Aanvankelijk kreeg hij thuisonderwijs van zijn vader en vanaf zijn achtste bezocht hij tevens de avondschool van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Daarna werd hij op verschillende (kost)scholen klaargestoomd voor de universiteit van Leiden, waar hij op zestienjarige leeftijd letteren en rechten ging studeren. Hoe degelijk zijn opleiding was blijkt uit de uitdrukking die al spoedig in Leiden ingeburgerd raakte: ‘Latijn spreken als Groen.’ Al op zijn negentiende kwam hij in aanmerking voor een hoogleraarspost, maar daar stak zijn vader een stokje voor. Eind 1823 promoveerde hij, op dezelfde dag, in de rechten en in de letteren, waarbij vooral zijn dissertatie over Plato buitengewoon veel lof kreeg. Zijn eerzuchtige vader hoopte dat Groen als jurist carrière zou maken, maar een betrekking als advocaat beviel hem allerminst. Eigenlijk wilde hij historicus worden, wat hem uiteindelijk via een omweg lukte. In 1827 kwam hij in dienst bij het Kabinet van de Koning, waar hij al spoedig een van de twee secretarissen werd. In die hoedanigheid werd hij in 1831 belast met het toezicht op het Koninklijk Huisarchief. Deze taak nam hij buitengewoon serieus en dit resulteerde in een groot aantal Franstalige bronnenpublicaties over de zestiende- en zeventiende-eeuwse Oranjes, waarmee hij internationale lof oogstte.De Bijbel is het onfeilbare richtsnoer voor alle terreinen des levens
Het ware geloof
Naar eigen zeggen was Groen ‘opgevoed in een liberale dampkring’, waarin het christelijk geloof nog vanzelfsprekend was, maar dat niettemin sterk was beïnvloed door ideeën uit de Verlichting. Hij volgde weliswaar ook privécolleges bij de contrarevolutionaire dichter en denker Willem Bilderdijk, maar was tegelijkertijd zeer onder de indruk van het werk van Jean-Jacques Rousseau. Tijdens zijn studiejaren raakte hij bevriend met Rudolf Thorbecke, die later zijn politiek tegenstander zou worden, maar die hij altijd bleef respecteren. Als secretaris van de koning vertrok hij in 1829 met het hof naar Brussel, waar koning Willem I om het jaar resideerde. Hier had hij twee ervaringen, die elkaar zouden versterken. Hij sloot vriendschap met een orthodox-protestantse predikant die hem in contact bracht met de denkwereld van het Reveil. Dit was een Europese ‘opwekkingsbeweging’ die terugverlangde naar de oude gereformeerde kerk uit de tijd van de Reformatie en die gekenmerkt werd door een sterk persoonlijke geloofsbeleving en zorg voor wat we tegenwoordig de ‘kansarmen’ noemen. Deze predikant wees hem ook op Edmund Burkes traktaat Reflections on the Revolution in France uit 1790, waarin niet alleen het verlichtingsdenken en het idee van universele mensenrechten werden aangevallen, maar tevens werd voorspeld dat de revolutie zou ontaarden in een gruwelijk bloedbad. Tegelijkertijd merkte Groen dat in Brussel de revolutionaire stemming toenam, wat kort daarna resulteerde in de Belgische Opstand van 1830.
Ongeloof en Revolutie, G. Groen van Prinsterer, 1868.
Eenmaal terug in Nederland begon Groen een belangrijke rol te spelen binnen de Nederlandse Reveilbeweging. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat de revoluties die Europa sinds het einde van de achttiende eeuw teisterden voortkwamen uit het verzaken van het ware geloof, waarin de Bijbel het onfeilbare richtsnoer voor alle terreinen des levens was. Met de Verlichting had het ‘volslagen scepticisme’ gezegevierd, dat uiteindelijk alle zekerheden zou ondermijnen, waardoor het hele bouwwerk van de samenleving begon te wankelen en ineen dreigde te storten. En het waren niet alleen gevaarlijke radicalen of socialisten die waren aangestoken door deze fatale ‘revolutiegeest’, maar zelfs liberalen als Thorbecke. Dat kwam ook doordat de Nederlandse hervormde kerk steeds meer werd gedomineerd door predikanten die het geloof in overeenstemming wilden brengen met moderne wetenschappelijke inzichten, waarbij ‘bovennatuurlijke’ elementen als de goddelijkheid van Jezus en het geloof in wonderen dikwijls werden geschrapt. In plaats van een onwankelbaar vertrouwen in de sturende hand van God werd het geloof steeds meer een kwestie van ethiek.
Het Reveil was een stroming binnen de elite, maar tegelijkertijd leidde dit soort ontwikkelingen ook tot hevig verzet bij veel orthodoxe gelovigen van eenvoudige komaf. Dit resulteerde onder meer in de Afscheiding van 1834, toen enkele orthodoxe predikanten zich samen met hun volgelingen afsplitsten van de hervormde kerk. Groen was tegen het verlaten van de officiële kerk, maar toen de Afgescheidenen door de overheid werden vervolgd, kwam hij op voor hun rechten.
