• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 2/2009

    Koningin Juliana (1909-2004)

    Maatschappelijk werkster van Nederland

    Door: Paul van der Steen

    Een dossiervreter werd koningin Juliana nooit. Ze bevroeg haar ministers liever over de gevolgen van beleid voor ‘gewone mensen’. Het beeld van de moederlijke koningin klopt: met de honderd jaar geleden geboren Oranje had Nederland tussen 1948 en 1980 een sociaal bewogen en vaak emotionele vorstin op de troon.

    ‘Ík bén níét cónsérvátief!’ Prinses Juliana verheft haar stem en slaat met de vuist op tafel. Prins Bernhard hoort het aan en schudt vrijwel continu het hoofd. NOS-verslaggeefster Maartje van Weegen maakt in 1987 misschien wel het meest gedenkwaardige interview met het echtpaar. ‘Ik ben altijd vooruitstrevend geweest,’ bezweert Juliana. ‘Ik heb altijd het land gehad aan alles wat conservatief en ouderwets was. Ik doe mijn leven lang mijn best om niet ouderwets te worden. Er zijn natuurlijk dingen die ik niet leuk vind tegenwoordig, maar er waren vroeger ook ontzettend veel dingen die ik niet leuk vond, en ik geloof niet dat mensen slechter worden dan ze waren. Er is zeker een evolutie aan de gang. Dat geloof ik zeker.’

    Piet de Jong, minister-president tussen 1967 en 1971, zegt zelfs te geloven dat Juliana in de roerige jaren zestig met de protesterende jongeren mee de straat op zou zijn gegaan, als ze jonger en niet van koninklijken bloede was geweest. Willem Aantjes heeft gesuggereerd dat de koningin de hand heeft gehad in de totstandkoming van de meest linkse ministersploeg aller tijden, het kabinet- Den Uyl (1973-1977). Zij zou de ideeën van de fractievoorzitter van de antirevolutionairen tijdens een gesprek ten paleize dusdanig hebben bijgesteld dat die vertrok met de aanbeveling om het nog maar eens met PvdA, PPR en D66 te proberen. ‘Voor ik de deur uit ging zei Juliana nog: “Het is úw advies, hoor.”’ Aantjes noemt het later een knap staaltje van ‘schuilevinkje spelen achter de troon’.

    Nog meer dan ‘progressief’ lijkt ‘sociaal’ een juiste omschrijving van Juliana’s opstelling als vorstin. In het al aangehaalde televisie-interview vraagt Maartje van Weegen naar het beroep dat ze gekozen zou hebben als ze geen koningin was geworden. ‘Maatschappelijk werkster,’ antwoordt de oud-koningin zonder aarzelen. Haar optreden als staatshoofd draagt er een beetje de sporen van.

    Ook politieke vraagstukken vertaalt ze het liefst naar de alledaagse praktijk. Discussies met een hoog abstractiegehalte weten haar veel minder te boeien. Premiers en vakministers die bij Juliana op gesprek komen, zingt ze los van het jargon dat ze in Haagse kringen bezigen.
     

    Zijlstra

    Jelle Zijlstra komt eerst op visite als minister van Economische Zaken en Financiën, en later als minister-president. Heeft hij het over economische problemen, dan wil zij horen over de gevolgen voor mensen. ‘Is dat juist? Is dat rechtvaardig? Kán dat wel?’ Lubbers heeft als minister van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl soortgelijke ervaringen. Juliana taalt niet naar ‘de analyse van een econoom’. Ze heeft haar geheel eigen benadering: ‘Veel menselijker, ook preciezer, onverwachte cijfers vragend, andere invalshoeken. Het was koninklijk en menselijk tegelijk, omdat zij sprak van iemand in de samenleving, eigenlijk met de ondertoon van: “Zeur mij niet over de economie, maar dít interesseert mij eraan, en hoe zit dat nou in elkaar?”’

