Home Vetorecht was voor de Republiek ook al een groot probleem

Vetorecht was voor de Republiek ook al een groot probleem

  • Gepubliceerd op: 26 feb 2026
  • Update 26 feb 2026
Vetorecht was voor de Republiek ook al een groot probleem

Door bestuurlijke chaos dreigde de Nederlandse Republiek ten onder te gaan. Eén dwarsliggende stad of provincie kon de besluitvorming op nationaal niveau verlammen. Dat ging zo niet langer, vond de regent Simon van Slingelandt. Hij maakte een hervormingsplan, dat in Den Haag menigeen in de gordijnen joeg.

Lang had Nederland er niet zo beroerd voor gestaan als na de Vrede van Utrecht in 1713. Weliswaar behoorde het niet tot de ter­ritoriale verliezers, maar de Spaanse Successieoorlog had de Republiek financieel volledig uitgeput. Nederland gleed geleidelijk af naar een staat van inter­nationale impotentie, en de oorzaken waren niet alleen gelegen in economisch achterblijven vanwege zijn geringe formaat. Het probleem school evenzeer in het gebrekkige politieke functio­neren van de Republiek. De ­oorlog had het staatsbe­stel nog enigszins op gang gehou­den, maar nu traden de grote mankemen­ten ervan aan het licht.

Er moest wat gebeuren, en er gebeurde vervolgens wat er in Nederland steevast gebeurt als er een groot probleem aangepakt moet worden: men kwam in vergadering bijeen. In het najaar van 1716 begon in Den Haag de zogeheten Tweede Grote Vergadering van alle gewestelijke vertegenwoordigers, die liefst tien maanden zou duren.

Meer historische context bij het nieuws van vandaag?

Meld u aan voor de gratis nieuwsbrief van Historisch Nieuwsblad.
Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

De belangrijkste initiatief­nemer, Simon van Slingelandt, was al sinds 1690 secretaris van de Raad van State. Hij wist precies wat er gebeuren moest, en ook dat dat op hevige tegenstand stuiten zou. Van Slingelandt maakte zich grote zorgen over de staat waarin de Republiek zich bij gebrek aan krachtig centraal leiderschap be­vond. In het Tweede Stad­houder­loos Tijdperk (1702-1747) had het aloude gewes­telijke par­ticularisme vrij spel – dat wat staatsgezinde regen­ten betitelden als ‘de ware vrijheid’, waarvoor het land ooit tegen de Spanjaarden was opgestaan. Een pleidooi voor krachtig leider­schap moest menig regent, zo innig tevre­den met het ontbreken van enig leiderschap sinds de dood van stadhou­der-koning Willem III, wantrou­wig maken. Was immers niet steeds onder het mom van de noodzaak van sterk leiderschap een nieuwe Oranje in het zadel gehesen, die vervolgens de ware vrijheid had verkracht?

Vuurwerk bij de viering van de Vrede van Utrecht
Vuurwerk bij de viering van de Vrede van Utrecht. Afbeelding door Daniël Stopendaal, 1713.

Duurbetaalde ambten

Volgens Van Slingelandt, zelf geboren in een Dordtse regentenfamilie, was de zo bejubelde ware vrijheid ontaard in een ware anarchie van lokale zelfzuchtigheid. Op diverse stadhuizen waren de vroede vaderen, zoals de memoi­res van de Gorcumse bur­gemeester Diderik van Bleys­wijk op ontwapenende wijze schilderen, vooral bezig met het bemachti­gen van de ‘eere­ampten’ en ‘vetste bedienin­gen’ voor zichzelf, hun zonen of hun clan. Dideriks enige ­zorg schijnt te zijn geweest of hij bij bepaalde vrijko­mende baantjes niet achter het net zou vissen. Eens liet hij zich het ambt van tolont­vanger toewijzen, dat hij wegens een vermeend sterfgeval als vacant beschouwde, maar toen bleek degene die hij wilde vervangen bij nader inzien toch nog niet overleden. Geluk­kig voor Van Bleys­wijk deed de desbetref­fende ambtenaar dit binnen afzienbare tijd als­nog.

Portret van Simon van Slingelandt
Portret van Simon van Slingelandt door Jacob Houbraken.

Ook Van Slingelandt zou niet aan het corrupte systeem ontkomen, toen hij in 1727 voor het ambt van raadpensionaris van Holland kandideerde. De Gorcumse regent Abraham van Hoey wilde hem alleen steunen als hijzelf in ruil daarvoor, hoewel van elke buiten­lander­varing gespeend, de vacante ambas­sa­deurs­post in Parijs toegeschoven kreeg.

In Amsterdam hadden burgemeesters de beschik­king over ruim drieduizend banen, die zij tegen hoge koopsommen onder hun aanhang en familie lieten rouleren. Wat tot tal van nieuwe misbruikgevallen leidde, omdat de tijdelijke uitbaters van die duur­betaal­de ambten natuurlijk wel streefden naar een zeker rende­ment. En wat op lokaal niveau gebeurde, gebeurde evengoed op nationaal niveau. Bij de admirali­teit bijvoorbeeld ging het net zo. Toen in 1744 een smaldeel van acht oorlogsschepen naar Engeland moest worden uitgezonden, werd dit bij wijze van vriendendienst toevertrouwd aan het bevel van de 73-jarige luitenant-admiraal Hendrik Gravé uit Rotterdam, die nog nooit enig gevecht van belang had bijgewoond, al in geen vijftien jaar meer een boot van binnen had gezien, en daarbij zo stijf was van de jicht in zijn grote teen, dat hij bij storm op zijn stoel moest worden vastge­sjord om niet overboord te slaan.

Oorlog om de Spaanse troon

De Spaanse Successieoorlog (1701-1713) was een van de voor de achttiende eeuw typerende grote oorlogen, waarin het vorstelijk erfrecht ondergeschikt werd gemaakt aan het Europese machtsevenwicht. De Franse Bourbons en de Oostenrijkse Habsburgers stonden daarbij tegenover elkaar, waarbij Wenen werd ondersteund door Engeland en Nederland, op dat moment verenigd onder stadhouder-koning Willem III. Met de dood van de kinderloze koning Karel II in 1700 was de Spaanse tak van de Habsburgers uitgestorven. Puur erfrechtelijk konden zowel de Franse koning Lodewijk XIV als de keizer van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, Leopold I, de Spaanse troon claimen. Beiden waren zwagers van Karel. Omdat een personele vereniging van de Spaanse kroon met de Franse of Roomse voor de tegenpartij onacceptabel was, kwam het na twaalf jaar oorlog tot een opdeling, waarbij de tweede kleinzoon van Lodewijk Spanje zelf kreeg, en de tweede zoon van Leopold de Italiaanse en (Zuid-)Nederlandse bezittingen. De Nederlandse Republiek mocht de stad Venlo en een aantal dorpen in het huidige Midden-Limburg aan haar grondgebied toevoegen.

Slag bij Malplaquet
Slag bij Malplaquet op 11 september 1709. Schilderij door Louis Laguerre, circa 1713.

Vetorecht

Vriendjespolitiek en corruptie waren niet de enige kwalen waaraan het openbaar bestuur leed. De hoofdkwaal vormde de weinig effectieve staatkundige organisatie van de Republiek. De onbeperkte soevereiniteit van elke afzonderlijke provincie stond de slagvaardigheid in de weg. Op elk niveau – in de Staten-Generaal, in de provinciale Staten en in de steden – gold het unanimiteitsbe­ginsel. Alle leden hadden dus vetorecht. Dit, samen met de onzalige verplich­ting tot voortduren­de last en ruggespraak, leidde ertoe dat elk willekeurig lid de besluitvor­ming telkens volledig kon plat­leggen.

Voor elk nieuw plan en elke nieuwe stap moesten afgevaardigden eerst de achterban thuis raadplegen. Voordat iedereen dan weer op het Binnen­hof aanwezig was, was men weken verder. Zolang niet de laatste af­gevaar­digde uit Dokkum of Zierikzee was terugge­keerd, lag zelfs in zaken van oorlog en vrede de besluitvorming stil. Wat dat in geval van hardnek­ki­ge tegenwind op de Zuiderzee betekende voor de collectieve daad­kracht, laat zich denken. Het beraad werd er vaak zo lang door gerekt, dat ofwel het meest geëigen­de tijdstip om te handelen allang was verstreken, ofwel het veel besluitvaar­diger optreden van andere mogendhe­den het aantal eigen opties tot één had beperkt. Het was dan ook, zoals Van Slin­gelandt opmerkte, ‘een wonderwerk van de goddelijke Voorzienigheid’ dat de Republiek überhaupt nog bestond.

