De Hongaarse premier Viktor Orbán schurkt tegen Poetin aan, maar dat lijkt hem in eigen land nauwelijks te deren. Koesteren de Hongaren geen wrok over het neerslaan van de Hongaarse Opstand in 1956?
Toen de Hongaarse bevolking zich in 1956 probeerde te ontworstelen aan het Sovjet-communisme, stuurde Jozef Stalin tanks naar Boedapest. Honderden burgers kwamen om het leven en duizenden sloegen op de vlucht. Historicus Marian van der Pluijm legt uit dat Hongaren dat verleden niet vergeten zijn, maar dat Orbán toch een pro-Russisch buitenlandbeleid kan voeren. ‘Hij noemt zichzelf pro-vrede en schildert Oekraïne en de EU af als pro-oorlog. Daarmee raakt hij kiezers op een psychologische plek: zij willen niet meegesleept worden in een oorlog van anderen.’
Orbán herhaalt graag dat Hongarije in het verleden herhaaldelijk onder de voet is gelopen door grote machten. Maar juist daarom is 1956 ‘een zwakte in zijn propaganda, een voelbare paradox’, zegt Van der Pluijm. ‘Twee jaar geleden vergeleek een van zijn politiek adviseurs de Oekraïense vrijheidsstrijd met die van de Hongaren in 1956 om het punt te maken dat grootschalige weerstand tegen de Russische grootmacht zinloos is. Hij zei dat de Hongaren veel voorzichtiger waren dan de Oekraïners: zij wilden geen oorlog en gaven zich daarom over. Daar kwam zo veel kritiek op, dat zelfs Orbán zich ervan moest distantiëren, iets wat hij bijna nooit doet.’
Met zijn pro-Russische beleid heeft Orbán bovendien een opvallende draai gemaakt, want hij werd ooit populair dankzij zijn anti-Russische sentiment. ‘In 1989 werd opstandsleider Imre Nagy herbegraven. De jonge Orbán gaf daarbij een bevlogen, anti-Russische speech. Onder de Youtube-video van die toespraak staan rake reacties als “De Orbán van toen zou de Orbán van nu in het gezicht spugen”.
Nu de verkiezingen dichterbij komen valt oppositiekandidaat Peter Magyar de premier aan op zijn hypocrisie, zegt Van der Pluijm. ‘Orbán heeft nationale symbolen naar zich toegetrokken, maar Magyar daagt hem daarin uit. Hij valt Orbán erop aan dat hij sinds 1989 zijn idealen is verloren en de erfenis van 1956 verraden heeft. De oppositiebeweging die zijn partij in gang heeft gezet, ziet hij als de ware opvolgers van de “vrijheidsstrijders” van 1956. Hij heeft zelfs overwogen om het symbool van de Hongaarse Opstand, de vlag met een gat erin, tot zijn partijlogo te maken. Door deze tegenstand is Orbán met reden zenuwachtiger dan vier jaar geleden.’
