• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 11/2014

    Jezuïeten in Paraguay

    Paradijs van de jezuïeten

    Door: Willem de Bruin

    In de zeventiende eeuw stichtten de jezuïeten in Paraguay nederzettingen voor indianen. Die leefden er vredig, maar geïsoleerd en onmondig. Vooral christenen en socialisten zagen de mooie kanten van deze ‘jezuïetenstaat’.

     
    Veel meer dan ruïnes zijn het niet. Hier staat nog een vervallen kerk, daar een rijk gedecoreerde toegangspoort, elders de muren van wat ooit werkplaatsen en woningen moeten zijn geweest. Van de oorspronkelijke dertig jezuïetenmissies in het gebied rond het drielandenpunt van Paraguay, Argentinië en Brazilië staan er sinds eind vorige eeuw zes op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Het zijn evenzoveel herinneringen aan wat de geschiedenis in is gegaan als de ‘jezuïetenstaat’ die meer dan anderhalve eeuw, van 1610 tot 1767, in het hart van Zuid-Amerika bestond.

    Lang niet iedereen in het Vaticaan was gecharmeerd van de gedreven edelman uit Spaans Baskenland die, vergezeld van een handvol medestanders, in de jaren dertig van de zestiende eeuw de paus zijn diensten kwam aanbieden. Ignatius de Loyola – die eigenlijk Inigo López de Loyola heette – was na een woelig leven tot inkeer gekomen en had besloten zich te wijden aan de verspreiding van het ware geloof. Hij was bereid elke missie te vervullen die de paus nuttig achtte. De kerk verkeerde op dat moment in een ernstige crisis en de paus kon daarom wel een paar strijdbare ‘soldaten van God’ gebruiken. Ondanks het wantrouwen dat Ignatius bij de curie ontmoette, gaf paus Paulus III in 1540 zijn zegen aan de oprichting van de Societas Jesu, beter bekend als de Jezuïetenorde.

    Hoewel de jezuïeten een belangrijk aandeel zouden hebben in de strijd tegen de Reformatie, was het Ignatius daar niet primair om te doen. Zijn zorg gold de spirituele en morele crisis in bredere zin. Het ging om de ‘verdediging en voortplanting van het geloof’ op alle fronten. Daarbij paste geen afzondering in een klooster, maar jezuïeten moesten juist de wereld in. Door hun vermogen zich aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden en wereldlijk leiders voor hun zaak te winnen, laadden ze al snel de verdenking op zich dat het geloof niet meer dan een dekmantel was voor hun streven naar verovering van de macht.
     
    Vooral de activiteiten die de jezuïeten in de zeventiende en achttiende eeuw in Paraguay ontplooiden maakten veel los. Paraguay was in die tijd een Spaanse kolonie en omvatte ook delen van het huidige Argentinië en Brazilië. De hoofdstad Asunción was lange tijd de enige Spaanse nederzetting van betekenis ten oosten van de Andes. De stad was in 1537 gesticht door Spaanse kolonisten die zich eerder aan de monding van de Rio de la Plata hadden gevestigd, op de plaats waar later Buenos Aires ontstond. Deze nederzetting  hadden zij moeten opgeven door de vijandige houding van de indianen die de pampa’s bevolkten.
     

    'Wij hebben de indianen niet gedoopt om ze tot slaaf te laten maken'


    De bovenloop van de rivieren de Paraná, de Paraguay en de Uruguay was het woongebied van de semi-nomadische Guaraní. Zij waren de Spanjaarden aanzienlijk minder vijandig gezind.

    De gemengde samenleving die in Paraguay was ontstaan, kwam onder druk te staan toen een nieuwe lichting avonturiers en gelukzoekers de weg naar de kolonie wist te vinden. Het gebied bevatte goud noch zilver, maar was wel zeer vruchtbaar. Het land bewerken deden de Spanjaarden echter niet graag zelf. Daarvoor bedachten ze het systeem van de encomienda: kolonisten kregen een stuk grond toegewezen plus het recht dit door de inheemse bevolking te laten bewerken. Dit tribuut was beperkt tot maximaal twee maanden per jaar, in ruil waarvoor de encomendero geacht werd hen te beschermen tegen vijandige stammen en hen op te voeden tot goede christenen.

    Dit systeem was bedoeld om de indianen te behoeden voor de slavernij, waar zowel de Spaanse koning als de paus zich tegen had uitgesproken, maar in de praktijk nodigde het uit tot misbruik en was het verschil tussen de dwangarbeid op de estancias in Spaans-Amerika en de slavenplantages in Brazilië veelal klein. De kolonisten betaalden hier echter zelf ook een prijs voor. Door ziekte en uitputting nam het aantal inheemse arbeidskrachten snel af. Veel indianen trokken zich zo ver mogelijk terug of loerden op een kans de kolonisten te grazen te nemen.

    Al vanaf de eerste ontdekkingsreizen waren missionarissen meegegaan met de conquistadores, voornamelijk franciscanen en dominicanen. Zij hadden echter weinig te zeggen over het bestuur van de koloniën. De eerste jezuïeten zetten in 1556 voet aan land in Brazilië en openden aan het eind van die eeuw een college in Asuncíon. Niet lang daarna werd hun door de bisschop en gouverneur van Paraguay gevraagd zich over de indianen te ontfermen.

    Van de missionarissen werd verwacht dat ze zowel Christus, de koning als de kolonisten dienden. Dat bleek een onmogelijke opgave, nog afgezien van het feit dat veel missionarissen van buiten Spanje kwamen en trouw aan de Spaanse koning voor hen niet vanzelf sprak. De jezuïeten kwamen er al snel achter dat een bekering op zich niet veel zei. Een indiaan kon zich laten dopen en zodra de missionaris was vertrokken weer volgens zijn eigen eeuwenoude gebruiken verder leven. Kerstening vergde permanente zorg en aandacht. Omdat er veel te weinig missionarissen waren om alle verspreid levende indianen in de gaten te kunnen houden, ging men ertoe over hen bijeen te brengen in een beperkt aantal nederzettingen, zogeheten reducciones. De indianen lieten zich overhalen met het argument dat de jezuïeten hen zo beter konden beschermen. De eerste reducties – ook misiones of missies genoemd - werden in de jaren 1609-1610 gesticht langs de oostelijke oever van de Paraná in wat nu Brazilië is.

    Op het eerste gezicht dienden de missies het belang van zowel de Kerk als de Staat. De bekering van de indianen werd een stuk makkelijker en tegelijkertijd werden de Guaraní onder het gezag van de Spaanse kroon gebracht. De keerzijde was dat de Guaraní in de nieuwe nederzettingen ook makkelijker in contact kwamen met de zeden en gewoonten van de Spaanse kolonisten, wier levensstijl in de ogen van de jezuïeten bepaald niet aan de bijbelse normen voldeed. Al snel legden de jezuïeten daarom beperkingen op aan het contact tussen beide bevolkingsgroepen, later gevolgd door volledige afzondering.
     
    Aanvankelijk dachten de encomenderos dat ze dankzij de jezuïeten over een permanent reservoir van arbeidskrachten konden beschikken, maar al snel bleek het omgekeerde het geval. De jezuïeten vochten het systeem juist aan. Doordat ze de indianen permanent voor zich lieten werken, behandelden de landeigenaren hen feitelijk als slaven. Bovendien verhinderden de encomenderos op deze manier dat ze werden onderricht in het geloof, wat al evenzeer in strijd was met de oorspronkelijke bedoelingen. ‘Wij hebben ze niet eerst door de doop de eeuwige vrijheid in het vooruitzicht gesteld, om ze vervolgens tot slaaf te laten maken,’ zo verwoordde Ruiz de Montoya, een van de leidende jezuïeten, hun bezwaren.

    Het waren argumenten waar men in Madrid gevoelig voor bleek. In 1611 werd bepaald dat indianen die vrijwillig het Spaanse gezag aanvaardden, vrijgesteld werden van de verplichtingen van de encomiendo. Het betekende in het geval van Paraguay dat zij werden toevertrouwd aan de jezuïeten. In de daaropvolgende jaren ontstond een netwerk van bloeiende, goeddeels zelfvoorzienende en bestuurlijk autonome nederzettingen. Formeel vielen de reducties nog steeds onder het gezag van de Spaanse gouverneur in Asunción. In werkelijkheid beperkte diens rol zich tot het goedkeuren van de benoeming van door de jezuïeten geselecteerde burgemeesters. Voor kolonisten waren de missies verboden terrein.

    De uiteindelijk dertig jezuïetenmissies, verspreid over een gebied dat zich uitstrekte van Paraguay tot aan de huidige grens tussen Brazilië en Uruguay, telden naar schatting 120.000 tot 150.000 inwoners – ongeveer evenveel als er onder het directe gezag van de Spaanse gouverneur vielen. De missies waren identiek van opzet: in het midden een groot plein gedomineerd door een kerk, daaromheen in rechte rijen de werkplaatsen en woonverblijven. Om de ommuurde nederzettingen heen lagen de collectieve landbouwgronden, waarvan de opbrengsten naar behoefte werden verdeeld onder de inwoners. Het surplus werd verkocht. De inkomsten vloeiden terug naar de gemeenschap, al kregen de Guaraní niets uitbetaald. De indianen wezen op papier hun eigen bestuurders aan, maar in de praktijk kwamen slechts die kandidaten in aanmerking die door de jezuïeten waren goedgekeurd. Volgens critici van de jezuïeten werden de Guaraní op deze wijze weliswaar beschermd tegen misbruik door grootgrondbezitters, maar waren ze nu de slaven van de missionarissen geworden. Daar stond tegenover dat in elke nederzetting slechts een paar missionarissen aanwezig waren die over geen enkel machtsmiddel beschikten om de indianen binnen de muren van de missie te houden.