    Als Nederland op 1 februari 1953 wordt getroffen door een grote watersnoodramp, heeft Juliana lak aan een koninklijke verschijning en gaat ze met laarzen en hoofddoek het getroffen gebied in. In daaropvolgende overleggen met minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera en diens ambtenaren dringt ze aan op openbaarmaking van de feiten rond de stormvloed en erkenning van de gemaakte fouten – niet tot ieders vreugde op het departement.

    Het doordenken over de consequenties voor burgers van kabinetsmaatregelen maakt soms dat de vorstin een afwijkend standpunt inneemt. Zo protesteert ze tegen de plannen van het kabinet-Den Uyl voor autoloze zondagen tijdens de oliecrisis in 1973. Van zo’n initiatief zullen de ouden van dagen het slachtoffer worden. Zij zullen op de betreffende dagen vergeefs wachten op familiebezoek.

    Serieuzer is haar verzet tegen het weigeren van een Zuid-Afrikaanse delegatie op de Paralympics in Arnhem in 1980. Een boycot tegen het apartheidsregime heeft de koninklijke zegen, maar blanke, gehandicapte sporters mogen daar niet het slachtoffer van worden. Premier Van Agt wordt een middag lang over het onderwerp doorgezaagd.
     

    Spruitjes

    Moeder Wilhelmina was eigengereid genoeg om menig minister een zware tijd te bezorgen. Dochter Beatrix geldt als een vorstin van haar tijd, CEO van de BV Nederland, die haar dossiers tot in de puntjes beheerst en bewindslieden stevig weerwerk geeft. Juliana gaat de geschiedenis in als de majesteit die liever mevrouw werd genoemd.

    Dat een lookalike van de vorstin in een televisieshow van Barend Servet spruitjes schoonmaakt, zorgt begin jaren zeventig voor een flinke rel, maar achteraf zegt die scène veel over de aura van huiselijkheid die rond de moeder der natie hangt. Van Agt, die haar in eerste instantie bezoekt als minister van Justitie en later als minister-president: ‘Het stuur geven aan staatszaken is niet het eerste waar ik aan denk. Wél de morele inspiratie, de liefdevolle uitstraling. Ze was een liefdevolle koningin, vredevol.’

    In de meeste gevallen kent Juliana haar staatsrechtelijke plaats. ‘Nieuwe ministers zijn grappige mensen,’ schrijft ze in 1951. ‘Ze zien ongehoorde mogelijkheden, willen wonder wat bereiken. Voorts vinden ze mijn opinie belangrijk!!!!!!’ Een overdreven gewicht toekennen aan haar mening, dat vindt de koningin typisch iets voor groentjes in het vak.

    De relativering past bij de manier waarop Jan Waterink, hoogleraar pedagogiek, in 1952 Juliana typeert in een brief aan zijn vriend prins Bernhard: de voornaamste drijfveer van de koningin is, anders dan bij haar moeder, niet een begeerte naar macht, maar veeleer ‘een sterk, maar grotendeels onbewust, gevoel van onmacht’.

    Precies in die jaren is Juliana op haar eigenzinnigst. In sommige toespraken volgt ze een andere lijn dan de door het kabinet gewenste. Het bekendst zijn haar welhaast naar pacifisme neigende redes tijdens een staatsbezoek aan de Verenigde Staten in 1952. Vooraf zorgen ze voor veel rumoer in ministeriële en ambtelijke kringen, maar ze vallen in Amerika wonderbaarlijk goed. Veel wordt achteraf herleid tot de invloed van Greet Hofmans, maar het is zeer de vraag of de koningin zonder haar fundamenteel anders had geopereerd.

    Echt lastig wat betreft ministeriële verantwoordelijkheid maakt Juliana het haar bewindslieden pas tegen de ontknoping van de crisis rond de gebedsgenezeres in 1956, als ze op aanraden van Hofmans alle leden van het kabinet een voor een langs laat komen voor een verantwoording over beloftes en gevoerd beleid. Een conflict tussen Juliana en de minister van Buitenlandse Zaken Willem Beyen draagt er dat jaar aan bij dat die niet toekomt aan een tweede ambtstermijn.

