In De schat van de vrijheid, het nieuwe boek van Ellen Neslo, maakt haar verre voorouder Paulina de laatste eeuw van de slavernij mee: als slavin op de plantage en als vrijgekochte vrouw in Paramaribo. ‘Ze werd geboren zonder enige rechten, maar wist haar bestaan uiteindelijk zelf vorm te geven.’
Het boek De schat van de vrijheid is een biografie van Paulina van der Meer. Een slavin, en wat Ellen Neslo betreft geen ‘tot slaaf gemaakte’, zoals de term tegenwoordig vaak luidt. ‘Een slaaf of slavin is iemand die geen vrijheid kent en wordt onderdrukt. Dat is de betekenis van het woord. Het behoeft geen bijvoegsel. Onder invloed van Amerika hebben we “tot slaaf gemaakte” overgenomen. Weet je wat dat suggereert? Dat je ervoor kunt kiezen om slaaf te zijn. De toevoeging doet juist teniet wat er aan de orde is. Er waren echt geen vrijwilligers. Het is onzin om dat “gemaakt” erbij te zetten.’
Is dat de uitleg van u als jurist en antropoloog?
‘Zeker. Maar ik wil, hoewel geen taalkundige, ook de taal zuiver houden. Dat gemaakt zit in het woord slaaf.’

Moeten we ‘tot slaaf gemaakte’ niet meer gebruiken?
‘Als je dat gebruikt, geef je aan dat je niet beseft wat slaaf zijn feitelijk betekent. In mijn boek ervaart Klaas van der Meer dat hij niets te vertellen heeft over de twee kinderen die hij bij Paulina heeft verwekt, omdat de plantage vanaf de geboorte hun eigenaar is.’
Ellen Neslo is in de zevende lijn familie van Paulina, die in 1768 wordt geboren op de suikerplantage Santa Barbara, in een bocht van de Surinamerivier, bijna 25 kilometer onder Paramaribo. Het zijn roerige jaren, waarin slaven naar het oerwoud vluchten en zich daar in marron-gemeenschappen verenigen. Ze vallen plantages aan en vechten bloedige oorlogen uit met troepen van de kolonisator.

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Deze marron- of Boni-oorlogen eindigen in 1793. Datzelfde jaar arriveert schipper en meester-timmerman Klaas van der Meer vanuit Hellevoetsluis in Suriname. Er is werk genoeg voor hem, op tal van plantages. Ook op Santa Barbara, waar hij huisslavin Paulina leert kennen. Van het een komt het ander. In 1802 koopt hij haar en hun twee kinderen vrij. Eerst bij de plantage, daarna bij de overheid. De kosten: zo’n 1850 gulden, enkele jaarsalarissen.
Het gezin gaat wonen in de hoofdstad, waar vrijgekochte, gekleurde inwoners en witte Europeanen elkaar dan nog getalsmatig in evenwicht houden. Beide groepen tellen zo’n 2500 zielen. In de decennia daarna zal Paramaribo minder witte en veel meer gekleurde gezichten gaan tellen. Want eenmaal in vrijheid zoeken voormalige slaven hulp en wegen om familieleden vrij te kopen. Het duurt soms jaren eer ze het geld bijeen hebben. Neslo: ‘Deze mensen wilden niet wachten en gingen zelf aan de slag. Ze holden met hun ketting-manumissie de slavernij van binnenuit uit.’
In 1863 wordt die slavernij in Suriname bij letter afgeschaft. Paulina maakt het net niet meer mee. Zij overlijdt twee jaar eerder, 45 jaar na haar Klaas, die ze eeuwig dankbaar zal zijn geweest.
Waarom koos u uit uw vele familieleden juist Paulina voor een biografie?
‘Ik wilde sowieso over een vrouw schrijven. Mannen zijn ruim oververtegenwoordigd in de geschiedschrijving. Paulina heeft bijna een volle eeuw geleefd, de laatste eeuw van de slavernij. Ze maakte die mee als slavin én als vrije vrouw. In beide rollen had ze ruime ervaring. Tot op hoge leeftijd, waarschijnlijk tot aan haar dood, bleef ze bovendien geestelijk gezond. Ze wist wat ze deed. Zo heeft ze in de laatste fase van haar leven nog geprobeerd een van haar slaven vrij te maken. Toen ze besefte dat ze dat proces niet zou kunnen voltooien, heeft ze een vertrouweling ingeschakeld. En die heeft het na haar dood afgerond.’
