Home Twee Friezen in Rome

Twee Friezen in Rome

  • Gepubliceerd op: 5 juli 2011
  • Laatste update 07 apr 2023
  • Auteur:
    Fik Meijer
  • 11 minuten leestijd
Twee Friezen in Rome

Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars. Zij hebben er belang bij de verdiensten van hun tegenstanders te kleineren of te verhullen. De onderworpen Friese stamleiders Verritus en Malorix waren gedoemd in de anonimiteit te verdwijnen. Maar de Romeinse historicus Tacitus vond hen zo bijzonder dat hij ze toch een plek in zijn Annales gunde.

Helden zijn van alle tijden, en ze zijn er in vele verschijningsvormen. Het type dat in de loop van de geschiedenis het meest tot de verbeelding heeft gesproken, is dat van de krijgsman die uitblinkt in moed en dapperheid. Hij maakte zijn opwachting toen de Grieken nog een samenleving hadden waarin het recht van de sterkste gold.

Dit soort oude krijgers is daarna nooit meer helemaal van het toneel verdwenen. Vooral bij de Romeinen waren zij populair. Ze volgden de Grieken in hun waardering voor krijgshelden en verwoordden hun bewondering in mythen en verhalen, bedoeld om de prestaties van de bewierookte helden extra glans te verlenen en anderen te inspireren hun voorbeeld te volgen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het succesverhaal van de Romeinse opgang naar de wereldheerschappij is dan ook bezaaid met kleine geschiedenissen van dappere mannen die hun leven offerden voor de staat of met schitterende overwinningen voor zichzelf en hun vaderland grote faam verwierven. Helden als de Horatii, die Rome met hun overwinning op de Curiatii uit Alba Longa in de Koningstijd hebben opgestuwd, en Publius Decius Mus, die in 340 v.Chr. zijn leven gaf voor Rome in de strijd met de Latijnen, werden door latere generaties als toonbeelden van uitmuntend gedrag in dienst van de staat aan anderen ten voorbeeld gesteld.

Tegenstanders van de Romeinse expansie zijn er veelal minder goed van afgekomen. Zij werden weggezet als opstandelingen, die men eigenlijk niet in één adem met de Romeinse helden mocht noemen. Het beeld dat de Romeinen van hen opriepen werd ingegeven door vooroordelen en superioriteitsgevoelens. Zeker als het een vijand betrof die hun het vuur na aan de schenen had gelegd, was objectiviteit vaak ver te zoeken. En omdat er meestal geen andere versie is dan die van de overwinnaar, krijgen we van een verslagen ‘held’ doorgaans een sterk vertekend beeld.

Neem Hannibal. In 218 v.Chr. trok deze Carthager met een groot leger vanuit Spanje over de Alpen naar Italië. Hij bracht de Romeinen aan de rand van de afgrond. Even zag het er zelfs naar uit dat hij zou oprukken naar Rome. Uiteindelijk keerde het tij. De Romeinen wisten zich te herstellen en verdreven Hannibal uit Italië. In Noord-Afrika brachten zij hem in de Slag bij Zama in 202 v.Chr. de beslissende nederlaag toe. Die laatste nederlaag heeft uiteindelijk het beeld van hem bepaald.

De Romeinen konden er weliswaar niet omheen dat Hannibal als legeraanvoerder en strateeg over fenomenale eigenschappen beschikte, maar zijn moed en dapperheid werden overschaduwd door zijn ondeugden. Zijn overwinnaars dichtten hem een grote onbetrouwbaarheid en wreedheid toe. Zijn successen in de eerste fase van de oorlog verloren aan glans door het echec van Zama. Zijn wreedheid en trouweloosheid werden daarna uitvergroot, en zijn goede eigenschappen naar de achtergrond gedrongen. De Carthager bezat alle ondeugden van zijn volk, terwijl de Romein Scipio, die hem had verslagen, de verpersoonlijking was van typisch Romeinse deugden als dapperheid, standvastigheid, plichtsbetrachting, rechtschapenheid, edelmoedigheid en clementie.

Ook Vercingetorix, de Galliër die in 52 v.Chr. in actie kwam toen Caesar Gallië bijna als provincie aan het rijk had toegevoegd en op het punt stond als overwinnaar naar Rome terug te keren, heeft niet de eer gekregen die hem toekomt. Hij blies het Gallische verzet nieuw leven in en heeft het Caesar nog een jaar lang heel lastig gemaakt. In een ruim elf maanden durende strijd heeft het er zelfs enige tijd naar uitgezien dat hij erin zou slagen de Romeinen uit Gallië te verdrijven.

Caesar achtte het evenwel niet opportuun de Galliër neer te zetten als een groot voorvechter van de idealen van zijn volk. Hoewel hij in zijn uitgebreide weergave van hun strijd enkele keren laat doorschemeren dat Vercingetorix een tegenstander van formaat was, besteedt hij geen speciale aandacht aan hem en laat hij het in zijn introductie van de Galliër bij enkele algemene, weinig zeggende opmerkingen.

