• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 5/2012

    Mme K.

    Door: Steffie van den Oord

    Hélène Kibitz wilde vooral vrij zijn. Maar tot drie keer toe werd  de sprankelende Amsterdamse opgesloten: wegens ‘lichtzinnigheid’ in een R.K. Observatiehuis voor Meisjes, in een ongelukkig huwelijk, en ten slotte in het Judenlager Drancy, in bezet Parijs. Acht decennia later lijken die tragische gebeurtenissen het ‘meisje van een eeuw’ er niet onder te hebben gekregen.

    Hélène Kibitz was de elegantste honderdjarige die ik ooit ontmoette. Haar zilveren haren zaten in model, haar wenkbrauwen waren sierlijke streepjes in een verbaasd boogje, en wie in haar ogen keek zag Parijs: niet in de oorlogsjaren, maar juist daarvoor, in de jaren dertig – verbazingwekkend sprankelend. Want uit verdriet was ze ver voor de oorlog naar Frankrijk vertrokken.

    Honderd-en-een-half was ze, en koket. Soms in de war, dat wel, maar zelfs dat met élégance en zwaar Frans accent. ‘Aan jammer doe ik niet,’ verklaarde ze koppig. ‘Want dat elpt me niks.’ Een soort ‘Non, je ne regrette rien’. Edith Piaf had ze al horen zingen toen die nog beroemd moest worden, en dat was slechts een zijlijntje in het avontuurlijke, tragische en toch zo lange leven van Hélène Kibitz.

    Hoe dat kon? Gevlekt en charmant draaiden haar handen om elkaar heen: zo, legde ze uit, werd er een laagje overheen gelegd; ‘de decennia’ deden dat voor haar. Daarom stond de oorlog, die haar deed belanden in een warenhuiskamp in Parijs, niet in haar ogen te lezen. Dat vertikte ze. Precies Piaf, die zong: ‘Je m’en fous du passé!’


    Soms drong het verdriet toch binnen, rauw als de stem van Piaf in de straten van Parijs, dwars door alles heen. Maar dan was er altijd nog de oude rolstoel in de gang van het tehuis, en dan was er soms iemand die Hélène naar buiten reed, de Amsterdamse lente in; die zoog ze op. De zon tatoeëerde een blos op haar wangen. Dan werd ze een meisje van een eeuw.

    Een eeuwig ‘Groote-stadsmeisje’ – want daar was het mee begonnen, in 1927. ‘Het is een nieuw type onder de meisjes: het Groote-stadsmeisje dat verwaarloosd wordt en dat uit zich zelf nimmer zich zelf zal vinden,’ werd bezorgd beschreven in brochures. ‘Het leven in de snelle city is zoo vervlakt, zoo geërotiseerd door dancing, kino, automobiel.’

    Er is een verband tussen Hélènes leven in 1927 in Amsterdam en haar oorlogstijd in Parijs, 1943: ze wilde vrij zijn, maar werd opgesloten. Dit verband ontdekte ik pas na haar dood, in de archieven. Hélène Kibitz overleed voordat ze mij alles verteld had, en voordat ik haar nog meer had kunnen vragen, over de jaren twintig, die gevolgen bleken te hebben tot in de oorlog. Haar bevrijding zou pas komen in 1946. Daarover vertelde ze het liefst, aan iedereen, telkens weer.

    Als ze op haar honderdste charmant was, moet ze op haar zeventiende onweerstaanbaar zijn geweest. In het Amsterdam van de roaring twenties was ze dol op de Black Bottomdance – charlestonvariaties. Ze was lid van een dansclub en deed stof opwaaien door als ‘tweede dienstbode’ uit te gaan tot in de vroege uurtjes. Ze was minderjarig, afkomstig uit een straatarm, uit Genève teruggekeerd Frans-Amsterdams gezin dat op een bijna onbewoonbare zolderkamer leefde in de donkere Sint-Pietershalsteeg. Tussen sigarendrogerijen, het decor van een roman van Zola.

    Hélène verslond zijn boeken. Tussen het dweilen en boenen door, uit de boekenkast van haar Mevrouw op de Koninginneweg. Letterlijk een van de redenen waarom ze volgens haar voogdes te ‘lichtzinnig’ was en ‘zedelyk en moreel gevaar’ liep. Andere aanklachten: ze maakt zich op, is brutaal ‘zonder blikken of bloozen’, ze heeft ’t land aan huishoudelijk werk. Conclusie: ‘Ze dreigt op te groeien voor prostituee.’

    De allereerste kinderrechter van Amsterdam kwam eraan te pas. Hélène werd opgepakt en opgesloten in het R.K. Observatiehuis voor Meisjes ‘Maria Immaculata’ in Bloemendaal. Ook al was ze ‘in strikte zin geen Observatiegeval’.

    Een twijfelgeval. Met de schijn tegen. Dat is tot in detail te lezen in de stukken die ik met toestemming van de familie mocht inzien, omdat ze na meer dan 75 jaar openbaar waren geworden. Franstalige smeekbedes van haar moeder aan de minister – Donner – konden niet voorkomen dat Hélènes verblijf in het Observatiehuis werd verlengd. Toen ze eenmaal onder toezicht was gesteld, had de ‘moderne’ hulpverlening van de jaren twintig haar in haar greep.