De vrijgekochte slavin had zelf slaven. Zorgde dat voor wroeging?
‘In het begin misschien niet. Later wel, vermoed ik. Wat voor Paulina gold, gold ook voor anderen. Je kon er niet aan ontkomen. Als je iemand vrijkocht van de plantage, moest je hem of haar eerst in eigendom nemen. Je werd dus sowieso, als je dat zo wilt formuleren, tot dader, tot slavenhouder. In een volgende stap kon je naar de overheid voor de definitieve vrijheid.
‘Als je iemand vrijkocht, moest je hem of haar eerst bezitten’
Eenmaal een vrije vrouw moest Paulina haar plek ten opzichte van de huisslaven weten te vinden. Dat zal een worsteling zijn geweest. Klaas had behalve voor de huishouding ook slaven voor zijn timmerploeg, enkele tientallen, die op verschillende plekken voor hem werkten. De slavenmaatschappij was een gegeven. Je kon je niet zomaar distantiëren van het systeem.
Na de dood van Klaas bleef Paulina slaven houden. Die zijn relatief oud geworden: 68, 78, 88 jaar, terwijl de gemiddelde leeftijd 40 was. Het zijn geen harde bewijzen, maar het wijst op een redelijke behandeling. In de loop der jaren zullen haar morele dilemma’s groter zijn geworden.

Paulina is voor mij geen heilige, hoor, maar ik kon vaststellen dat ze in veel gevallen meewerkte als iemand een van haar slaven of slavinnen wilde vrijkopen. Je kon, zoals zij deed, een restrictie maken en zeggen: je mag hem of haar “kopen voor de vrijdom”. Het betekende dat de slaaf daadwerkelijk binnen drie jaar zijn definitieve vrijheid moest krijgen.’
Ze was familie van u, verre familie weliswaar. Riep dat bij u nog bijzondere emoties op?
‘Je kunt stellen dat ik de emotie vooraf had uitgeschakeld. Ik was gedreven om haar biografie zo clean mogelijk te voltooien en wilde opschrijven wat ik feitelijk tegenkwam in het onderzoek. Dat zorgde voor afstand.
Soms was ik toch geroerd. Dat gebeurde bijvoorbeeld als ik las wat voor namen slaven van de plantage meekregen. Namen als Matras of Helleveeg. Ik was blij dat Paulina niet zo’n naam had. Wellicht zullen veel slaven het niet hebben begrepen, maar het zegt wel iets over de naamgever. Vernedering bij naam, het greep me aan.’
U vond veel sporen van ‘een gewone vrouw’ in de archieven. Dat verbaasde u. Was Paulina wel zo gewoon?
‘In wezen wel. Ze werd als slavin geboren, zonder enige rechten. Die werden door de overheid en anderen ontkend. Ze was gedoemd om op de plantage te werken en daar te sterven. De vele sporen naar haar leven verbaasden mij omdat je in de archieven doorgaans veel informatie vindt over mensen, mannen vooral, die ertoe doen, die hoge functies hadden, rijk waren, een adellijke titel bezaten.
Achteraf kun je natuurlijk constateren dat Paulina bijzonder was. Ze heeft haar leven een wending gegeven en die met enorme veerkracht doorgezet. Vrijheid was voor haar een groot issue. Ze heeft aangestuurd op een toekomst voor haarzelf en haar kinderen. En wel op zo’n manier dat Klaas die niet kon ontwijken, niet wílde ontwijken. Klaas liep niet weg voor zijn verantwoordelijkheden. Hij was al jong wees, de oudste van het gezin, en op zijn 21ste schipper. Schippers hadden enorme verantwoordelijkheden. Voor hun mensen, voor de lading.

Na de dood van Klaas is Paulina haar vrijheid en leven vorm blijven geven. Ze kon met allerlei mensen omgaan. Er zijn voormalige slavinnen van haar oude plantage bij haar komen wonen, ze heeft andermans kind opgevoed, ze had contacten met Europeanen. Paulina investeerde in anderen, tegelijk ook in zichzelf. Ik sluit niet uit dat ze zo gefocust was op haar vrijheid en die van haar familie, dat ze nu en dan drammerig werd.’
Neslo deed eerder onderzoek naar de nauwelijks belichte vrije, gekleurde bevolking van Paramaribo tussen 1800 en 1863. Ze promoveerde in 2016 op Een ongekende elite. ‘Tot dan was nauwelijks onderzocht hoe vrije vrouwen met Europese mannen samenleefden. Er bestonden algemene vooroordelen. Ze zouden onderdanig zijn, waren concubines, hadden niets te zeggen. In mijn promotieonderzoek zag ik ook het tegendeel, namelijk dat er op den duur op een relatief gelijkwaardig niveau werd samengeleefd, dat je kon spreken van een emotionele relatie. Dat gold volgens mij voor Klaas en Paulina. Maar goed, in algemene zin zouden we hier nog verder onderzoek naar moeten doen.’
Hoe zag het Paramaribo van Paulina eruit?
‘Ik had verwacht dat er in die tijd een veel grotere segregatie zou zijn. Neem de Gravenstraat [tegenwoordig de Henck Arronstraat – red.]. Als je daar woonde, had je het gemaakt. Daar zullen alleen Europeanen een huis hebben, dacht ik vooraf. Met anderzijds alleen zwarte, gekleurde mensen aan de rand van de stad. Dat bleek helemaal niet zo te zijn. Zelfs in de Gravenstraat was het gevarieerd.
Je hoort altijd over kleur: hoe lichter, hoe beter. Dat kon ik niet helemaal staven. Er werd een administratie bijgehouden of slaven in Suriname waren geboren of dat ze zogenoemde zoutwater-negers waren. Die laatsten, nog in West-Afrika geboren, hadden de minste kans om zich te ontwikkelen. Ze kenden de taal niet, de cultuur niet, hadden geen familie. Maar ook zij vormden een groep, kochten hun mensen vrij. En ja, een enkeling woonde in die Gravenstraat.
Wat mij verder opviel toen ik indertijd aan mijn promotieonderzoek begon: je zag eerste- en tweederangsburgers en mensen die totaal geen rechten hadden, de slaven. De Europeanen die er zaten mogen dan anderen hebben onderdrukt en wellicht hebben gedacht dat ze de macht hadden, ze waren net zo goed slachtoffers. Want wie de ander ontmenselijkt, ontmenselijkt zichzelf.
‘Wie de ander ontmenselijkt, ontmenselijkt zichzelf’
Ik vind het belangrijk dat we de juiste geschiedenis kennen. We weten te veel van horen zeggen, we kijken te veel naar Amerika, waar onze literatuur vandaan komt. Naar de juridische kanten van de slavernij in Suriname daarentegen is weinig onderzoek gedaan. Ik heb me daar wel in verdiept. Als je de wetgeving in beide landen bestudeert, besef je dat die onvergelijkbaar is. Een voorbeeld? Nadat een slaaf in Suriname de volledige vrijheid kreeg, dus eerst van de plantage en daarna van de overheid, kreeg hij onmiddellijk burgerrechten. In Amerika hebben mensen pas in de jaren zestig van de vorige eeuw burgerrechten gekregen.’
Oordelen we te snel?
‘De nuance die ik wil aanbrengen: je moet niet zomaar vergelijken, je moet weten waar het over gaat. En daar wil ik nog iets aan toevoegen. Als we spreken over de erfenissen van de slavernij, dan hebben we het altijd over de negatieve gevolgen. Je kunt anderzijds net zo goed kijken naar de geweldige veerkracht van de mensen. Die werkt nog altijd door.

Een jaar of vijf, zes geleden is er een onderzoek in Utrecht gedaan waarbij studenten bestuurskunde betrokken waren. Het ging om een uitwisseling met Surinaamse studenten. Bij dat onderzoek viel op hoeveel initiatief die laatsten toonden bij het zoeken naar oplossingen voor een probleem. Dat vind ik echt een erfenis van die veerkracht van toen. Vrijgekochte slaven ontplooiden indertijd veel activiteiten. De kerken deden weliswaar aan ziekenzorg en armenbeleid, maar hun hulp was niet bestemd voor slaven of vrijgekomen mensen. Die hebben dat zelf opgeknapt. Ze hielpen elkaar, ze ontplooiden initiatieven. Er bestond een enorme zelfredzaamheid.’
