Home ‘Het moet, het kan! Op voor het Plan!’

‘Het moet, het kan! Op voor het Plan!’

  • Gepubliceerd op: 24 augustus 2021
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Rob Hartmans
  • 13 minuten leestijd
‘Het moet, het kan! Op voor het Plan!’

In de jaren dertig zocht de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij een nieuwe koers. Ze nam afscheid van het marxisme en van een fatalistische visie op de economie. In het Plan van de Arbeid (1935) pleitte de partij voor actief ingrijpen in de markteconomie. Het betekende een doorbraak: niet lang daarna mocht ze meeregeren.

Begin jaren dertig van de vorige eeuw bevond niet alleen de wereldeconomie zich in crisis, maar ook de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Rond het einde van de Eerste Wereldoorlog waren de twee belangrijkste eisen waarvoor de Nederlandse sociaal-democraten hadden geijverd ingewilligd: het algemeen kiesrecht en de achturige werkdag. Daarna probeerde de partij nieuwe aanhang te werven met voorstellen om de productiemiddelen te socialiseren en voor ontwapening.

De SDAP mocht inmiddels in verschillende gemeentes wethouders leveren en kreeg steeds meer leden. Net als de aan haar gelieerde organisaties, zoals het Nederlands Verbond van Vakvereenigingen (NVV), het dagblad Het Volk, de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA) en de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). Toch wist de SDAP bij verkiezingen voor de Tweede Kamer nooit meer dan 24 procent van het electoraat te overtuigen. Het ‘verzuilde’ Nederland zat in dit opzicht behoorlijk op slot: katholieke en orthodox-protestantse arbeiders stemden vrijwel zonder uitzondering op confessionele partijen en leden van de middenklassen zonder sterke kerkelijke band voelden zich meestal aangetrokken tot liberale partijen. En aangezien zowel confessionele als liberale politici de sociaal-democraten nog altijd verweten dat SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in november 1918 revolutionaire retoriek had gebezigd, bevond de partij zich in een politiek isolement.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Volgens het Plan van de Overheid kon de werkloosheid met 200.000 man dalen

De partij was in economisch opzicht nog sterk georiënteerd op het marxisme, dat verkondigde dat het kapitalisme als gevolg van innerlijke spanningen ten onder zou gaan, waarna het socialisme zou zegevieren. Daarom leek de mondiale economische crisis die eind 1929 uitbrak kansen te bieden. De hoge werkloosheid en de sterke daling van het levenspeil zouden veel arbeiders duidelijk maken dat het bestaande economische bestel hopeloos achterhaald was. Maar bij de Tweede Kamerverkiezingen van april 1933 verloor de SDAP 2 van haar 24 zetels, wat in de toenmalige politieke verhoudingen werd ervaren als een aardschok.

Dit was niet de eerste dreun die de partij dat jaar te verwerken kreeg. In Duitsland was inmiddels Adolf Hitler aan de macht gekomen, die al snel de aanval opende op de arbeidersbeweging. De ooit zo imponerende Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), hét grote voorbeeld van de SDAP, werd binnen enkele maanden weggevaagd. En nadat enkele SDAP’ers zich in februari 1933 enthousiast hadden uitgelaten over de muiterij op het oorlogsschip Zeven Provinciën, riepen de confessionele en liberale partijen in koor dat dit bewees dat de sociaal-democraten niet te vertrouwen waren. Defensiepersoneel mocht geen lid zijn van de SDAP of het NVV.

Ondertussen liep de werkloosheid in Nederland in hoog tempo op, van minder dan 6 procent in 1929 tot meer dan 18 procent in 1933, om uiteindelijk in 1936 op bijna 20 procent uit te komen. Dat waren ruim 600.000 mensen, op een bevolking van iets minder dan 9 miljoen. Dit betekende diepe armoede en vernedering; bij een oproer van wanhopige werklozen in de Amsterdamse Jordaan vielen in de zomer van 1934 vijf doden.

Het Jordaanoproer in juli 1934 wordt door de politie hard neergeslagen.

Dit was koren op de molen van de communisten, terwijl net als in Duitsland het fascisme in Nederland snel groeide. De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) telde vier jaar na haar oprichting al 50.000 leden, iets waar de SDAP dertig jaar over had gedaan. Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren. De sociaal-democraten moesten aantonen dat fascisme en communisme geen alternatieven waren en met een aansprekend antwoord op de economische crisis komen.

