Home Via Appia. De koningin der wegen

Via Appia. De koningin der wegen

  • Gepubliceerd op: 14 november 2017
  • Laatste update 17 jun 2024
  • Auteur:
    Fik Meijer
  • 11 minuten leestijd
Via Appia. De koningin der wegen

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €1,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

In 312 v.Chr. legden de Romeinen de beroemde Via Appia aan, van Rome naar Capua. Hoe was het om tweeduizend jaar geleden over die weg te reizen? Welke wagens kon je gebruiken? En waar vond je een hotel?

Dit artikel krijgt u cadeau van Historisch Nieuwsblad. Kijk hier voor de online mogelijkheden.

In de eerste twee eeuwen van onze jaartelling beschikten de Romeinen over een uitgebreid wegennet, dat zich tot in de verre uithoeken van hun rijk vertakte. Het was allemaal begonnen in Italië. Eerst waren kleine paden begaanbaar gemaakt, vervolgens waren ze omgevormd tot wegen. Maar de echte doorbraak kwam met de aanleg van de Via Appia, een initiatief van politicus Appius Claudius in 312 v.Chr. De weg, die van Rome naar Capua liep, was vanaf het begin een doorslaand succes. Troepen konden nu snel naar brandhaarden in Campanië worden gestuurd om de Samnieten te bestrijden.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

Antieke tombe langs de Via Appia.

In de volgende decennia werden meer wegen aangelegd, zoals de Via Flaminia naar Rimini aan de oostkust en de Via Aurelia langs de westkust noordwaarts tot Pisa en Genua. Hoe fraai die andere wegen ook waren, ze stonden in de schaduw van de Via Appia. De dichter Statius noemde haar in de tweede helft van de eerste eeuw na Christus al regina viarum (‘koningin der wegen’). Toen hij deze woorden schreef was de weg doorgetrokken naar het zuidoosten en strekte zich over een afstand van bijna 570 kilometer uit tot Brindisi in Apulië. Nu maakten behalve soldaten ook handelaars, toeristen en leden van officiële delegaties gebruik van de weg.

De aanleg van de Via Appia en de andere wegen mag gerust een prestatie van formaat worden genoemd als we in ogenschouw nemen dat de technische hulpmiddelen in die tijd beperkt waren. Het bouwprocedé had een vast patroon: overal werden eerst opstaande ‘muurtjes’ aangelegd, waartussen afhankelijk van de ondergrond aarde werd uitgegraven tot men op harde grond stuitte. Daarop werd dan een laag van grove kiezels gelegd en daar weer bovenop fijner grind, waarin basaltblokken werden gelegd.

60 kilometer per dag

Echte reisverslagen zijn er bijna niet. De dichter Horatius is met zijn satire van 107 regels over een reis langs de Via Appia eigenlijk de enige die een poging daartoe doet, maar omdat hij meer aandacht heeft voor zijn persoonlijke belevenissen is zijn feitelijke informatie beperkt. Gegevens over de wegen, de vervoersmiddelen, de afgelegde afstanden, de hotelletjes en de risico’s onderweg moeten we vergaren uit losse mededelingen van schrijvers en dichters en inscripties op steen. Zo kunnen we ons een beeld vormen van de oude reizigers die zich vanuit Rome op weg begaven.

De meesten van hen gingen niet te voet, maar in een wagen. De Romeinen hadden ze in vele soorten. Vaak waren het kleine, open tweewielige voertuigen. De meest luxueuze uitvoering van dit type was de essedum, populair bij officiële beambten die zich snel wilden verplaatsen. Eenvoudiger varianten waren de cisium en de covinnus, kleine wagens die ruimte boden aan één passagier met weinig bagage.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

Negentiende-eeuwse voorstelling van de Via Appia.

Wie met meer reizigers op stap ging huurde een reda, een stevige wagen met vier wielen die door twee of vier paarden werd getrokken. Aangenamer was de carruca. Een leren huif beschermde de passagiers tegen regen en felle zon. Sommige van deze wagens, de carrucae dormitoriae, waren zo ingericht dat de zetels konden worden omgebouwd tot een soort slaapbank. Wie echt iets te besteden had maakte gebruik van een carpentum, die het best te vergelijken is met een luxe koets. Boven de wagen zweefde een dak, gestut door kunstig bewerkte zuiltjes. Aan de zijkanten hingen gordijnen, niet zelden van zijde.

Maar hoe comfortabel de wagens ook waren ingericht, het kan geen onverdeeld genoegen zijn geweest dagenlang in dezelfde houding te zitten en elke hobbel in de slecht of matig geveerde wagens te voelen.

De reizigers voelen iedere hobbel in de weg

Het is moeilijk te zeggen welke afstanden in één dag werden afgelegd. Als de antieke auteurs er al gewag van maken is dat niet maatgevend, omdat het vooral om extreme, niet-alledaagse reizen gaat. Een gemiddelde afstand van veertig tot zestig kilometer was goed haalbaar. Soms werden op een dag veel meer kilometers afgelegd, maar dan gaat het wel om reizen die met andere oogmerken werden ondernomen. Voor speciale koeriers van de keizers waren afstanden van meer dan honderd kilometer niet uitzonderlijk. In zo’n geval werd er dag en nacht doorgereden en werd er voortdurend van paarden gewisseld.

Logeren bij vrienden

Voor reizigers was het niet gemakkelijk onderdak te vinden. Ze waren afhankelijk van de situatie die zich voordeed. De slaapmogelijkheden waren, zeker ver van Rome, dun gezaaid. Zoals zo vaak in de Romeinse samenleving hadden de leden van de elite het gemakkelijker dan ‘gewone’ Romeinen. Zij konden terugvallen op hun netwerk van relaties. Ze wisten waar bevriende aristocraten hun landhuizen hadden en probeerden hun reis bij voorkeur zo te plannen dat ze daar in de loop van de middag of vroeg in de avond aankwamen, ruim op tijd voor het diner. Gastvrijheid voor politieke vrienden was de gewoonste zaak van de wereld. De gastheer mocht te zijner tijd een wederdienst van zijn gast verwachten. De villa’s op het platteland waren ook helemaal op gasten ingesteld, met aparte vleugels die als slaapverblijven waren ingericht. Vond een reiziger uit de hoogste kringen geen onderdak in een van deze villa’s, dan wendde hij zich in het dichtstbijzijnde stadje tot de plaatselijke magistraten, in de verwachting dat die wel een onderdak konden regelen.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

De tempel van Jupiter in Anxur/Terracina. De Via Appia liep langs deze haven en zorgde voor een bloeiende handel.

In regio’s waar hij niet kon terugvallen op vriendendiensten moest hij net als andere reizigers zijn hoop vestigen op een hotelletje of een herberg. In de niet al te verre omgeving van Rome was het aantal overnachtingsmogelijkheden redelijk groot. Van oude stadjes aan de Via Appia als Bovillae, Tres Tabernae en Forum Appii is bekend dat ze een redelijk aantal herbergen hadden. Maar in onbekendere streken, vooral op het traject van Benevento naar Brindisi, moesten ook de vermogende Romeinse aristocraten maar afwachten of ze een hotelletje zouden aantreffen dat de vermoeide reiziger enig comfort bood of een herberg van bedenkelijke kwaliteit.

Vieze wc’s

De meest primitieve rustplaats was de mutatio, in feite niet meer dan een afgesloten ruimte waar een smid of dierenarts de hoeven van de paarden inspecteerde en vermoeide dieren konden worden vervangen. In de buurt was een kleine uitspanning om wat uit te rusten of de nacht door te brengen. Iets aangenamer waren de mansiones en stationes, waarvan we ons de accommodatie niet al te rooskleurig moeten voorstellen. De eenvoudigste boden een houten brits en een strozak in een ruimte die met anderen moest worden gedeeld, de beter geoutilleerde hadden kleine slaapkamertjes. Andere gastenverblijven hadden iets meer comfort. Ze waren er in verschillende soorten: allereerst de cauponae, herbergen die vaak een slechte reputatie hadden. De eetzaal had meer weg van een saloon dan van een restaurant. De prostitutie tierde er welig. Beter aangeschreven stonden de hospitia en de deversoria. Alles zag er net even netter uit dan in de cauponae, maar verder boden ze dezelfde diensten, ook die van de betaalde liefde.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

In de eerste eeuw Christus kreeg de stad Minturno, waar de Via Appia dwars doorheen ging, een aquaduct van elf kilometer.

Als het maar enigszins mogelijk was, probeerden reizigers vóór het donker een stadje te bereiken om meer vrijheid te hebben bij het kiezen van een geschikte overnachtingsmogelijkheid. Direct achter de stadspoorten lag een aantal herbergen, vaak met weinig aansprekende namen als De Kameel, De Kleine Adelaar, De Haan of De Hinde, soms met de naam van een god of godin: Apollo of Diana. Ze waren in het donker goed herkenbaar door een brandende toorts boven de ingang. De meeste hotelletjes boden weinig luxe; het waren meer combinaties van een eenvoudige herberg en een café, waar niet alleen de gasten vertier zochten, maar ook mensen uit de stad kwamen drinken of een kaartje leggen. Het bargedeelte lag meestal aan de straatkant, daarachter de slaapkamers, al of niet rond een centrale binnenplaats. Soms was er een aparte stal voor de dieren, soms moesten die elders worden ondergebracht.

Van de hygiëne in deze herbergen moeten we ons geen optimistische voorstelling maken. Een primitieve wasgelegenheid was er meestal nog wel, en als die ontbrak, kon de gast naar een openbare gelegenheid in de stad. Met de toiletvoorzieningen was het veel slechter gesteld. Niet zelden waren ze vuil en smerig, en vormden ze een permanente bron van ziektekiemen. Vliegen en andere insecten tierden er welig. Een gast mocht zich gelukkig prijzen als er een toilet met een beetje stromend water was. Anders moest hij zich behelpen met grote kruiken in de gang en een kleinere op zijn slaapkamer. Een opschrift op de muur van een hotelkamertje in Pompeji maakt de paniek en boosheid zichtbaar die een gast moet hebben gevoeld toen hij ’s nachts tot de ontdekking kwam dat de kruik ontbrak: ‘Ik heb in mijn bed geplast, ik geef het toe. U, waard, vraagt waarom? Omdat er geen nachtpot was.’

De tekst loopt door onder de afbeelding.

​De aansluiting op de Via Appia betekende een economische impuls voor Capua. Van het nieuwe geld wordt dit amphitheater bekostigt. 

Roofovervallen

Waar hij zich ook bevond, een vreemdeling liep altijd het gevaar het slachtoffer te worden van rovers en zakkenrollers. In veel steden waren criminelen actief die het op hen hadden voorzien. Diefstal, afpersingen, straatberovingen, moord en doodslag waren de gewoonste zaak van de wereld, ook op de wegen in Italië. De meeste daders stroopten in de stadjes langs de wegen de straten af op zoek naar buit en zagen in een overval op een toerist die te diep in het glaasje had gekeken een mooie gelegenheid om zich op een gemakkelijke manier te verrijken. Argeloze passanten – en dat waren reizigers in een voor hen vreemde omgeving – werden in de nachtelijke uren geregeld van hun geld beroofd. Soms opereerden overvallers alleen, soms in bendes. Bij tijd en wijle liep het zo de spuigaten uit dat de lokale overheid zich gedwongen voelde reizigers te waarschuwen om bepaalde wijken te mijden. Ook in de hotelletjes drong de misdaad door, omdat sommige uitbaters samenwerkten met criminele elementen en de klanten net zo hard belazerden.

Bendes beroven argeloze reizigers van hun geld

Buiten de stadsmuren liepen de reizigers de grootste risico’s. Ze verkeerden in regio’s waar ze niemand kenden, waar ze waren overgeleverd aan het gezag van mensen die ver van hen afstonden. Het gevaar dat ze werden aangevallen door rovers, alleen of in groepen, was altijd aanwezig. Legio is het aantal vermeldingen van antieke auteurs en grafopschriften waarin gesproken wordt over roofovervallen, niet zelden met dodelijke afloop. Maar de angst voor een gewapende overval was geen reden om thuis te blijven. Steeds weer begaf men zich op reis, met alle risico’s die daarbij hoorden.

Fik Meijer is emeritus hoogleraar oude geschiedenis.

Meer weten?

Romeins verkeer. Weggebruik en verkeersdrukte in het Romeinse rijk (2014) door Cornelis van Tilburg.

Reisewege der Antike. Unterwegs im Römischen Reich (2003) door Werner Heinz.

The Appian Way. From its Foundations to the Middle Ages (2004) door Ivana della Portella e.a.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 11 - 2017