    Daarom besloot ze te trouwen, in 1928. Dan was ze vrij. ‘Te jong, en te vlug,’ zei ze meer dan acht decennia later. Hens Erdtsieck leek een goede partij: een iets oudere bouwkundig tekenaar bij een gerenommeerd bureau, met artistieke aspiraties. En met als hobby fotografie.

    Het album van het korte huwelijk toont een comfortabel leven in een van de gloednieuwe Amsterdamse School-appartementen in de Hoofddorppleinbuurt, met hun dochtertje Carry. Vrij – maar gevangen in een ongelukkige echtverbintenis. Het nieuwste speelgoed, tochtjes per fiets, automobiel, gordijnen met abstracte patronen, maar nergens kijkt Hélène erg gelukkig.

    De echtscheidingsstukken tonen de moraal uit die tijd. Hij beschuldigt haar van overspel, zij hem van homoseksualiteit – toen een vreselijk verwijt, iets onmogelijks. Het wordt een vechtscheiding. En uiteindelijk krijgt Erdtsieck de voogdij over Carry. Vanwege de stukken uit de jaren twintig, het ‘geheime rapport’ van de Kinder Politie uit haar Observatiehuis-periode, dat haar kansloos maakt. Het advies van de kinderrechter: zij deugt niet. Hij wel.

    Uiteindelijk verbiedt Erdtsieck haar hun dochtertje te zien en vlucht Hélène naar Parijs, waar haar zus woont. De enig denkbare plek om Carry te kunnen vergeten – dat probeert ze tenminste. In Montmartre, waar ze een nieuw leven begint, leest en danst ze, en als gescheiden vrouw vindt ze werk als naaister, later als tandartsassistente. En met Piaf op de achtergrond wordt ze verliefd op René Lathiere, een slager uit Les Halles die goed kan dansen. Ze is veerkrachtig: ‘Maar een kind is iets dat van jou is, een deel van jezelf – verloren…’ Op haar honderdste vond ze er nog geen woorden voor.

    Een sprong naar 1943: Hélènes minnaar, de slager, wordt vanwege zwarthandel opgepakt. Le marché noir is geaccepteerd onder de bevolking van Parijs, waar je op bonnen zou verhongeren. Zelfs de Contrôle Économique bewonderde openlijk de zwarte markt die ze bestreed, vanwege de corruptie en desorganisatie van het distributiesysteem. Tegelijkertijd wordt de – beter georganiseerde – zwarthandel bestraft, vrij willekeurig.

    Lathiere komt maar niet terug; de honger wordt erger, en Hélène besluit te vertrekken: naar het zuiden, naar Vichy. Naar de Zone Nono – non-occupée – de vrije zone, die alsnog bezet was en nu de Zone Sud heette. ‘Daar zou het leven niet beter zijn, maar normaler. Vrijer.’ Hoopte ze. En ze zei: ‘Te luchtig had ik gepakt.’ Met Nice op haar netvlies. Een duik nemen in de Mediterranée; in haar koffer een badpak, boeken, zwarte zeep.


    Drancy

    In een onduidelijke periode, waarin speciale papieren niet nodig zouden zijn, en daarna toch weer wel, nadert Hélène de grens die Frankrijk in tweeën snijdt: la ligne de démarcation/ Demarkationslinie. In het stadje Vierzon staat de kerk in de bezette zone en ligt het kerkhof in de vrije zone; hele families zijn van elkaar afgesneden. Daar, in de trein, wordt Hélène gecontroleerd, in het bezit van slechts die ene koffer met weinig kleding en een oud, ongeldig persoonsbewijs. Niet langer Hélène Erdtsieck, maar Hélène Kibitz.

    Hélène wordt eruit gepikt. Ze wil haar blokken zeep van de zwarte markt al afgeven; die zullen verdacht zijn. ‘Zeep?!’ Een Duitse functionaris schiet in de lach, kijkt haar aan. En zegt dan: ‘U bent een Jodin.’

    Ze wordt weggevoerd naar een voorstad van Parijs, naar een met prikkeldraad omgeven wooncomplex: nooit opgeleverd, onaf, overbevolkt. Door gewone gendarmes bewaakt, hun geweer losjes over de schouder.

    Zoals ze met haar handen toonde hoe de decennia een laagje hadden gelegd over de doses verdriet in haar lange leven, zo verbeeldde Hélène Kibitz haar gevangenschap in Drancy door te gaan staan zoals ze daar gestaan had. Op appèl. Haar wankele benen in vleeskleurige kousen een stukje uit elkaar, in rust: ‘Brunner, lelijke rotzak, zei: “Je n’ai pas encore dit ‘repos’.” Ik heb nog géén rust gezegd. Ik dacht: je kunt me wat. Je m’en fous! Ik was niet achterlijk en bleef stáán. Precies zoals ik stond. En toen…’ – ze doet het voor en wankelt – ‘… toen schopte hij me zó tegen mijn scheenbeen. Ik gaf geen kik.’ Om daarna luchtig te verklaren: ‘Het was geen Nice.’
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen