• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2011

    Lessen uit het verleden: Aandacht voor verleden compenseert identiteitscrisis

    Jo Tollebeek: ‘Overeenkomsten met geschiedenishausse in de negentiende eeuw’

    Door: Bas Kromhout

    Nederlanders zijn de afgelopen jaren gefascineerd geraakt door het (eigen) verleden. Het succes van twintig jaar Historisch Nieuwsblad is hiervan een bewijs. Een vergelijkbare hausse aan historische belangstelling deed zich voor in de negentiende eeuw. Volgens Jo Tollebeek, hoogleraar cultuurgeschiedenis vanaf 1750 aan de Katholieke Universiteit van Leuven en een autoriteit op het gebied van de negentiende-eeuwse geschiedbeoefening, werd de geschiedenisgekte in Nederland ingegeven door een nationale identiteitscrisis.

    ‘De negentiende-eeuwse belangstelling voor geschiedenis begon bij een kleine groep wetenschappers en letterkundigen, met name rond het tijdschrift De Gids. Literaire genootschappen, tijdschriften en universiteiten stimuleerden nieuwe studies naar het verleden. In 1860 werd aan de Leidse universiteit de eerste leerstoel voor vaderlandse geschiedenis opgericht. De overheid hield zich afzijdig, maar historici en politici hadden een hechte band. Hoogleraar Robert Fruin zat in een uitgebreid liberaal netwerk.

    Maar de historische hoogconjunctuur was niet voorbehouden aan een kleine liberale elite. Via herdenkingsmanifestaties en het oprichten van standbeelden werden brede lagen van de bevolking aangesproken. Volgens het traditionele beeld waren Nederlanders een onromantisch volk. Maar als je goed kijkt, klopt dat niet. Net als elders in Europa werden in Nederland op grote schaal historische romans verspreid en gekostumeerde bals gehouden, waarvoor de gasten zich kleedden als historische beroemdheden.

    Het culturele nationalisme van de negentiende eeuw was een breed Europees verschijnsel, maar de Nederlandse variant had eigen oorzaken. Er bestond twijfel aan de eigen identiteit. Onmiddellijk na de onafhankelijkheid van België in 1830 waren veel Nederlanders somber over de toekomst van hun kleine staat. Als tegenbeeld voor de eigen machteloosheid greep men terug op de Republiek van de zeventiende eeuw. Het begrip “Gouden Eeuw” dook toen op.

    In de loop van de negentiende eeuw werd de belangstelling voor het vaderlandse verleden nog gestimuleerd door de emancipatie van bepaalde groepen in de maatschappij. De katholieken wilden bijvoorbeeld bewijzen dat ook zij altijd echte Nederlanders waren geweest en geen verraders van de nationale zaak. Zij kwamen met een alternatief voor het tot dan toe dominante, liberale geschiedbeeld. Hetzelfde gold voor de calvinisten.

    Die concurrerende versies van de geschiedenis leidden soms tot grote conflicten. Wie hoorden er bijvoorbeeld thuis in het verhaal over de Tachtigjarige Oorlog: alleen de protestantse Geuzen, of ook de katholieke Martelaren van Gorcum? Zulke twistpunten leidden soms tot gescheiden herdenkingen.
    Aan het einde van de negentiende eeuw begon men de vele partijtwisten te ervaren als een bedreiging voor de nationale eenheid. Opnieuw moest de vaderlandse geschiedenis uitkomst bieden. Vooral de rol van de Oranjes als bindmiddel kreeg nadruk.

    Het verschil met onze huidige tijd is niet zo heel groot. In de Nederlandse politiek is opnieuw onzekerheid over de nationale identiteit en weer kijkt men naar het verleden voor compensatie. Het is geen toeval dat een aantal politici plotseling heeft bedacht dat er een Nationaal Historisch Museum moet komen. Dat er vervolgens een discussie losbarst over de vraag hoe zo’n museum eruit moet zien, is al evenmin een verrassing.’