Woodrow Wilson won de presidentsverkiezingen in 1912 als progressieve Democraat en loste zijn beloftes grotendeels in. Hij vocht tegen monopolies, voerde een achturige werkdag en inkomstenbelasting in, en onderwierp de banken aan regulering door de Federal Reserve. Hij legde de basis voor een Amerikaanse buitenlandse politiek die was gebaseerd op een morele betrokkenheid met de wereld. De Verenigde Staten namen in 1917 deel aan de Eerste Wereldoorlog om hun democratische idealen te verspreiden. Wilson onderhandelde zes maanden zelf in Parijs over een vredesverdrag en hoopte dat de Volkenbond Europa permanent van oorlog zou verlossen.
Patricia O’Toole spreekt daarom wat voorbarig van een ‘Wilsonian Century’ waarin de Verenigde Staten onvermijdelijk met de wereld verbonden blijven. Tegelijk toont ze de keerzijde van Wilsons moraliteit. Hij hield als Zuidelijke politicus de integratie van zwarte ambtenaren en militairen tegen, draaide ongegeneerd de pro-KKK-film Birth of a Nation in het Witte Huis, vernederde Mexico, vertrapte burgervrijheden in de naoorlogse communistenjacht en liet zijn tegenstander Eugene V. Debs in de gevangenis smijten. O’Toole voert de lezer mee vanaf zijn jeugd als predikantenkind en loopbaan als hoogleraar en president van Princeton. We lezen ook over zijn vele gezondheidsproblemen en de hersenbloeding die het presidentschap in de laatste twee jaren in feite in handen legden van zijn tweede echtgenote Edith. Hoewel O’Toole Wilson goed zichtbaar maakt, ontbreekt een evaluatie van de meer problematische kanten van zijn idealen.
Jaap Verheul is historicus en docent aan de Universiteit Utrecht.
Dit artikel is exclusief voor abonnees