Home Nederlandse zoeaven streden voor de paus

Nederlandse zoeaven streden voor de paus

  • Gepubliceerd op: 15 september 2023
  • Laatste update 18 sep 2023
  • Auteur:
    Gaby Craninckx
  • 5 minuten leestijd
Nederlandse zoeaven streden voor de paus

Wie waren de zoeaven?

‘De zoeaven vormden vanaf 1861 een infanterie-eenheid voor de paus, want die zat in de verdrukking. Het nieuw opgerichte Italië wilde Rome als hoofdstad inlijven, maar dat was toen nog een soevereine, pauselijke staat. Paus Pius IX riep daarom katholieken wereldwijd op hem te helpen in zijn strijd tegen Italië. Vanuit de hele wereld gingen meer dan 9000 katholieke jongens naar Rome om voor hem te vechten, onder hen waren 3000 Nederlanders.’

Waarom meldden zo veel Nederlanders zich als zoeaaf?

‘In het begin was het een behoorlijk Frans georiënteerde eenheid, want Frankrijk was een belangrijke bondgenoot van de paus. Maar toen Frankrijk in 1866 zijn troepen weghaalde uit Rome na een akkoord met Italië, had de paus behoefte aan een veel groter zoeavenleger om zichzelf te beschermen. Daardoor nam de werving wereldwijd toe. In Nederland werden twee mannen heel actief in de werving van zoeaven: pastoor Willem Hellemons uit Oudenbosch en pater Cornelis de Kruijf uit Amsterdam. Vanaf dat moment namen de aanmeldingen enorm toe. Bovendien werden de successen die de Nederlandse zoeaven behaalden breed uitgemeten in de katholieke pers. Zo gingen er meer Nederlanders naar Rome om te delen in die successen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘De jongens wilden iets van de wereld zien en de paus ontmoeten’

De zoeaven zelf schreven vooral over vrome motieven: hun wil om de paus te helpen, te strijden voor het geloof, en martelaar te worden. Maar ze hadden ook andere redenen. Zo speelden familiebanden mee, omdat een zoeaaf zegeningen, status en eer kon bereiken voor de hele familie. Ook groepsdruk vanuit de omgeving speelde een rol. Pastoors wezen jongeren op de successen van anderen uit hun omgeving. En dan was er de behoefte aan avontuur van de jongens. Ze wilden ontsnappen aan het dagelijkse leven, iets van de wereld zien en de paus ontmoeten.’

De Nederlandse sergeant Ignace Wils rond 1867, op achttienjarige leeftijd. Bron: Zouavenmuseum Oudenbosch.

Wat troffen de zoeaven aan in Rome?

‘Ze verwachtten dat ze in een actief conflict terechtkwamen, waarbij ze de paus moesten beschermen en de kans kregen om hun bloed te laten vloeien. Maar toen ze daar aankwamen, bevonden ze zich in een bevroren conflict waarin geen actieve strijd gaande was. Dus vulden de zoeaven hun dagen met andere taken: wachtlopen, de paus beschermen bij evenementen, struikrovers opsporen, of ontspanning zoeken in en rondom Rome. Ze bezochten kerken, gingen naar zee, sportten en speelden spellen. Natuurlijk zijn er wel een aantal gedeserteerd, maar ze hadden gewoon een contract getekend en strafmaten lagen hoog. Het merendeel van de zoeaven was vrij arm en had niet de middelen om te vertrekken.’

Waarom hebt u de persoonlijke ervaringen van vier zoeaven uitgelicht?

‘Het leek me een aansprekende vorm om via levensgeschiedenissen te vertellen. Er zijn boeken in verschillende talen geschreven over de zoeaven, maar daarin komen ze zelf nauwelijks aan het woord. Ik wilde Nederlandse zoeaven daarom vanaf het vertrek vanuit Nederland tot aan hun sneuvelen of terugkeer helemaal volgen. Zo kon ik nagaan of hun ideeën veranderden of hetzelfde bleven, wat de verwachtingen en de werkelijkheid waren, wat de persoonlijkheden van de zoeaven waren, en hoe hun netwerken in elkaar zaten. Juist door in te zoomen op individuen kon ik meer zeggen over het geheel.

‘De zoeaven waren een voorbeeld voor de katholieke jeugd’

De keuze voor deze vier was praktisch.Franciscus Gerardus Aghina en Gilbertus Theodorus Gijsbers koos ik vanwege hun geografische komaf: een uit Oost-Brabant en een uit Noord-Holland – uit beide regio’s kwamen veel zoeaven. En Ignatius Marie Petrus Alphonse Wils en Petrus Johanneszoon Jong omdat zij de beroemdste zoeaven waren van Nederland.’

Hoe werden de zoeaven bij thuiskomst ontvangen?

‘In eigen kring werden ze als helden onthaald. Er zijn verhalen bekend van zoeaven die opgehaald werden op het station met de pastoor, de harmonie en veel mensen erbij. Ook werden ze daarna vaak uitgenodigd voor katholieke plechtigheden en festiviteiten. Ze waren een voorbeeld voor de katholieke jeugd vanwege hun volgzaamheid, deugdzaamheid, opofferingsgezindheid en loyaliteit. Dat in combinatie met hun verhalen en opvallende uniformen, maakte hen aansprekende figuren binnen de eigen gemeenschap. Wel werden de terugkerende zoeaven staatloos. Als je in vreemde krijgsdienst ging, verloor je je Nederlanderschap, want je kon als Nederlander niet loyaler zijn aan een buitenlandse heerser dan aan de Nederlandse koning. Maar de zoeaven zagen zichzelf als loyaal aan beide.’

Waardoor zijn de Nederlandse zoeaven vergeten?

‘Het is een verliezersgeschiedenis van een minderheidsgroep. Het is een rooms-katholieke geschiedenis die bekend was tot aan de jaren veertig à vijftig van de twintigste eeuw. Maar door de afnemende kerkelijkheid van Nederland en de secularisering van de jaren zestig verdween het collectieve geheugen van het katholicisme. Deze geschiedenis hangt samen met één bevolkingsgroep, die niet dominant was in het nationale verleden van Nederland.’

Koen de Groot (1992) is historicus gespecialiseerd in kerkgeschiedenis. In 2019 won hij de VNK-scriptieprijs voor zijn masterscriptie over pauselijke zoeaven onder Pius IX. Martelaren voor de paus is zijn eerste publicatie.

Martelaren voor de paus. De vergeten geschiedenis van de Nederlandse zoeaven
Koen de Groot
328 p. Uitgeverij Prometheus, € 25,99

Openingsbeeld: De bres bij de Porta Pia door Archimede Tranzi, 1882. Bron: Museo di Roma.
Auteursfoto: David van Dartel.