Home Muntunies kunnen tegen een stootje

Muntunies kunnen tegen een stootje

  • Gepubliceerd op: 16 maart 2010
  • Laatste update 24 jan 2023
  • Auteur:
    Bas Kromhout
  • 3 minuten leestijd

Door de financiële problemen in Griekenland en andere mediterrane landen liep het vertrouwen in de euro deuken op. Sceptici voorspelden in 2010 het einde van de Europese eenheidsmunt en beweerden dat muntunies in het verleden nooit een lang leven beschoren was. Marcel van der Beek, conservator bij het Geldmuseum in Utrecht, nuanceert dit.

‘Je mag de Europese muntunie natuurlijk niet vergelijken met muntunies in de Middeleeuwen, toen staten nauwelijks invloed op de economie uitoefenden. Bovendien zijn er ook toen wel degelijk succesvolle muntunies geweest. Zo werd in 1433 in de Bourgondisch-Spaanse Nederlanden een eenheidsmunt geïntroduceerd. Zowel de eigen muntslag als de koersen van buitenlandse muntstukken waren in alle landen gelijk.

De Bourgondische muntunie overleefde moeilijke tijden. In de jaren 1460 werden in Centraal-Europa nieuwe zilverlagen geëxploiteerd en vanaf 1540 kwam de stroom zilver uit Zuid-Amerika op gang. Dat zette het muntstelsel onder spanning. Desondanks wist de unie stand te houden tot het uitbreken van de Nederlandse Opstand. Toen kregen de provincies weer het recht om naar eigen inzicht munten te slaan en werd het weer een chaos.

Eveneens succesvol was de serie muntunies die de tientallen Duitse staten sloten in de negentiende eeuw. In dit geval was er geen sprake van een eenheidsmunt, maar circuleerden er meerdere muntsoorten. De belangrijkste was de taler, waarvan de stabiliteit werd gewaarborgd door de Pruisische centrale bank. Historische muntunies waren het sterkst wanneer één grote staat als stuwende kracht optrad.

In 1865 kwam de Latijnse Muntunie tot stand tussen België, Frankrijk, Italië en Zwitserland. De Franse franc bevatte evenveel zilver als de Italiaanse lira en de munten waren in elk land geldig. In 1868 kwam Griekenland bij de unie, maar dat land moest deze na een jaar weer verlaten. Voorwaarde was namelijk dat papiergeld één op één inwisselbaar moest zijn tegen metaalgeld. Conflicten op de Balkan bracht de Griekse regering in geldnood, die zij bestreed met ongedekt papiergeld. Ook Italië was een tijdlang lid-af, toen dat land in 1866 in oorlog raakte met Oostenrijk. Het was dus mogelijk om landen die niet aan hun begrotingsverplichtingen voldeden, uit de unie te zetten.

De Latijnse Muntunie functioneerde goed tot de Eerste Wereldoorlog. Toen kwamen alle lidstaten in financiële moeilijkheden en gingen ze op grote schaal papiergeld drukken, waardoor er twee muntsoorten naast elkaar ontstonden. Het papiergeld daalde in waarde door inflatie en mensen stopten hun metaalgeld in een oude sok. Officieel werd de unie pas in 1926 opgeheven.

Monetaire unies in het verleden konden dus best tegen een stootje. Pas bij echt ernstige crises zoals een wereldoorlog vielen ze om.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.