• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2019

    Hoe Australië niet-Europese migranten weigerde

    Alleen voor witte mensen

    Door: Rob Hartmans

    Ze verpestten de arbeidsmarkt, ze spraken de taal niet en ze hadden een verkeerde mentaliteit. Met dit soort argumenten weigerde Australië vanaf de negentiende eeuw niet-Europese immigranten toe te laten. ‘We zijn van plan dit land blank te houden.’

    Dat in het hoofd van Brenton Tarrant, de 28-jarige ‘etnonationalist’ die op 15 maart 2019 in het Nieuw-Zeelandse Christchurch vijftig moskeebezoekers doodschoot, een paar forse steken loszitten, hoeft geen betoog. Niettemin was hij niet zomaar een ‘verwarde man’, want uit het manifest dat hij online publiceerde blijkt dat hij sterk ideologische motieven had. In dit opzicht lijkt hij op Anders Breivik en andere extremisten die sinds 11 september 2001 van mening zijn dat ‘het Westen’ onder de voet wordt gelopen door vijanden van buitenaf.

    Maar in het geval van Tarrant komt hier nog iets bij: hij is een Australiër. Dat wil zeggen dat hij wellicht ook is beïnvloed door een politiek gedachtegoed waarin de afkeer van niet-westerse immigranten een oude en virulente traditie is. En dit zijn niet zomaar ideeën die sterk leefden bij een groot deel van Australiërs met een Europese achtergrond, maar ze vormden lange tijd de basis van het officiële immigratiebeleid, dat bekend kwam te staan als de White Australia Policy.
     
    Evenals de Verenigde Staten was Australië oorspronkelijk een verzameling Britse koloniën. Met dit verschil dat lange tijd weinig Europeanen uit vrije wil naar het kleinste continent trokken en de Engelsen er vooral misdadigers en ‘asociale’ elementen heen stuurden. Een overeenkomst was dat de inheemse bevolking als zo goed als nutteloos werd beschouwd en hardhandig aan de kant werd geschoven. Verdrijving, ziektes en regelrechte moord waren er de oorzaak van dat hun aantal daalde van circa 250.000 aan het eind van de achttiende eeuw tot zo’n 60.000 in 1920.
     

    Evenals de Verenigde Staten was Australië oorspronkelijk een verzameling Britse koloniën.

    Onder Europeanen nam de animo om naar Australië te gaan pas toe nadat er in 1851 in New South Wales goud was gevonden. In zes jaar tijd steeg de bevolking van deze kolonie, de zogenoemde Aboriginals niet meegerekend, van 200.000 naar 300.000. Veel immigranten kwamen echter niet uit Europa en in de twee decennia na 1851 vonden maar liefst 50.000 Chinezen hun weg naar New South Wales. In de kolonie Victoria werd de immigratie van Chinezen al beperkt en moesten degenen die wel werden toegelaten een speciale belasting betalen, een maatregel die New South Wales in 1861 overnam.

    De komst van gekleurde immigranten leidde tot sociale spanningen. Omdat er aanvankelijk zo weinig mensen kwamen, waren de lonen voor ongeschoolde arbeid lange tijd relatief hoog, zodat Australië ook wel een ‘arbeidersparadijs’ werd genoemd. Maar de Chinezen en migranten van eilanden in de Stille Oceaan waren bereid met veel minder geld genoegen te nemen en drukten dus het loonpeil. Velen waren contractarbeiders, die zich door middel van een overeenkomst die ze meestal niet konden lezen in feite hadden verkocht aan ondernemers die hen genadeloos konden uitbuiten en bij ongehoorzaamheid mochten straffen. Doorgaans werden ze onder valse voorwendselen geronseld en soms zelfs regelrecht ontvoerd – een praktijk die blackbirding werd genoemd.

    De opkomende Australische vakbeweging, waarin arbeiders van Europese afkomst zich organiseerden, verzette zich tegen deze praktijken. Niet uit solidariteit met de gekleurde lotgenoten, maar omdat ze hun komst zag als valse concurrentie op de arbeidsmarkt. Vandaar dat de vakbonden luidkeels protesteerden tegen de toestroom van immigranten uit Azië en Oceanië, die volgens hen alleen in het belang was van grootgrondbezitters en ondernemers. Vandaar ook dat de vakbeweging het roerend eens was met de wetten die tussen 1875 en 1888 in alle Australische koloniën werden aangenomen en die verdere immigratie van Chinezen verboden. Aziatische immigranten die zich al in Australië hadden gevestigd mochten blijven en kregen dezelfde rechten als de anderen.
     

    De komst van gekleurde immigranten leidde tot sociale spanningen.