    In 1956, maar ook tijdens de voorbereidingen van de huwelijken van haar drie oudste dochters midden jaren zestig, en de Lockheed-affaire midden jaren zeventig, lopen familiekwesties en staatsrechtelijke kwesties dwars door elkaar heen. De koningin weet de rollen van moeder en echtgenote enerzijds en die van staatshoofd anderzijds dan zelf ook niet meer goed uit elkaar te houden. Ratio en emotie strijden om voorrang. Haar temperament komt meer dan ooit naar boven.

    Als een paparazzifoto in 1965 duidelijk maakt dat Beatrix een relatie heeft met een onbekende man, houdt Juliana de identiteit van Claus nog even geheim voor minister-president Jo Cals. Ze heeft dan al wel op eigen initiatief onderzoek laten doen naar de achtergronden van de Duitser. Tot een verloving is besloten voordat Cals heeft kennisgemaakt met Von Amsberg. Als de Oranjes het op andere momenten ook niet eens blijken te zijn, bijvoorbeeld bij de voorbereidingen van het huwelijk van prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven, worden verantwoordelijke ministers tot wanhoop gedreven.

    Bij de Lockheed-affaire is het prins Bernhard die ‘veel te lichtvaardig’ heeft gehandeld, maar zijn het Juliana en haar oudste dochter die een coulante behandeling afdwingen. De koningin laat doorschemeren dat ze bij strafrechtelijke vervolging van haar echtgenoot zal aftreden. De kroonprinses maakt duidelijk dat ze in zo’n geval niet zal opvolgen. Op die manier beperken ze de speelruimte van premier Den Uyl en zijn kabinet in de kwestie.
     

    Moederlijk

    Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina van Oranje-Nassau (1909-2004) wordt van jongs af aan klaargestoomd voor haar latere taak: aanvankelijk in een zorgvuldig samengesteld klasje met leeftijdgenoten, later vanwege het veelvuldig wisselen van paleis een op een. In dat laatste stadium zijn het voornamelijk hoogleraren en gewezen hoogleraren die haar onderwijzen. Vanaf haar veertiende krijgt ze privécolleges in Indische land- en volkenkunde, en in geschiedenis. Vanaf haar zeventiende volgt onderricht in staatrecht, volkenrecht en economie.

    Als eerste Oranje mag Juliana naar de universiteit, maar na drie tentamens vindt Wilhelmina het genoeg. Leiden bedenkt haar nog wel met een eredoctoraat. De historicus Johan Huizinga, destijds decaan van de letterenfaculteit, treedt op als promotor. Hij prijst haar intelligentie, maar tekent daarbij aan dat ze niet louter een vrouw van het hoofd is: ‘Aan haar oordeel had altijd het hart deel.’

    Het staatsrechtelijk kompas van Juliana lijkt – mede dankzij haar opleiding – redelijk in orde. Ze is zich in de meeste gevallen goed bewust van haar beperkte bewegingsruimte in de constitutionele monarchie. Als koningin Wilhelmina in 1941 in een brief naar Canada haar plannen ontvouwt voor het naoorlogse Nederland, reageert Juliana met afschuw. Het Nederlandse volk en parlement komen er wel erg bekaaid vanaf.

    ‘Je liet me eventjes ijzen door de indruk te wekken, dat jullie in Londen een grondwetsherziening willen maken. Alles goed en wel, maar dat is toch wel een beetje gek tegenover het Nederlandse volk, dat geen vertegenwoordigers kan aanwijzen in de Staten-Generaal. Is dat weer mijn argwaan, die de kop opsteekt.’ Uit de tijd van haar eigen koningschap dateert een andere uitspraak: ‘Maar ik zou toch nooit iets anders kunnen doen dan overeenkomstig de inzichten mijner ministers!’