Verdient ons beeld van de slavernij aanvulling?
‘Het ging er soms verschrikkelijk aan toe, absoluut, absoluut. Mishandeling, marteling, doodstraffen, dat weten we. En het mag niet terzijde worden geschoven. Hoe goed of minder slecht een eigenaar ook was, een slaaf kende geen vrijheid, het systeem was knechtend, onterend. Slavernij behoorde en behoort niet te bestaan. Maar ik wil voor het volledige beeld wel álle kanten van de historische werkelijkheid kennen en belichten.’
‘We vergelijken Suriname te veel met Amerika’
Kunt u een voorbeeld geven van die werkelijkheid waar u op doelt?
‘We spraken er eerder over: een kind behoorde bij geboorte toe aan de plantage, niet aan vader of moeder. Een slaaf was een “zaak”, zoals je dat in het recht noemt. Hij was roerend goed. Dat klinkt heel eng, want je bent dan een ding. Het bood anderzijds bescherming. Wanneer de plantage werd verkocht, moest de eigenaar in principe alle bezittingen verkopen, niet de helft. Alle slaven: dus én kind én moeder. Families werden niet gescheiden.
Daar zie je ook een tegenstelling met privéslaven, zoals je die in Paramaribo tegenkwam. Op blote voeten, want slaven mochten van de overheid geen schoenen dragen, al werd het vaak gedoogd. Ze stonden op de markt in opdracht van hun eigenaar, ze werkten als timmerman of wasvrouw, konden bijverdienen, moesten voor zichzelf zorgen. Op plantages hadden slaven een kostgrondje, in de stad verdienden ze wat geld en hadden ze meer vrijheid. Ze liepen anderzijds grotere risico’s, want met privéslaven kon een eigenaar doen wat hij wilde. Zo konden dus wel families uit elkaar worden gerukt.’
Heeft Paulina iets meegekregen over de afschaffing van de slavernij?
‘Ja, vast wel. Ze overleed twee jaar eerder, in 1861, maar er is een lange discussie geweest over de afschaffing. Over het ontbreken van werkkrachten, over compensatie voor de eigenaren van de plantages. Tussen 1843 en 1850 werden er allerlei data genoemd voor de afschaffing. In 1860 besloot de Nederlandse overheid: we gaan het op 1 juli 1863 doen. Toen begonnen de kranten erover te schrijven en werd erover gepraat.’
Moet ik uw boek zien als een ‘algemene’ biografie van de vrijgekochte slaaf?
‘Nee, ik vind het echt een biografie van Paulina. Haar ervaringen zijn leidend geweest, door haar ben ik zaken gaan uitzoeken. Zij was de motor waardoor ik breder onderzoek ben gaan doen.
Na mijn promotie in 2016 benaderde de uitgever mij of ik een roman wilde schrijven. Ik ben met het idee gaan spelen, kwam erachter dat ik veel over Paulina en Klaas kon terugvinden. Mijn eerste versie hinkte te veel op twee gedachten: roman en biografie. Ik heb toen voor het laatste gekozen en ben opnieuw aan de slag gegaan. Het heeft een extra jaar gekost. Met het resultaat ben ik heel blij. Een roman zou Paulina tekortdoen. Ik heb me nu helemaal kunnen richten op de archieven en de feitelijke reconstructie van haar leven. Dat biedt meerwaarde. Bij een roman ben je bezig met dingen die afleiden.’
In de Historische BoekenCast vertelt Ellen Neslo meer over haar onderzoek:
Ellen Neslo
(1959) volgde de lerarenopleiding wiskunde in Paramaribo en later wiskunde en godsdienst in Amsterdam. Vervolgens studeerde ze rechten aan de Universiteit Utrecht en promoveerde in 2016 op een juridisch-antropologisch onderzoek naar de opkomst van de vrije, gekleurde bevolking in Paramaribo tussen 1800 en 1863. Datzelfde jaar verscheen haar studie Een ongekende elite in boekvorm.
Neslo werkte vanaf 1999 in verschillende functies bij de Universiteit Utrecht, onder meer als bestuurssecretaris. Inmiddels heeft ze afscheid genomen.
Onlangs verscheen De schat van de vrijheid (367 p. Hollands Diep, € 22,99).