Pleidooi voor overheidsinterventie

Maar de SDAP worstelde met een forse handicap. Officieel baseerde de partij zich nog altijd op het marxisme, dat leerde dat de economische ontwikkelingen zich min of meer autonoom voltrokken en politici daar geen noemenswaardige invloed op konden uitoefenen. Uiteindelijk zou het kapitalisme als een totaal vermolmd gebouw ineenzijgen, waarna voor de arbeiders een gouden toekomst zou aanbreken. Tot die tijd kon je niet meer doen dan afwachten en het allerergste leed trachten te verzachten. Wat dit betreft stond de SDAP in de jaren dertig evenzeer met lege handen als de kabinetten die werden geleid door de katholiek Charles Ruijs de Beerenbrouck (1929-1933) en de antirevolutionair Hendrikus Colijn (1933-1939).

Hoewel deze politici in levensbeschouwelijk opzicht sterk verschilden van de liberalen, deelden zij het geloof in het economische dogma dat de overheid zo min mogelijk moest ingrijpen in het economisch leven. De Nederlandse regering voerde een zogeheten ‘aanpassingspolitiek’, waarbij omvangrijke steun aan de landbouw werd gefinancierd door verlaging van de salarissen van overheidspersoneel en werkloosheidsuitkeringen. Terwijl ondertussen de gouden standaard gehandhaafd bleef, waardoor Nederlandse producten relatief duur werden. Uiteindelijk bleef er niets anders over dan afwachtten tot de wereldmarkten zich zouden herstellen.

Anders dan de confessionele en liberale politici geloofden marxisten niet in de zegenrijke werking van de markten, maar ze waren het er wel mee eens dat succesvol ingrijpen in de economie onmogelijk was. De combinatie van een zware economische crisis en de opkomst van het fascisme leidde er in de jaren 1933-1937 toe dat de SDAP in hoog tempo afscheid nam van het marxisme.

De partij zou zich voortaan niet meer uitsluitend richten tot de arbeidersklasse, maar wilde een ‘brede volkspartij’ worden. Ook plaatsten de sociaal-democraten zich uitdrukkelijk in de ‘vrijheidslievende’ traditie van Nederland – wat onder meer leidde tot een positievere houding ten opzichte van de monarchie – en verklaarden ze zich tot principiële voorstanders van de parlementaire democratie. In economisch opzicht betekende dit een afscheid van het marxistische determinisme en een pleidooi voor krachtige overheidsinterventie in de economie.

Diepgaande hervorming

Aanvankelijk dachten de SDAP-leiders dat het voldoende zou zijn om de oude ideeën over socialisatie van de productiemiddelen te concretiseren. Toen ze samen met het NVV in 1934 een Wetenschappelijk Bureau oprichtten, gingen ze ervan uit dat dit met een gedetailleerd plan zou komen om de Nederlandse economie in socialistische zin om te vormen. Maar de jonge directeur van dit instituut, de ingenieur Hein Vos, sloeg een heel andere richting in. Hij liet zich inspireren door het Plan van de Arbeid dat de Belgische sociaal-democratische voorman Hendrik de Man eind 1933 had gepresenteerd. In dit plan bleef het overgrote deel van de economie privébezit. Het legde de nadruk op de uitvoering van grootschalige openbare werken om de werkgelegenheid te herstellen en de economie weer aan te zwengelen.

De ‘Vader van het Plan’, de Belg Hendrik de Man, tijdens een campagnebijeenkomst in 1930.

Terwijl het ‘Plan-De Man’ tamelijk summier en schetsmatig was, kwamen Vos en zijn medewerkers in oktober 1935 met een ruim 300 pagina’s tellend boekwerk dat evens de titel Het plan van de arbeid droeg. Het Plan, zoals het gemakshalve werd genoemd, bepleitte een diepgaande economische hervorming, die tot doel had de Nederlandse bevolking ‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil’ te garanderen. Het bestond uit drie delen: een crisisplan, beleidsvoorstellen gericht op het beheersen van de conjunctuur, en een structuurplan.

Het crisisplan wilde de economie stimuleren via grote openbare werken. Om dat te financieren moest de regering extra geld uitgeven. Dit betekende een breuk met het dogma van de sluitende overheidsbegroting, dat ook voor de sociaal-democraten tot dan toe heilig was geweest. Door deze kapitaalinjectie zouden niet alleen direct zo’n 55.000 mensen aan werk worden geholpen, maar zouden ook in toeleveringsbedrijven 20.000 arbeidskrachten extra nodig zijn, terwijl door de gestegen koopkracht de werkgelegenheid nog eens met 50.000 manjaren zou stijgen. Gecombineerd met de invoering van de 40-urige werkweek en verlenging van de leerplicht, zou de werkloosheid met naar schatting 200.000 man dalen.

De opstellers van het Plan erkenden dat een internationale aanpak nodig was om de conjunctuur te beheersen. Toch kwamen zij met een reeks voorstellen die het mogelijk moesten maken om in Nederland enige invloed uit te oefenen op de economische golfslag. Hoewel de Britse econoom John Maynard Keynes zijn beroemde boek The General Theory of Employment, Interest and Money pas in 1936 zou publiceren, deden verschillende ideeën hieruit al langere tijd de ronde. Ook in het Plan waren reeds aanzetten te vinden voor een anticyclische conjunctuurpolitiek. In tijden van ‘onderbesteding’ moest de overheid de economie stimuleren, terwijl zij bij ‘oververhitting’ van de economie op de rem diende te trappen. Wat de structurele hervorming van de Nederlandse economie betreft bepleitte het Plan een verdergaande industrialisatie plus een strikte ordening van het economisch leven. Ook besteedde het uitgebreid aandacht aan problemen van de middenstand, de agrarische sector, het bouwbedrijf en andere bedrijfstakken.

Het Plan van SDAP en NVV getuigde van een haast onwankelbaar vertrouwen in de mogelijkheden van planning, reglementering en sturing van de economie. Het paste perfect in de traditie van de technocratische blauwdrukken waarmee de sociaal-democraten in de jaren twintig waren gekomen. Tegelijkertijd betekende het een duidelijke breuk met het economisch determinisme en fatalisme die zo kenmerkend voor het marxisme waren. Krachtig en onmiddellijk ingrijpen in de vrijemarkteconomie was wel degelijk mogelijk en een crisis was geen ‘natuurverschijnsel’ dat je lijdzaam moest laten uitrazen.

Dramatiek en pathos

Op een tweedaags congres in Utrecht werd het Plan in oktober 1935 met veel gevoel voor theater gepresenteerd. Het sociaal-democratische dagblad Het Volk deed enthousiast verslag: ‘Vier bazuinblazers stellen zich midden op het podium op en blazen hun glasheldere fanfare. Banierdragers komen achter uit de zaal, hoog dragend de rode en blauwe planvlaggen, die ter weerszijden van Koos Vorrink geplaatst worden.’

Vorrink was sinds 1934 voorzitter van de SDAP. Daarvoor had hij leidinggegeven aan de jeugdorganisatie AJC, waar hij had laten zien dat hij begreep hoe belangrijk propaganda en saamhorigheidsgevoel waren. Aan het eind van het speciale congres bood hij namens de partij en de vakbeweging het Plan symbolisch aan de gehele Nederlandse bevolking aan: ‘Hier is mijn hand, pak aan!’

Tijdens het Plan-congres speelde het carillon van de Utrechtse Dom strijdliederen

Dit congres was tevens het startsein van een langlopende campagne om het Plan onder de aandacht te brengen. Niet alleen verschenen er allerlei toelichtingen en uitwerkingen voor de verschillende economische sectoren, maar er werd ook zwaar ingezet op propaganda die tegemoetkwam aan de behoefte aan dramatiek, pathos en verbondenheid. Het was een tijdperk waarin niet alleen communisten en fascisten graag paradeerden met wapperende vaandels en slaande trommels, maar bijvoorbeeld ook de katholieke jeugdbeweging spectaculaire massabijeenkomsten organiseerde. Tijdens het Plan-congres speelde het carillon van de Utrechtse Dom socialistische strijdliederen, waren er speciale Plan-vlaggen ontworpen door de sociaal-democratische kunstenares Fré Cohen, was er een affiche waarop een arbeider de zware zwarte deur van de crisis openduwde en zorgden koperblazers en schijnwerpers voor theatrale effecten.

Constructief

Als oppositiepartij was de SDAP voorlopig niet in staat de voorgestelde maatregelen in praktijk te brengen. Tijdens de begrotingsdebatten in de Tweede en Eerste Kamer werd het Plan uitgebreid besproken, maar vrijwel alle andere partijen wezen deze ideeën af. Minister-president Hendrikus Colijn stelde dat het benodigde geld eenvoudigweg niet beschikbaar was, en verder vonden de antirevolutionairen het zogenoemde ‘staatssocialisme’ waarvan het Plan getuigde gewoon levensgevaarlijk.

Het volk wil aan de slag met het Plan. Propagandaposter uit 1936.

Binnen de Christelijk-Historische Unie (CHU) waren er enkele jongere intellectuelen die wel iets zagen in een stevige ‘ordening’ van de economie, maar zij hadden slechts geringe invloed. Ook binnen de arbeidersvleugel van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) vielen enkele positieve reacties te beluisteren; toch besloot de partijleiding het Plan grotendeels te negeren. Dat de conservatieve Liberale Staatspartij (LSP) de SDAP-ideeën afwees was te voorzien geweest, maar het was een enorme teleurstelling dat ook de links-liberale Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) bijzonder negatief reageerde. Alleen de kleine en progressieve Christelijk-Democratische Unie (CDU) onderschreef het Plan.

Was het Plan dus een volkomen zinloze exercitie? Dat is een veel te sombere conclusie. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1937 wist de SDAP weliswaar slechts één zetel terug te winnen, toch betekende het voor het zwaar aangeslagen moreel van de sociaal-democraten een flinke oppepper. De propaganda voor het Plan vergde niet alleen veel energie, maar gaf ook energie. Eindelijk was de agitatie niet meer louter negatief – tegen werkloosheid en loonsverlaging –, maar positief: vóór het Plan! En het Plan bood zowel een antwoord op de economische crisis als op de schijnbaar onstuitbare opmars van het fascisme. Tot die tijd hadden de sociaal-democraten vooral gewezen op de loze beloftes en tegenstrijdigheden in de fascistische propaganda, maar nu konden ze er iets tegenover stellen.

Met het Plan van de Arbeid stelde de SDAP zich constructief op. Samen met het nieuwe beginselprogramma, dat in 1937 werd aangenomen en dat ook op andere terreinen duidelijk brak met het marxisme, zorgde het ervoor dat de sociaal-democraten al spoedig werden gezien als mogelijke regeringspartners. In 1939 traden ze toe tot het kabinet-De Geer II.

Na de oorlog bleken veel ideeën uit het Plan inmiddels in bredere kring geaccepteerd. De SDAP fuseerde met VDB en CDU tot de Partij van de Arbeid – een naam die niet alleen verwees naar de Britse Labour Party, maar tevens naar het werkstuk van Hein Vos en zijn medewerkers.

Rob Hartmans is historicus, journalist en vertaler.

Oprichting van het CPB

Hein Vos (1903-1972) werd geboren in een sociaal-democratisch gezin. Zijn zusters Marie en Margot Vos waren bekende socialistische dichteressen. Hoewel hij een typische bèta was en elektrotechnisch ingenieur werd, schreef Vos onder het pseudoniem Hans Wispel eveneens strijdbare poëzie. Samen met zijn levenspartner, de literator Aar van de Werfhorst (pseudoniem van Pieter Gerhardus Jansen), schreef hij in 1935 het ‘Plan-lied’. Met als refrein: ‘Het moet, het kan! Op voor het Plan!’ Vos’ homoseksualiteit leidde er na de oorlog, samen met zijn kritiek op de oorlog in Indonesië, toe dat de katholieken hem als minister (eerst van Handel en Nijverheid, later van Verkeer en Waterstaat) liever kwijt dan rijk waren. Tijdens zijn eerste ambtsperiode als minister richtte hij het Centraal Plan Bureau (CPB) op, waarvan zijn vriend Jan Tinbergen directeur werd.

Jonge generatie

In 1935 waren de meeste SDAP-leiders tussen de 55 en 75 jaar oud en bezetten binnen de partij al decennia belangrijke posten. Toen begin jaren dertig duidelijk werd dat de partij zich in een crisis bevond, was het met name partijleider Willem Albarda (1877-1957) die besefte dat de partij de frisse ideeën van een jongere generatie goed kon gebruiken. Zo gaf hij niet alleen ruim baan aan Hein Vos, maar ook aan mensen als de staatsrechtgeleerde Marinus van der Goes van Naters (1900-2005), de historicus Herman Wiardi Beckman (1904-1945), de sociologe Hilda Verwey-Jonker (1908-2004), de historicus Henk Brugmans (1906-1997) en de wis- en natuurkundige Jan Tinbergen (1903-1994). De laatste specialiseerde zich in de wiskundige onderbouwing van de economische wetenschap en zou een van de grondleggers van de econometrie worden, waarvoor hij in 1969 (samen met de Noor Ragnar Frisch) de eerste Nobelprijs voor economie zou krijgen. Aanvankelijk hadden sommige SDAP-leiders niet veel vertrouwen in hem – een van hem noemde hem een ‘economisch dilettant’. Maar hij zou een zwaar stempel drukken op het Plan van de Arbeid en het sociaal-democratische economische denken.

Meer weten:

Het moet, het kan! Op voor het plan! Vijftig jaar Plan van de Arbeid (1986) door John Jansen van Galen e.a. belicht diverse aspecten van de sociaal-democratische crisispolitiek.

Een leger van priesters voor een heilige zaak. SDAP, politieke manifestaties en massapolitiek 1918-1940 (2007) door Bernard Rulof gaat uitgebreid in op de sociaal-democratische propaganda.

Vijandige broeders? De Nederlandse sociaal-democratie en het nationaal-socialisme, 1922-1940 (2012) door Rob Hartmans laat zien welke rol de economische crisis en het fascisme speelden bij de ideologische heroriëntering van de SDAP.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 2 - 2021