Hij doet geen mededelingen over zijn verdiensten, over zijn karaktereigenschappen of over zijn uitstraling. Over zijn politieke en militaire prestaties lezen we wel het een en ander. Caesar kon er immers niet omheen dat Vercingetorix de Galliërs op één lijn had weten te krijgen, en dat hij zijn eigen legioenen zelfs enkele nederlagen had toegebracht.

Het heeft de Gallische leider uiteindelijk weinig opgeleverd, want het goed getrainde Romeinse leger bracht de rebellen steeds verder in het nauw. Vercingetorix zag zich op zeker moment gedwongen met 80.000 mannen en vrouwen een laatste toevlucht te zoeken in het versterkte, hooggelegen stadje Alesia (Alise-Sainte-Reine). Bijna anderhalve maand hielden de rebellen daar stand tegen de troepen van Caesar, die de burcht belegerden. Toen moest Vercingetorix zich overgeven.

Caesar schrijft in zijn verslag van de oorlog in Gallië over de capitulatie van de Galliër niet meer dan dat deze aan hem werd uitgeleverd. Door zo spaarzaam over Vercingetorix te berichten, hoopte hij zijn grote tegenstander uit de herinnering van de mensen te laten verdwijnen.

Moeilijker werd een dergelijke poging tot karaktermoord als het iemand betrof die de Romeinen daadwerkelijk een grote nederlaag had toegebracht. De Germaan Arminius is in dat opzicht legendarisch. In 9 n.Chr. voerde hij in het Teutoburgerwoud een geslaagde verrassingsaanval uit op drie Romeinse legioenen. Het was een grote vernedering voor de Romeinen, en ze hebben er alles aan gedaan om zich te wreken. Tevergeefs. Arminius heeft zijn verzet tegen de Romeinen nooit opgegeven. Tot zijn dood heeft hij hen te vuur en te zwaard bestreden.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus besluit zijn lange uitweidingen over Arminius, die door verraad in eigen kring om het leven kwam, met de woorden: ‘Hij was zonder twijfel de bevrijder van Germanië. Hij was niet de enige die het tegen het Romeinse volk heeft opgenomen, maar andere koningen en leiders deden dat toen Rome nog in het beginstadium verkeerde, hij deed het toen Rome op het toppunt van zijn macht stond. Op het slagveld streed hij met wisselend succes, maar in de oorlog is hij nooit overwonnen. Hij is zevenendertig jaar oud geworden, twaalf jaar had hij de macht. Zijn naam leeft tot op de huidige dag voort in de liederen en verhalen van de barbaren.’

De hierboven genoemde opstandelingen zijn bekend geworden door hun krijgsdaden, door de moed waarmee ze zich tegen de Romeinse expansie verzetten. Er waren er natuurlijk nog veel meer, maar de meesten zijn in vergetelheid geraakt. Slechts enkelen zijn aan dat lot ontsnapt. Twee Germanen deden dat op een wel heel bijzondere manier. Zij zijn niet in de boeken terechtgekomen als grote vechters, als strijders die door hun persoonlijke moed en dapperheid de Romeinen veel last hebben bezorgd, maar omdat zij in het jaar 58 in het hol van de leeuw – het centrum van Rome – de overwinnaars met hun vrijpostige optreden hebben getart.

Verritus en Malorix waren Friezen, een volk dat woonde ten westen van het Flevo Meer (de Kleine Friezen) en in Groningen en Friesland (de Grote Friezen). De verstandhouding van de Friezen met de Romeinen was over het algemeen goed. Ze betaalden al geruime tijd aan de Romeinen een soort tribuut in de vorm van runderhuiden, maar verdienden dat bedrag vermoedelijk terug door voedsel, vooral graan, te leveren aan de Romeinse legerplaatsen langs de Rijn.

In het jaar 28 n.Chr. was de relatie snel verslechterd en waren de Friezen in opstand gekomen. De reden hiervoor was volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus de inhaligheid van de Romeinen, die geen genoegen meer namen met de gewone koeienhuiden die de Friezen al bijna veertig jaar aan de Romeinen leverden. Niemand had er ooit op gelet hoe groot die huiden waren, totdat een zekere Olennius, een Romeinse centurio, die belast was met het toezicht op de afdrachten van de Friezen, de huid van een oeros aanwees als de norm waaraan men zich moest houden. Aan die eis konden de Friezen onmogelijk voldoen, omdat de dieren op hun boerderijen nu eenmaal veel kleiner waren. Aanvankelijk wilden ze de Romeinen ter wille zijn. Ze droegen zelfs hun koeien af en stelden hun vrouwen en kinderen voor slavendienst ter beschikking, maar de Romeinen boden geen lastenverlichting.

Na enige tijd waren de Friezen zo woedend dat ze de soldaten die met de inning belast waren vastgrepen en aan het kruis nagelden. De Romeinen wilden meteen orde op zaken stellen, maar ze kwamen erachter dat ze zich aan de overzijde van de Rijn op gevaarlijk terrein begaven. Hun fort Flevum – wellicht de vlootbasis Velsen – werd belegerd door de Friezen. De aanval kon met de grootste moeite worden afgeslagen. De Friezen trokken zich terug in hun woongebieden. De rust keerde weer, en vermoedelijk zijn de verhoudingen in de volgende jaren verder genormaliseerd.

Misschien dachten de Friezen dat de Romeinen hen voortaan hun gang zouden laten gaan, maar ze hadden het mis. Dat bleek toen ze hun gebied in de richting van de Rijn-oever uitbreidden en zich vestigden in akkergebieden die door niemand bewoond mochten worden, omdat ze bestemd waren voor Romeinse soldaten. De Friezen hadden er huizen gebouwd en akkers ingezaaid, en deden alsof ze de grond al generaties lang in bezit hadden.

Generaal Dubius Avitus dreigde echter Romeinse troepen op hen af te sturen als ze niet terugkeerden naar hun oorspronkelijke woongebied. Als alternatief gaf hij de bedenkers van deze migratie, Verritus en Malorix, de raad zich tot de keizer te wenden met het verzoek hun een nieuwe vestigingsplaats toe te wijzen.

De beide Friese stamleiders volgen zijn advies op en trokken naar Rome. Ze moeten onderweg hun ogen hebben uitgekeken toen ze over de Romeinse wegen naar de hoofdstad van het rijk trokken en overal de sporen van de romanisering aantroffen. Na een reis van enkele maanden kwamen ze in Rome aan. Was er een groter contrast denkbaar dan dat tussen de primitieve nederzettingen van de Friezen en de pracht en praal van de hoofdstad van het Romeinse Rijk?

Het doel van de reis van de Friese leiders was een onderhoud met keizer Nero. Toen ze een afspraak met hem wilden maken, kregen ze te horen dat Nero voorlopig door andere bezigheden in beslag werd genomen. Ze doodden de tijd met tochtjes door Rome. Ze zagen het Forum Romanum, het politieke en religieuze hart van Rome, en de prachtige gebouwen die keizer Augustus daar ter meerdere eer en glorie van zichzelf had laten neerzetten.

Vervolgens kwamen ze op de plaats die de Romeinen altijd aan barbaren toonden om hun een indruk te geven van de grootheid van het Romeinse volk: het Theater van Pompeius. Vele schouwspelen waren hier opgevoerd, en ook de senaat had hier weleens vergaderd, onder andere op de dag waarop Julius Caesar door verbitterde senatoren was omgebracht. Verritus en Malorix gingen het theater binnen, maar verveelden zich, omdat ze van de voorstelling niets begrepen. De hele entourage was voor hen een groot mysterie. Op de eerste rijen zagen ze Romeinse senatoren in hun toga’s, en ridders, en daarboven het gewone volk.

Tot hun verbazing ontwaarden ze te midden van de hoogwaardigheidsbekleders ook een paar opvallende figuren in buitenlandse kledij. Toen ze aan omstanders vroegen wat die personen dan wel hadden gedaan dat ze het recht hadden op plaatsen te zitten die waren voorbehouden aan de Romeinse elite, werd hun meegedeeld dat die eer te beurt viel aan afgevaardigden van volken die zich hadden onderscheiden door hun militaire kwaliteiten en hun nauwe banden met Rome.

Daarop deden de Friezen iets wat bij de Romeinen zowel verbazing als lachlust opwekte. Ze riepen uit dat geen ander volk zo goed kon vechten als de Germanen, renden naar beneden en namen plaats tussen de senatoren. Het publiek vond het prachtig en reageerde enthousiast op de impulsieve daad. Waarschijnlijk beantwoordden Verritus en Malorix aan het stereotiepe beeld dat de Romeinen van Germanen hadden: lang, blond, ongerept, niet aangetast door luxe en hebzucht. In zekere zin waren ze nog ‘edele wilden’. Nu zagen de Romeinse toeschouwers met eigen ogen hoe die wilden op een onverwachte situatie reageerden.

Zodra het voorval Nero ter ore was gekomen, ontbood hij de beide Friezen in zijn paleis. Hij reageerde zoals het Romeinse heersers betaamde: empathisch, maar met de duidelijke boodschap dat ze het niet moesten wagen de macht van Rome te tarten. Hij beloonde de beide Friezen voor hun onverschrokkenheid door hun het Romeinse burgerrecht toe te kennen. Tegelijk maakte hij hun duidelijk dat ze vlak boven de Rijn niet zomaar hun gang konden gaan. De Friezen moesten de gebieden die zij als hun eigendom waren gaan beschouwen ontruimen. Daar moesten Verritus en Malorix het mee doen.

Als Romeinse burgers keerden ze onverrichter zake terug naar hun volk. Germanen mochten zich van de Romeinen best dapper en ongeremd gedragen, ze wilden hen daarvoor zelfs belonen, maar ze moesten zich er wel rekenschap van geven dat er maar één volk de baas was, en dat waren niet de Germanen. De geschiedschrijver Tacitus vond hun optreden echter zo opzienbarend dat hij er gewag van maakt in zijn Annales. Zodoende is het lot van de anonimiteit Verritus en Malorix bespaard gebleven.

Fik Meijer is emeritus hoogleraar oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.