebruik te maken. Werkgevers vonden dat een welkome ontwikkeling, omdat het aanzienlijk goedkoper en effectiever was een buitenlandse arbeidskracht ‘aan de poort’ te rekruteren dan het hele bureaucratische proces van officiële werving in de herkomstlanden te doorlopen.

Slechts zeer incidenteel traden de bonden met een standpunt over immigratie naar buiten

De regering-Cals liet niets van zich horen. Voor de zekerheid stuurden de Nederlandse werkgevers, in de vorm van de Raad van Nederlandse Werkgeversbonden, toch nog maar een eigen brief, waarin zij wezen op het ‘levensbelang’ van de buitenlandse werknemers voor de Nederlandse economie. Hun spontane komst naar de Lage Landen moest volgens de Raad worden opgevat als compliment voor de krachtige wijze waarop de Nederlandse industrie zich ontwikkelde. Bovendien, zo waarschuwden de werkgevers, zou de Nederlandse regering zich in de eigen voet schieten wanneer zij zichzelf binnen de EEG in een uitzonderingspositie zou plaatsen door als enige lid het interne vrije verkeer van arbeidskrachten te belemmeren.

Met dat laatste argument gingen de werkgevers welwillend voorbij aan het feit dat de meeste arbeidsmigranten helemaal niet uit de EEG afkomstig waren. Dat gold niet alleen voor de ‘spontanen’, maar ook in toenemende mate voor de officieel geworven gastarbeiders. Het nieuwe, relatief liberale wervingsverdrag dat in 1960 op aandringen van diezelfde werkgevers met EEG-lid Italië was gesloten, vormde namelijk de blauwdruk voor latere overeenkomsten met niet-EEG-landen als Spanje (1961), Turkije (1964), Marokko (1969) en Joegoslavië (1970).

In datzelfde jaar 1960 werd bovendien een modelarbeidsovereenkomst voor gastarbeiders opgesteld waarin de mogelijkheid tot oneindige verlenging van tijdelijke arbeidscontracten werd opengelaten. Daarbovenop werden de regels voor gezinshereniging, op initiatief van de confessionele en liberale partijen, geleidelijk aan opgerekt. Zo konden Turkse gastarbeiders vanaf 1966, en vanaf 1970 ook de Marokkaanse, na één jaar hun gezin laten overkomen.

Demonstratie van de FNV en andere organisaties tegen beperking van gezinshereniging. Amsterdam, 1 december 1980.

Overigens keerden de meeste arbeidsmigranten die begin jaren zestig naar Nederland kwamen inderdaad, zoals werkgeversorganisaties niet moe werden te benadrukken, op termijn terug naar hun geboorteland. Deze trend sloeg echter om op het moment dat het Nederlandse vreemdelingenbeleid, mede als reactie op de economische dip van 1966-’67, inderdaad werd aangescherpt. Toen het voor niet-EEG-ingezetenen moeilijker werd op eigen gelegenheid een werk- en verblijfsvergunning te bemachtigen, bleken steeds meer arbeidsmigranten – met name de niet-Europese – zich blijvend in Nederland te vestigen.

Dat klinkt misschien niet logisch, maar dat was het wel degelijk. Juist omdat migranten van buiten Europa er niet langer op vertrouwden dat ze na een vertrek uit Nederland gewoon mochten terugkeren wanneer ze daar behoefte aan hadden, bleven ze zitten waar ze zaten. Met als gevolg dat het aanbod van buitenlandse arbeiders vanaf dat moment los kwam te staan van de vraag op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Sterker nog: toen de Nederlandse economie na 1973 in een langdurige recessie terechtkwam en de werkloosheid ook onder gastarbeiders sterk opliep, nam de immigratie van met name Turken en Marokkanen een grote vlucht. Zo was alleen al het aantal Turkse immigranten in 1977 even groot als het totaalaantal immigranten in 1965 (rond de 42.000).

De afgelopen jaren is het bon ton geweest deze opmerkelijke immigratiegroeistuip toe te schrijven aan ‘links’ beleid, en dan met name dan aan het kabinet van PvdA-premier Den Uyl (1973-1977). Daar valt nogal wat op af te dingen. Inderdaad zwengelde dit kabinet de immigratie aan, maar volkomen ongewild en op een geheel andere wijze dan critici van ‘de linkse kerk’ het nu doen voorkomen.

Het was immers juist het kabinet-Den Uyl dat in 1973 aankondigde dat definitief paal en perk moest worden gesteld aan de arbeidsmigratie. En binnen deze centrum-linkse regering was het de PvdA die zich het meest kritisch uitliet over het verschijnsel gastarbeid. De PvdA wees ook op de zorgwekkende situatie in de oude volkswijken en de verzwakte positie van de Nederlandse arbeider op de arbeidsmarkt. De confessionele en liberale partijen bleven daarentegen het belang van de ‘internationale arbeidsforens’ benadrukken. Zo verkondigden ze luidkeels hun verontwaardiging over de ‘oprotpremie’ van 500 gulden die het kabinet terugkerende gastarbeiders in het vooruitzicht wilde stellen.

De ‘oprotpremie’ kwam er niet. Maar de buitenlandse werving werd in 1974 drastisch teruggeschroefd. De tijdelijke verblijfsvergunning van arbeidsmigranten van buiten de EEG kon niet meer oneindig worden verlengd. Het moet in deze jaren van economische stagnatie en steeds strenger wordende immigratieregels tot veel Marokkaanse en Turkse migranten zijn doorgedrongen dat ze mogelijk nooit meer naar hun geboorteland zouden terugkeren. Want zeker wanneer ze werkloos raakten en in de WAO terechtkwamen – die door werkgevers veelvuldig als goedkope afvloeiingsregeling werd gebruikt – was terugkeer niet langer een optie: in het land van herkomst hadden ze immers geen financiële rechten opgebouwd.

Massaal werden daarom in de recessiejaren zeventig en tijdens de al even troosteloze jaren tachtig echtgenotes en kinderen van arbeidsmigranten naar Nederland gehaald. Dat gebeurde op basis van dezelfde regels voor gezinshereniging die confessionele en liberale politici gedurende de jaren zestig op ideologische en pragmatische gronden hadden opgerekt. De nieuwe migrantengezinnen kwamen terecht in oude, deels verkrotte arbeiderswijken, waaruit een groot deel van de oorspronkelijke bevolking op hetzelfde moment vertrok naar nieuwbouwwijken in ‘groeikernen’ als Purmerend, Almere en Spijkenisse.

Het was de vakorganisatie FNV die begin jaren tachtig het allereerste serieuze onderzoek initieerde naar de beeldvorming over arbeidsmigranten onder de vakbondsleden. Geen enkele vakbond zal dit experiment ooit herhalen. Er bleek niet zoveel te zijn veranderd sinds september 1945. Of het moest zijn dat de afkeer van autochtone vakbondsleden zich nu vooral richtte op ‘moslims’ en hun veronderstelde aanpassingsproblemen en achterlijke religie.

FNV initieerde begin jaren tachtig het allereerste serieuze onderzoek naar de beeldvorming over arbeidsmigranten

De uitkomst van het FNV-onderzoek leidde niet tot een nationaal debat. Zoals het hele Nederlandse migratiebeleid tot eind jaren negentig nooit onderwerp is geweest van enige maatschappelijke discussie, maar vooral het product was van ambtenaren, lobbygroepen en apathische – want in een pijnlijke spagaat verkerende – vakbonden.

Dat maakt het Nederlandse naoorlogse immigratiebeleid niet automatisch een slecht immigratiebeleid. Maar het is wel een beleid dat werd gekenmerkt door een volledig gebrek aan inspraak van (of zelfs maar zijdelingse ruggespraak met) die Nederlanders die hun leven zonder enige twijfel het meest hebben zien veranderen ten gevolge van de naoorlogse arbeidsmigratie: de autochtone (voormalige) arbeiders en hun gezinnen.

Meer weten

  • Een handzaam overzicht van de Nederlandse migratiegeschiedenis vormt het in de tekst genoemde Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie van Leo en Jan Lucassen (2011).
  • Diepgravender en minder polemisch van opzet is Een gouden armband. Een geschiedenis van mediterrane immigranten in Nederland (1945-1994) van de journalist Will Tinnemans (1994). Dit is met recht een klassieker in het genre. De auteur lijkt zich als een van de weinige migratiehistorici te realiseren dat een geschiedenis van de immigratie in Nederland niet alleen het verhaal van de immigrant moet vertellen, maar ook dat van de ontvangende samenleving.
  • Het aangehaalde onderzoek van de FNV is in enkele gespecialiseerde universiteitsbibliotheken te leen, onder de titel FNV’er aan het woord over buitenlandse werknemers (De Jongh, Van der Laan, Rath, 1984). De studie toont aan hoe decennia van paternalisme en taboeïsering tot aanzienlijke onvrede en onwetendheid onder autochtone vakbondsleden hebben geleid.
  • Dat de situatie twee decennia later eerder is verslechterd dan verbeterd, lijkt de conclusie te zijn van Vakbonden en immigranten in Nederland (2002) van politicologe Judith Roosblad. Zie verder ook: Afri. Leven in een migrantenwijk (2009) van Jutta Chorus, over de segregatie en het wederzijdse onbegrip in de Rotterdamse Afrikaanderwijk.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.