    Gesprekken van koningin Juliana met ministers verlopen verre van gestructureerd. Oud-premier Barend Biesheuvel: ‘Ik geloof niet dat ze zich er geweldig op voorbereidde.’ Van Agt: ‘Er zat niet veel orde in de gesprekken die ik met haar had. Ze werden voor een deel – niet helemaal natuurlijk – door invallen geïnspireerd.’ Zoals Huizinga al eerder signaleerde, is het hart betrokken bij haar oordelen: ‘Emotie, hè, uitroepen! De handen ten hemel heffend.’ Van Agt merkt al snel dat hij wel een agenda in zijn hoofd kan hebben, maar dat die zelden gevolgd kan worden. Het gaat niet alleen om de geplande volgorde. Sommige onderwerpen komen gewoon niet aan bod. De politicus berust erin: ‘In het licht van de eeuwigheid – wat maakt het uit?’ Haalt een relevant onderwerp het de ene week niet, dan is er de volgende week wel weer een nieuwe bijpraatsessie.

    De sfeer tijdens de gesprekken is zeer huiselijk. Behalve de vorstin en bewindslieden is er niet zelden een koninklijke viervoeter aanwezig. Legendarisch is het verhaal van Juliana’s hond N’Zara die tijdens een bezoek van Van Agt diens kopje thee leegdrinkt zonder dat zijn baasje dat opmerkt. Ministers hechten vaak meer dan de vorstin aan de instandhouding van vormelijkheden. Omdat ze ook in de beslotenheid van het paleis iets van de verhevenheid van het instituut monarchie in stand willen houden, of omdat al te veel vertrouwelijkheid een professionele werkrelatie in de weg kan gaan zitten.

    Juliana heeft de neiging om zich te hechten aan politici. Piet de Jong: ‘Ze had vaak moeite om te wennen aan mensen, maar als ze er eenmaal aan gewend was, wilde ze hen niet meer kwijt.’ Haar eerste premiers Willem Drees en Louis Beel blijven ook na hun kabinetten met een foto aanwezig in haar werkkamer. Zover brengen de acht volgende minister-presidenten tijdens haar koningschap het niet, maar met de meesten van hen heeft ze een goede relatie.

    Haar bemoeienis beperkt zich niet tot de inhoud. Zo maakt ze zich bezorgd over de neiging van premier Den Uyl om ministerraden door te laten gaan tot diep in de nacht. Tegen minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel geeft ze er uiting aan: ‘Als meneer Den Uyl er nu maar aan denkt dat andere ministers eerder moe worden dan hij!’ Het zijn dezelfde welhaast moederlijke gevoelens die ze heeft als het gaat om het welzijn van haar onderdanen. Juliana heeft een groot gevoel voor compassie. Als voor haar aantreden als koningin het vieren van haar verjaardag op 30 april als nationale feestdag ter sprake komt, informeert ze bij Drees of dat de 1 mei-vieringen van de arbeidersbewegingen niet in de weg zit.
     

    Gratie

    Meer dan haar moeder is Juliana een koningin van de wereld. Ze hecht sterk aan de Europese gedachte en realiseert zich al vroeg dat de Duitsers bij zo’n samenwerking betrokken horen te worden. Volharden in een hardvochtige houding tegenover de voormalige bezetter heeft geen zin, is haar overtuiging. Als de ter dood veroordeelde Willy Lages, hoofd van de Amsterdamse Sicherheitsdienst tijdens de oorlog, in 1951 een gratieverzoek indient, adviseert de minister van Justitie om dat niet in te willigen. Juliana denkt daar echter anders over: ze wil dat de doodstraf wordt omgezet in levenslang en krijgt uiteindelijk haar zin.

    Waar Wilhelmina zoals veel van haar onderdanen geloof hecht aan de leus ‘Indië verloren, rampspoed geboren’, kost het haar dochter ogenschijnlijk weinig moeite om zich bij de Indonesische onafhankelijkheid neer te leggen. Als er voorjaar 1949 onderhandeld moet worden met de republikeinen, pleit de jonge vorstin voor een ontmoeting van de onderhandelaars in hun hoofdstad Djokjakarta. Dat gaat het Nederlandse kabinet van dat moment veel te ver. Dus wordt het Batavia (het latere Jakarta).