Tegen censuskiesrecht
Groen werkte zijn ideeën uit in zijn lezingenreeks Ongeloof en revolutie, die in 1847 werd gepubliceerd en waarvan de essentie werd samengevat in de slogan: ‘Tegen de revolutie, voor het Evangelie.’ Sinds die tijd werden orthodoxe protestanten die politiek actief werden ‘antirevolutionairen’ genoemd. Groen wordt vaak beschouwd als ultraconservatief of reactionair, maar dat is niet helemaal terecht. Hij wilde weliswaar niets weten van begrippen als ‘volkssoevereiniteit’ of ‘sociaal contract’ – die waren gepropageerd door de ooit door hem bewonderde Rousseau –, maar hij was niet tegen het idee van een grondwet. Hij was voorstander van persvrijheid, godsdienstvrijheid en andere burgerrechten, terwijl hij al in 1830 pleitte voor een minder grote rol van de koning en een ministeriële regering. Een liberaal was Groen echter niet. De grondwet van 1848 wees hij niet integraal af: hij juichte de toespitsing van verschillende grondrechten, waaronder de vrijheid van onderwijs, en de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid toe. Maar de ‘geest’ van de grondwet stond hem allerminst aan. Terwijl in zijn ogen de koning de drager van de Nederlandse soevereiniteit was, ging de grondwet van Thorbecke volgens Groen te veel uit van het revolutionaire beginsel van de volkssoevereiniteit. Daarbij kwam dat hij de invoering van het censuskiesrecht – waardoor alleen burgers die veel belasting betaalden mochten stemmen – ten scherpste afwees, omdat dit een materieel criterium was. Ook burgers die minder inkomen hadden, en er misschien heel andere denkbeelden op na hielden, hadden het recht om mee te praten over de belangen van de natie.Begin 1849 werd Groen in het district Harderwijk gekozen tot lid van de Tweede Kamer. In de jaren hierna zou hij de meest uitgesproken tegenstander van zijn oude studievriend Thorbecke worden. Diens beroemde uitspraak bij het aantreden van zijn eerste kabinet – ‘Wacht op onze daden’ – was het geïrriteerde antwoord op Groens vraag wat nu eigenlijk de beginselen van het kabinet waren. Terwijl Groen de politiek wilde doordringen met zijn uitgesproken christelijke beginselen, waren liberalen als Thorbecke van mening dat zij opkwamen voor het belang van de gehele natie. Volgens Thorbecke waren volksvertegenwoordigers ‘vrij gekozen’ en behoorden zij zelfstandig, ‘naar eigen inzicht en oordeel’, besluiten te nemen, ‘zonder enige band met de kiezers’. Groen daarentegen kwam op voor de beginselen en belangen van een specifieke groep protestanten en pleitte voor een duidelijke ‘partijvorming’, waarbij kandidaten vóór de verkiezingen duidelijk maakten waar ze voor stonden. In 1851 richtten in Amsterdam ‘antirevolutionaire’ geestverwanten van Groen de eerste kiesvereniging op. De liberalen wilden politiek en religie zo veel mogelijk scheiden en verweten Groen dat hij de politieke verhoudingen op de spits wilde drijven.De schoolstrijd zou de Nederlandse politiek 60 jaar domineren
Enorme nederlaag
Ook bij tal van concrete kwesties botste Groen met Thorbecke, bijvoorbeeld bij de Armenwet van 1853. Terwijl Thorbecke een einde wilde maken aan wat hij zag als de willekeur en het paternalisme van de kerkelijke armenzorg, eigende volgens Groen de staat zich nu iets toe dat van oudsher een kerkelijke taak was. Opmerkelijk was dat hij zich in datzelfde jaar tamelijk afzijdig hield van de zogenoemde Aprilbeweging, toen honderdduizenden protestanten te hoop liepen tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. De wijze waarop in de grondwet van 1848 de vrijheid van godsdienst was geformuleerd maakte het in de ogen van Groen volstrekt logisch dat ook de katholieken hun kerk naar eigen inzichten mochten inrichten. Hoewel hij het katholicisme zag als vorm van ‘bijgeloof’, was hij geen rabiate antipapist en was godsdienstvrijheid voor hem het belangrijkste grondrecht. [caption id="attachment_31715" align="aligncenter" width="600"]
Johan Rudolf Thorbecke (1796-1872)[/caption]
Het eerste kabinet-Thorbecke kwam niet toe aan een nieuwe onderwijswet, die noodzakelijk was geworden omdat de grondwet de vrijheid van onderwijs had afgekondigd. Tot dan toe waren er vrijwel uitsluitend openbare scholen geweest, die naast het aanleren van kennis en vaardigheden ook opvoedden tot ‘alle maatschappelijke en christelijke deugden’. Terwijl de katholieken de nieuwe grondwet wilden aangrijpen om eigen katholieke scholen op te richten, kwam Groen met het idee van de ‘gezindteschool’, wat inhield dat de openbare school het karakter moest kunnen aannemen van de dominante godsdienst ter plaatse. Maar dit voorstel werd door de Tweede Kamer afgewezen.
De wet op het lager onderwijs van het conservatieve kabinet-Van der Brugghen, die in 1857 werd aangenomen, zag Groen als een enorme nederlaag. Terwijl kerkgenootschappen geen enkele rol meer mochten spelen in het openbaar onderwijs, werd de in het oorspronkelijke wetsvoorstel bepleite subsidieregeling voor het bijzonder – lees: godsdienstig – onderwijs geschrapt.
Groen gaf demonstratief zijn Kamerzetel op. Vanaf dat moment werd de ‘schoolstrijd’ een splijtende kwestie die de Nederlandse politiek zestig jaar zou domineren. Groen probeerde de regeling voor het bijzonder onderwijs weer op de politieke agenda te krijgen, maar hij was in de eerste plaats een man van ideeën en geen groot organisator. Hij behoorde tot de maatschappelijke elite en was van mening dat ‘heren onder elkaar’ de zaakjes netjes moesten regelen. Alles wat naar ‘populisme’ zweemde was hem een gruwel.