    In de jaren hierna werd getracht de komst van niet-witte immigranten nog verder te beperken, maar dit leidde niet tot specifieke wetgeving. Wel werd in 1897 een wet aangenomen waarmee de komst van ‘ongewenste elementen’ kon worden verhinderd, en die dus de deur naar willekeur en rassendiscriminatie flink openzette.

    De Britse regering was niet blij met alle restricties, omdat deze betekenden dat ook inwoners van andere Britse koloniën de toegang tot Australië geweigerd kon worden. Maar ten slotte had ze toch begrip voor het streven om het ‘Europese’ – lees: ‘witte’ – karakter van de koloniën zo veel mogelijk te behouden.
     
    In de laatste decennia van de negentiende eeuw hadden de zes Australische koloniën een steeds grotere mate van zelfbestuur verworven, waardoor Groot-Brittannië uiteindelijk alleen nog zeggenschap behield over buitenlandse politiek, defensie en internationale scheepvaart. In 1901 gingen de zes koloniën samen in de Commonwealth of Australia, een federatie van deelstaten die binnen het Britse Rijk de status van dominion had. De Britse vorst bleef het staatshoofd van Australië en de band met het moederland bleef nauw, maar verder was de federatie zo goed als onafhankelijk.

    De eerste premier van Australië was Edmund Barton, de leider van de Protectionist Party, die niet alleen pleitte voor hoge invoerrechten en andere maatregelen ter beperking van de import, maar die tevens de komst van niet-witte immigranten wilde tegengaan. Tijdens de verkiezingscampagne had Barton verklaard: ‘Het is nooit de bedoeling geweest van de doctrine dat mensen gelijk zijn om te doen alsof de Engelsman en de Chinees gelijk zijn.’

    De tekst loopt door onder de afbeelding.


    Racistisch embleem.

    Zijn regering beschikte niet over een meerderheid in het nieuwe Australische parlement, en was afhankelijk van de gedoogsteun van de Australian Labor Party, die nauwe banden onderhield met de vakbeweging. En de Australische socialisten waren maar al te bereid om maatregelen ter beperking van de komst van niet-witte immigranten te steunen.

    Razendsnel nam het parlement de Immigration Restriction Bill aan, maar liep toen aan tegen het feit dat ‘Londen’ nog altijd dicteerde hoe de verschillende onderdelen van het British Empire met elkaar omgingen. En een op ras gebaseerd immigratiebeleid werd door het Colonial Office niet getolereerd. In plaats van bovengenoemde wet kwam de regering-Barton daarom met een language dictation test, die inhield dat potentiële immigranten een toelatingstest moesten afleggen in ‘een van de Europese talen’.

    Uiteindelijk werd de wet, die sterk geïnspireerd was door soortgelijke regelgeving in Zuid-Afrika, wel aangenomen. Overigens werd in de memorie van toelichting verklaard dat het gevaar van niet-witte immigranten niet school in hun slechte eigenschappen, maar juist in hun goede. Hun onuitputtelijke energie, hun vermogen zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden, en het feit dat ze gewend waren aan een heel lage levensstandaard, maakten hen tot geduchte concurrenten van Europese immigranten. Een typisch voorbeeld van ‘racisme met een menselijk gezicht’.
     

    Uiteindelijk werd de wet, die sterk geïnspireerd was door soortgelijke regelgeving in Zuid-Afrika, wel aangenomen.

    Ook volgde er een wet die bepaalde dat schepen die op Australië voeren en post vervoerden een volledig witte bemanning dienden te hebben.
     
    In de decennia hierna zou het streven naar een White Australia officieel regeringsbeleid blijven. Volgens Alfred Deakin, die in 1903 Barton zou opvolgen als premier en als minister van Justitie reeds de tekst van de Immigration Restriction Bill had geschreven, ging het hierbij niet zozeer om de ‘huidskleur’ van Australië, maar vooral om ‘sociale rechtvaardigheid’.

    En Stanley Bruce, premier van 1923 tot 1929, verklaarde: ‘We zijn van plan dit land blank te houden en niet toe te staan dat de inwoners ervan worden geconfronteerd met de problemen die in grote delen van de wereld zo goed als onoplosbaar zijn.’ Verzet tegen dit beleid was er wel, vooral van de Free Trade Party, die de belangen van ondernemers vertegenwoordigde en laagbetaalde arbeidskrachten graag zag komen, en van sommige kerkleiders, die de wetgeving ‘onchristelijk’ vonden.

    De tekst loopt door onder de afbeelding.


    Engelse immigranten komen aan in Slone Station in Australië, 1913.

    Maar de populaire pers en de overgrote meerderheid van de inwoners met een Europese achtergrond steunden het overheidsbeleid. Of, zoals een Labor-politicus het tijdens de Tweede Wereldoorlog formuleerde: ‘Alleen zij die uit winstbejag voorstander zijn van de uitbuiting van een slaafs, gekleurd ras, en een paar academische economen en naïeve theologen, hebben echt bezwaren tegen een blank Australië.’

    Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd de geringe bevolking van Australië niet alleen belaagd door Japan, maar dienden veel inheemse Australiërs ook in de strijdkrachten. Wat bij hen het idee deed postvatten dat ze na de oorlog meer rechten behoorden te krijgen. Tegelijkertijd ving Australië vrij veel vluchtelingen op, onder wie nogal wat Nederlanders uit Indonesië en Britten uit andere koloniën, maar vooral ook Indonesiërs, Maleisiërs en inwoners van de Filippijnen.
     

    Maar de populaire pers en de overgrote meerderheid van de inwoners met een Europese achtergrond steunden het overheidsbeleid.

    Na de oorlog werden verschillende wetten aangenomen die het mogelijk maakten deze niet-witte vluchtelingen het land uit te zetten, maar tegelijkertijd begon er iets te veranderen. De oorlog had duidelijk gemaakt dat het extreem dunbevolkte Australië kwetsbaar was, zodat er steeds meer stemmen opgingen om op grote schaal immigranten toe te laten.

    Veel van deze nieuwe Australiërs kwamen uit Italië, Griekenland en Joegoslavië, terwijl er ook aardig wat Nederlanders arriveerden. Hierdoor werd het Britse karakter van Australië al enigszins verzwakt. Vanaf het eind van de jaren veertig werden veel van de oude restricties op de komst van niet-witte immigranten afgeschaft. In 1958 werd de oude taaltoets vervangen door een andere toelatingstest, zodat het voor goedopgeleide Aziaten eenvoudiger werd om te immigreren.



    In de jaren zestig nam het aantal niet-witte immigranten, onder wie veel Vietnamese oorlogsvluchtelingen, sterk toe en in 1973 werd een grote reeks racistische bepalingen uit de wetgeving geschrapt. Twee jaar later werd de Racial Discrimination Act aangenomen, die het de overheid verbood raciale criteria te hanteren. En vanaf 1978 mocht bij de immigratieprocedure helemaal geen rekening meer worden gehouden met het land van herkomst.
     
    De culturele en etnische diversiteit van Australië is sinds de Tweede Wereldoorlog weliswaar toegenomen, maar nog altijd spreekt 85 procent van de bevolking thuis Engels. En van de overige 15 procent spreken de meesten Italiaans, Grieks, Kantonees of Arabisch. Slechts 2,2 procent van de bevolking zegt af te stammen van een van de inheemse volken van Australië, en de overige niet-witte Australiërs maken niet meer dan zo’n 8 procent van de bevolking uit.
     

    In de jaren zestig nam het aantal niet-witte immigranten, onder wie veel Vietnamese oorlogsvluchtelingen, sterk toe.

    Evenals in elders in de westerse wereld wordt sinds 11 september 2001 sterk gelet op inwoners met een moslimachtergrond, maar zij vormen nog geen 3 procent van de bevolking. Niettemin wijzen extreem-rechtse politici en activisten, plus de populaire media, die vrijwel volledig in handen van Rupert Murdoch zijn, voortdurend op het gevaar van ‘de islam’.

    Na het bloedbad in Christchurch twitterde senator Fraser Anning bijvoorbeeld dat deze tragedie veroorzaakt was door toegenomen immigratie van moslims, terwijl hij in 2016 al had gepleit voor een ‘final solution’ voor het ‘probleem’ van de islam. Fraser behoort tot de kleine extreem-rechtse marge in de Australische politiek, maar het idee dat de Australische way of life wordt bedreigd door mensen die afkomstig zijn uit andere delen van de wereld dan (Noordwest-)Europa leeft nog altijd heel sterk.

    Dit blijkt onder meer uit de praktijk om vluchtelingen nooit, ook niet tijdelijk, toe te laten tot het vasteland van Australië, maar te interneren op het eiland Nauru en in Papoea-Nieuw-Guinea, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden leven. Hoewel ‘Wit Australië’ allang geen officieel overheidsbeleid meer is, kun je onmogelijk beweren dat Brenton Tarrant zomaar, als een engel der wrake, uit de heldere hemel is gevallen.
     
    Rob Hartmans is historicus, journalist en vertaler.


    Meer weten:
     
    The Politics of Australian Immigration (1993) door James Jupp en Maria Kabala (red.).
    Ethnic Politics in Australia (1984) door James Jupp.
    The White Australia Policy. Race and Shame in the Australian History Wars (2004) door Keith Windschuttle.