    De ondertekening van de soevereiniteitsoverdracht op 27 december van hetzelfde jaar is Juliana’s eerste grote historische daad als koningin. ‘Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkander,’ zegt ze tijdens haar toespraak. ‘Wij zijn nu naast elkaar gaan staan, hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol littekens van wrok en spijt.’

    Aan minister-president Drees schrijft ze: ‘Het was een onzegbare vreugde me in deze onderwerpen in te denken en tot deze redes geïnspireerd te worden. De overdracht kan ik niet anders zien dan als een singuliere hoogtijding in ons aller leven, omdat het erom gaat, dat een onrechtmatige (koloniale) toestand vrijwillig in een rechtvaardige wordt omgezet.’ Tekstuele voorstellen van Drees om de passage in haar toespraak over ‘littekens van wrok en spijt’ weg te laten, neemt Juliana niet over. Ook de door hem geopperde zinsnede ‘Wij bouwen voort op hetgeen vroeger verricht werd’ laat ze ongebruikt.

    In 1971 is ze de eerste regerende Oranje die de voormalige rijksdelen in de Oost bezoekt. Vier jaar later wordt Suriname onafhankelijk. Bij de plechtigheid in Paramaribo is de koningin zelf niet aanwezig. Prinses Beatrix en prins Claus nemen de honneurs waar. In diezelfde tijd wordt Nederland geconfronteerd met onverwachte naweeën van het koloniale verleden in de vorm van gijzelingsacties door jonge Zuid-Molukkers. In maart 1975 wil een groep de koningin ontvoeren. De opzet lekt uit en een deel van de plannenmakers wordt veroordeeld tot gevangenisstraffen. Juliana bepleit gratie, maar vangt bot bij het kabinet.

    De koningin wil tijdens de grote gijzelingen en kapingen door Molukkers blijvend geïnformeerd worden, ook ’s nachts. Ze laat het niet bij de rol van passieve toehoorder. Bij de meest verantwoordelijke bewindslieden dringt ze voortdurend aan op een geweldloze oplossing. Als bij de treinkaping in De Punt in 1977 uiteindelijk voor een andere aanpak wordt gekozen en zes kapers het leven laten bij een bestorming door mariniers, is Juliana daar zeer ontdaan over.
     

    Communie

    Ontwikkelingshulp heeft al haar belangstelling als die voor anderen nog nauwelijks een item is en het land nog druk is met de wederopbouw. Ze vindt in de jaren vijftig een geestverwant in PvdA-Landbouwminister Sicco Mansholt, met wie ze er veel over praat. Dat leidt op den duur tot irritatie. De directeur van het kabinet van de koningin doet zijn beklag bij premier Drees, onder meer over een door de koningin te schrijven brief aan de Amerikaanse president Dwight Eisenhower over het thema en de plannen voor een vorstelijke rede tijdens een congres voor jongeren. Ook Drees is woedend: zulke zaken kunnen alleen gebeuren met medeweten van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het kabinet.

    Juliana ziet de belangstelling voor ontwikkelingshulp gedurende haar regeerperiode toenemen. Het kabinet-Cals (1965-1966) is het eerste met een aparte minister voor het beleidsterrein. Nederland blijft in de jaren daarop internationaal vooroplopen. Maar Juliana vindt 0,75 procent van het nationaal inkomen magertjes. Haar laatste premier, Van Agt, krijgt nog te horen dat het rijke Nederland nog veel meer geld aan ontwikkelingslanden moet uitgeven.

    Het lijkt erop alsof Juliana’s laatste kabinet, dat van Van Agt en Wiegel, haar niet meer zo erg serieus neemt. Uit de concepttekst van zijn biografie heeft Van Agt het hem in de mond gelegde citaat ‘Ik vroeg me ook wel af of Juliana die beslissing over de troonswisseling nog wel zelfstandig kon nemen’ geschrapt. Als hij het al gezegd had, dan had hij zelf op dat moment zijn hoofd er niet bij, luidde het commentaar. Dat de gewraakte zinsnede met de toelichting van de politicus wel in de inleiding van de biografie terechtkwam, is een soort jezuïtische oplossing waar Van Agt patent op lijkt te hebben en zegt veel over zijn denken over Juliana in haar laatste jaren als staatshoofd.

    Na haar troonsafstand lijkt Juliana de bemoeienis met het landsbestuur volledig te hebben overgelaten aan haar oudste dochter Beatrix. Alleen haar laatste publieke optreden in 1998 tijdens het huwelijk van kleinzoon Maurits en Marilène van den Broek zorgt nog voor ophef: ze gaat met dochter Margriet ter communie. Niet fijn, vinden ze in minder oecumenisch aangelegde kringen. Maar een politieke kwestie wordt het niet meer.

    Paul van der Steen is auteur van Cals. Koopman in verwachtingen 1914-1971 (2004). Binnenkort verschijnt van hem Keurkinderen. Hitlers elitescholen in Nederland.


    MEER INFORMATIE

    Boeken
    Prins Bernhard lijkt onderzoekers voorlopig meer te fascineren dan koningin Juliana. Wellicht omdat het leven van de gemaal meer weg heeft van een schelmenroman. Annejet van der Zijl werkt aan een Bernhard-biografie, die naar verwachting volgend jaar verschijnt. Elsbeth Etty is meerdere malen genoemd als biografe van Juliana, maar heeft nog niet toegehapt.

    In zijn tweedelige Wilhelmina-biografie (2001) vertelt Cees Fasseur hoe Juliana vanaf haar vroegste jeugd werd klaargestoomd voor staatszaken en politiek. Fasseurs Juliana & Bernhard. Het verhaal van een huwelijk. De jaren 1936-1956 (2008) sluit daar nauw bij aan en draait net als De Greet Hofmans-affaire. Hoe de Nederlandse monarchie bijna ten onder ging (2007) van Lambert J. Giebels en Hans Daalders Drees en Soestdijk. De zaak-Hofmans en andere crises 1948-1958 (2006) voor een belangrijk deel om de tweespalt ten paleize als gevolg van de aanwezigheid van gebedsgenezeres Greet Hofmans. Ook de vermeende politieke invloed van deze vrouw op het denken en handelen van Juliana komt daarbij aan bod.

    De verschillende delen van de serie Parlementaire geschiedenis na 1945 (1999-2004) van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen besteden in uiteenlopende mate aandacht aan de bemoeienis van de koningin met kabinetsformaties en diverse politieke vraagstukken. De serie bestrijkt slechts de helft van haar tot 1980 lopende regeerperiode. Het laatst verschenen deel gaat over de periode van het kabinet-De Quay (1959-1963).

    Inkijkjes in het functioneren van Juliana als staatshoofd worden ook gegeven via de biografieën van een aantal premiers die onder de vorstin dienden: Beel. Van vazal tot onderkoning. Biografie 1902-1977 (1995) van Lambert J. Giebels; Cals. Koopman in verwachtingen 1914-1971 (2004) van Paul van der Steen; Van buitengaats naar Binnenhof. P.J.S. De Jong, een biografie (2001) Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer; Joop den Uyl. 1919-1987. Dromer en doordouwer (2008) van Anet Bleich en Van Agt. Tour de force. Biografie (2008) door Johan van Merriënboer, Peter Bootsma en Peter van Griensven.

    Vanwege hun meer dan gemiddelde nauwe relatie met Juliana zijn ook de levensbeschrijvingen van een aantal vakministers interessant: Bankier van de wereld. Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976 (2005) van W.H. Weenink en Mansholt. Een biografie (2006) van Johan van Merriënboer. Biograaf Hans Daalder gaat in twee van zijn vier delen tellende Drees-biografie in op de verhouding tussen de sociaal-democraat en de koningin, maar het hiervoor meest cruciale deel over de periode van zijn premierschap en daarna moet nog verschijnen.

    De parels en de kroon. Het koningshuis en de koloniën (2006) van Gert Oostindie werpt licht op de houding van Juliana in het tijdperk van de dekolonisatie.