Het was ‘een wonderwerk van de goddelijke Voorzienigheid’ dat de Republiek nog bestond

Ook voor buitenlandse diplomaten was de stadhouderloze republiek een onhandel­baar veelkop­pig monster, waarop geen peil te trekken viel. Om te beginnen werden hun vertrouwelijke nota’s hardop in de Staten-Generaal voor­gelezen, waardoor elke vorm van geheimhouding natuurlijk onmogelijk was. Ver­volgens werd ook nog eens elke belangrijke kwestie naar de ver­gadering van de afzonder­lijke Staten terugverwezen, waar één dwarsliggende stad de hele besluitvormingsmachinerie kon stilzetten. Een ambassadeur kon na zijn accreditatie in Den Haag niet, zoals in Wenen of Berlijn, volstaan met het raadplegen van één vorst en één minister, maar moest soms ook naar zo’n Dokkum of Zierikzee afreizen om een obstinate bur­gemeester te bewerken.

Hoezeer de Republiek zich door het unanimi­teitsbegin­sel tot de internationale risee dreigde te maken, zou later nog blijken bij het Verdra­g van Sevilla dat in 1729 een nieuwe Europese oorlog moest helpen afwen­den. De Staten-Generaal ratificeerden het verdrag slechts met de groot­ste moeite en pas na een klein jaar. Die vertraging trad alleen maar op, omdat de wereldstad Den Briel – een van de achttien stemheb­bende steden in de Staten van Holland – haar goedkeu­ring af­han­ke­lijk had gemaakt van de benoe­ming van een van haar ingezete­nen tot officier in het Staatse leger. Er moest dus eerst intern het nodige worden uitonderhandeld. Lokaal eigenbe­lang domineer­de zo vaak de interna­tionale koers.

Vergaderzaal van de Staten van Holland en West-Friesland
Vergaderzaal van de Staten van Holland en West-Friesland. Afbeelding door Jan Caspar Philips, circa 1730.

Juist deze wurggreep waarin zelfs een van de kleinste Hol­landse steden in een recal­citrante bui de hele Republiek kon houden, was Van Slingelandt een doorn in het oog. Onvermoeibaar kwam hij met voorstellen om het staatsbestel te herzien. Voor treuzelen was de tijd voorbij, en Van Slin­gelandt zou niet nalaten de regen­ten eraan te herin­neren dat drastische hervor­mingen onver­mij­delijk waren. Dat ze niet konden volstaan met her en der wat op­pervlakkigs te verbeteren of allerlei vage beloften te doen en fraaie verklarin­gen af te leggen, maar dat het noodzakelijk was ‘om de wortel van het kwaad aan te tasten’.

Wensenlijstje

De kans om echt iets te veranderen leek op 28 november 1716 gekomen, toen de Tweede Grote Vergadering in de Trêveszaal samenkwam, naar het voorbeeld van de Eerste Grote Ver­gadering van 1651. Het voornaamste agenda­punt vormde een geregel­de afdanking van de troepen, waartoe sommige gewesten al direct na het vredesakkoord in 1713 eigenmachtig waren overge­gaan. In samen­hang daarmee stond de noodzakelijke herordening van de federale financiën.

Na veertig jaar oorlog voeren met Frankrijk was de Nederlandse staat nagenoeg failliet. De schulden waren zo groot, dat de Republiek in 1715 negen maanden lang de kantoren ter uitbetaling van de rente had moeten sluiten. Zes jaar later durfde Van Slingelandt het totale bedrag van het begrotingstekort niet eens op te schrij­ven. De gebrekkige belastin­gheffing, gepaard aan provin­ciale – of provinciaalse – gebor­neerdheid, was daarbij een probleem op zich, speciaal als het ging om de verdeling van de lasten­ voor de landsver­dediging. De binnenlandse gewes­ten wilden niet meebetalen aan de vloot; voor de aan zee gelegen gewesten had omgekeerd het leger veel minder prioriteit.

Eerherstel dankzij de patriotten

De belangrijkste nota’s van Van Slingelandt waren interne beleidstukken, die pas lang na zijn dood in 1784 of 1785 zijn gepubliceerd. De daarin vervatte heftige kritiek op de regentenoligarchie was de reden dat ze zolang geheim waren gehouden – en tegelijk de reden dat ze nu wel werden gepubliceerd. Zijn kritiek werd namelijk onderschreven door de patriotten. Hun val na de Pruisische invasie van 1787 verhinderde eigen pogingen tot staatkundige hervorming, die overigens een veel minder centralistisch karakter hadden. Het waren pas de Bataven die na hun geslaagde revolutie van 1795 een eenheidsstaat schiepen. Er kwam met de Fransen uiteindelijk een sterke uitvoerende macht, die eerst aan de gewestelijke autonomie een einde maakte, en vervolgens aan het nieuwe parlement.

Alliantie tussen de Franse en Bataafse republieken
Alliantie tussen de Franse en Bataafse republieken, 1795.

Zo ging het niet langer. In een reeks nota’s stelde Van Slingelandt de constitutio­nele hervormin­gen op schrift die noodzake­lijk waren om de Republiek van haar onder­gang te redden. Al­lereerst dienden de ­leden van de Staten-Generaal voortaan zonder bemoeienis van het thuisfront hun stem te kunnen uitbren­gen, en niet voor elk wis­sewasje weer naar het einde van de wereld af te hoeven reizen. Ook moest een einde komen aan het unanimiteitsbeginsel. Een bepaalde gekwali­ficeer­de meer­derheid moest vol­staan.

Ten tweede diende een krachtige uitvoerende macht in het leven te worden geroepen, want nu ‘regeerden’ de Staten-Generaal nog grotendeels zelf. Iedereen kon zien waar dat toe leidde. Wat ontbrak was een instantie die bijvoorbeeld nalatige gewesten tot betaling van hun aandeel in de gezamenlijke financiën kon dwingen. Dit had ook op het wensenlijstje van de Eerste Grote Ver­gadering gestaan, maar was er toen door dwarsliggen van Holland niet van gekomen. Om uitge­vaardigde wetten en besluiten te kunnen doorvoeren, wilde Van Slingelandt een centrale regeringsraad creëren. Die zou tevens de dagelijkse zaken behartigen. De leden van de regeringsraad moesten voor het leven zitting nemen, of tenminste voor een lange periode, zodat zij niet bij de minste onwel­gevallige beslissing weer uit hun ambt werden gezet. Voor de Staten-Generaal was nog slechts een budgettaire en ad­viserende rol weg­gelegd.

Er ontbrak een instantie die nalatige gewesten tot betaling kon dwingen

En dan was er natuurlijk nog een laatste belangrijk aspect. Besluiten nemen was één ding, besluiten zelf uitvoeren een tweede, maar besluiten door derden uitgevoerd zien te krijgen was in deze Republiek punt drie. Hoe vaak hadden niet provinciale bestuurscolleges door de generaliteit afgekon­digde maatregelen heime­lijk tegenge­werkt of haar veror­deningen botweg genegeerd? Om die reden was het nodig dat de Raad van State over rechtspre­kende bevoegd­heden beschikte, om die afzonderlijke gewes­ten bij weigering tot medewerking te kunnen dwin­gen. Kortom: Van Slingelandt wilde een sterkere federale overheid, waarvan de beleidseffectiviteit niet van allerhande plaatselijke grillen af­hankelijk was, en die weerbar­stige lagere overheden met sancties tot de orde kon roepen.

Eensgezinde afwijzing

Dat was precies de reden waarom de meeste regenten niets in zijn ideeën zagen. De mogelijkheid gestraft te worden als ze zich niet aan afspra­ken hielden, stond hun niet als de correcte staatkundige vertolking van de ware vrijheid voor de geest. De centraliserende en bin­dende strekking van de voorstellen, die hun regionale regenten­macht beoogden in te dammen, sprak hen daarom niet aan. De meeste in Den Haag vergaderende regenten waren zeer eensgezind in hun opvat­ting dat verdeeldheid moest worden gekoesterd, en zeker niet met dwangmiddelen tegengegaan. Die nare adviezen van Van Slingelandt behoorden niet te worden opgevolgd. Hij slaagde er niet in om ook maar iets van zijn voorstellen door de Tweede Nationale Ver­gadering geaccepteerd te krijgen. Zelfs het opstel­len van een overzicht van de euvelen bleek een brug te ver, laat staan een debat over de oplossing daarvan.

Zeeslag in de baai van Vigo tijdens de Spaanse Successieoorlog
Zeeslag in de baai van Vigo tijdens de Spaanse Successieoorlog, 23 oktober 1702.

Van al zijn pogingen bestuurlijk orde op zaken te stellen kwam niets terecht omdat, zoals Van Slingelandt al in 1715 moest constateren, ‘de humeu­ren er gans niet naar gesteld waren’ om het over iets anders te hebben dan bezuinigin­gen op defensie. Voorstel na voorstel werd zodoende afgewe­zen. Vooral aan het eigen vetorecht hielden de afgevaardigden stug vast. Het kon immers niet zo zijn dat Zwolle en Kampen samen konden bepalen wat Amsterdam moest vinden. Dat bepaalde Amsterdam liever zelf. Na een klein jaar vergade­ren was de staatsinrichting van Nederland nog net zo’n krakende wagen als daarvoor.

Meer weten:

  • Staatsbelang boven regentengezang (2021) door Arend van Essen is een proefschrift over Van Slingelandts staatkundige voorstellen.
  •  Simon van Slingelandt. Last chance of the Dutch Republic (2013) door Piotr Napierala bevat een intrigerende stelling.
  • De Republiek der Verenigde Nederlanden als grote mogendheid (2002) door Olaf van Nimwegen gaat over de eerste helft van de achttiende eeuw.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van vandaag. Je hebt al een abonnement voor €4,99 per maand.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 3 - 2026

Nieuwste berichten

Amanda Seyfried als Ann Lee en Lewis Pullman als haar broer William Lee in The Testament of Ann Lee
Amanda Seyfried als Ann Lee en Lewis Pullman als haar broer William Lee in The Testament of Ann Lee
Recensie

The Testament of Ann Lee: utopiste met een afkeer van seks

Een vrouw als sekteleider komt niet vaak voor. Maar het lukte de Britse Ann Lee om een groep volgelingen te laten geloven dat in haar de wederkomst van Jezus schuilging. The Testament of Ann Lee toont haar als een utopische idealist.  Een religieuze beweging die seks verbiedt? Niet handig, al is het maar omdat nieuwe zieltjes nodig zijn, maar voor Ann Lee (1736-1784) is seks de wortel van het kwaad. In haar geboorteplaats Manchester...

Lees meer
Bill Clinton tijdens zijn inauguratie in 1993
Bill Clinton tijdens zijn inauguratie in 1993
Artikel

Na de Lewinsky-affaire ontbeerde Bill Clinton elk moreel gezag

Oud-president Bill Clinton en zijn vrouw Hillary getuigen in een onderzoek naar de zakenman en veroordeelde pedoseksueel Jeffrey Epstein. Dat Bill met hem omging, wekt geen verbazing: hij hield van luxe en mooie vrouwen. Zijn erotische avonturen kostten hem tijdens zijn tweede termijn zelfs bijna de kop. Ooit was Bill Clinton de hoop van een...

Lees meer
Charles de Montesquieu. Portret door Jacques-Antoine Dassier, 1728.
Charles de Montesquieu. Portret door Jacques-Antoine Dassier, 1728.
Artikel

Geniale profeet Montesquieu zag al: te veel macht voor één persoon is desastreus

Waarom was Frankrijk tijdens het bewind van Lodewijk XIV in verval geraakt? Op zoek naar het antwoord bestudeerde Montesquieu het politieke systeem in tal van landen en kwam tot een theorie die wereldberoemd werd: de trias politica, de scheiding der machten.   Wie de naam Montesquieu in een online-krantenarchief invoert, stuit uit op talloze artikelen over de zegeningen van de democratische rechtsstaat. Nog steeds...

Lees meer
Jonge Spartanen
Jonge Spartanen
Recensie

De ondergang van Sparta was onvermijdelijk

In Sparta liet een kleine bovenlaag zich bedienen door een grote groep ondergeschikten. Volgens Andrew Bayliss was dat systeem op den duur onhoudbaar.   Sparta spreekt tot de verbeelding. Op Netflix behoort 300, de film over de heldhaftige strijd van de Spartaanse koning Leonidas en zijn manschappen tegen de Perzen in de slag bij Thermopylae, tot de populairste historische drama’s van...

Lees meer
Loginmenu afsluiten