    Volgens de Schotse socialist, avonturier en schrijver R.B. Cunninghame Graham, die zijn hart had verpand aan Zuid-Amerika, waren de Guaraní zich er maar al te zeer van bewust dat alleen de jezuïeten tussen hen en de slavernij stonden. Cunninghame Graham, die zowel het Spaans als het Guaraní beheerste, bezocht het inmiddels onafhankelijke Paraguay voor het eerst in 1871, vlak na de verwoestende oorlog tegen Brazilië en Argentinië, en nadat het land decennialang van de buitenwereld afgesloten was geweest. ‘Niet één keer, maar vele malen vertelden oude indianen mij wat zij van hun ouders over de jezuïeten hadden gehoord en zij spraken niet anders dan met respect over hen en hielden zo goed mogelijk de religieuze gebruiken in ere.’

    In economisch opzicht waren de missies geduchte concurrenten van de kolonisten. Dat bleek nog eens uit de inventarisatie van de veestapel bij de gedwongen opheffing van de reducties in 1768. De vertegenwoordigers van de Spaanse gouverneur telden toen een miljoen runderen, 300.000 schapen en geiten, 100.000 paarden, 50.000 muilezels en 20.000 ezels.

    Hoe groter hun succes, hoe meer weerstand de jezuïeten opriepen. Maar er dreigde nog een gevaar. In Paraguay botsten ook de Spaanse en Portugese invloedssferen op elkaar. Over het precieze verloop van de grens tussen beide koloniale rijken was nooit definitief overeenstemming bereikt. Deze liep bovendien grotendeels door ontoegankelijk en dunbevolkt gebied. Daar werd dankbaar gebruik van gemaakt door slavenjagers uit Saõ Paulo. Het vanouds zwakke centrale gezag in Brazilië legde hun daarbij weinig in de weg. De strooptochten van de zogenoemde bandeirantes konden maanden duren en reikten tot aan Peru.

    De missies van de jezuïeten in Paraguay vormden een aantrekkelijk doelwit. De indianen waren daar immers al bijeengebracht. Bij verschillende invallen in de jaren dertig van de zeventiende eeuw moesten de jezuïeten lijdzaam toezien hoe duizenden indianen in gevangenschap werden weggevoerd en verschillende nederzettingen met de grond gelijk werden gemaakt. Op hulp van de gouverneur in Asunción hoefden ze niet te rekenen.

    Koning Filips IV gaf de jezuïeten uiteindelijk toestemming de indianen te bewapenen, maar dat kon niet meer verhinderen dat ze het hele gebied ten oosten van de Paraná moesten prijsgeven. De vele duizenden indianen die in de daar nog resterende nederzettingen woonden, werden naar veiliger gebied gebracht. Honderden Guaraní kwamen tijdens de weken durende trektocht vol ontberingen door de jungle om het leven, maar ten slotte slaagden de jezuïeten erin met ongeveer vijfduizend Guaraní het zuidelijker gelegen gebied tussen de Paraná en de Uruguay te bereiken. Beschermd door deze natuurlijke grenzen waren ze voorlopig veilig voor de Portugese slavenjagers.
     
    Er brak een periode van betrekkelijke rust aan – van ongeveer 1650 tot 1720 -, die geldt als de bloeiperiode van de ‘jezuïetenstaat’. Het betekende echter niet dat de vijanden van de jezuïeten stilzaten. Telkens opnieuw dreigde het gevaar dat er een hun onwelgezinde gouverneur aan de macht kwam. Om die reden zouden de jezuïeten zich verschillende malen in de machtsstrijd rond de benoeming van een nieuwe gouverneur mengen. Dat liep niet altijd goed af. In 1725 werden de jezuïeten gedwongen Asunción te verlaten. Krap drie jaar later keerden ze er op last van koning Filips V weer terug. Het voedde bij de koloniale elite slechts de haat. Wat hen niet hielp was dat de religieuze orde ook in Europa steeds meer onder vuur kwam te liggen vanwege de vermeende politieke aspiraties van de jezuïeten.
     

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen